Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:219

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
CUR201701008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitleg vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de stichting

FUNDASHON KORPORASHON PA DESAROYO DI KORSOU,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. W.J. de Nijs,

tegen

de naamloze vennootschap

GIROBANK N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.J.J. Huizing.

Partijen zullen Korpodeko en Girobank genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 16 augustus 2017, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de e-mail van het gerecht, inhoudende een zittingsagenda;

- de aanvullende productie van Girobank;

- de behandeling ter comparitie van 1 juni 2018;

- de ter zitting door Korpodeko overgelegde pleitnota.

1.2.

Na een aanhouding voor overleg is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 14 maart 2013 heeft Korpodeko ten behoeve van de bank zekerheid gesteld tot een bedrag van USD 1 miljoen voor de betalingsverplichtingen van Dutch Antilles Express B.V. (hierna: DAE) jegens de bank tot genoemd bedrag. Zekerheidsstelling heeft vorm gekregen door middel van een pandrecht ten behoeve van de bank op de vordering tot genoemd bedrag van Korpodeko op DAE. In dit kader heeft Korpodeko voorts een bedrag van USD 1 miljoen gestort op een time deposit account bij de bank.

2.2.

Op 30 augustus 2013 is DAE failliet verklaard.

2.3.

Op 9 september 2013 is tussen Korpodeko, de bank en DAE een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

Considering that:

- Currently summary proceedings are pending in Curacao […]

- In order to facilitate DAE to cover operational expenses, (i) DAE sold and Girobank bought the Venezuelan bolivars ("VEF") that DAE earned in connection with the sale of tickets in Venezuela, (ii) as payment there for, Girobank credited the account of DAE at Girobank on Curacao with US$, (iii) the VEF purchased from DAE were deposited on an account of Girobank at Banco Fondo Comun in Venezuela, (iv) DAE had and has the obligation to buy back such VEF afterwards from Girobank at agreed upon US$ price/exchange rates, and (v) the purchase of VEF from DAE by Girobank were done at rates varying between 5.15 VEF = 1 US$ to 8.50 VEF = 1 US$; Korpodeko disputes the aforementioned, subject to obtaining proof thereof as to be arranged in Clause 2 of this Agreement, which proof shall be considered to be final and conclusive;

- DAE has the privilege to obtain conversion of its VEF obtained from ticket sales in Venezuela to US$ at a favorable rate through the Cadivi mechanism. […]

- Korpodeko has guaranteed a facility made available by Girobank to DAE up to the amount of US$ 1,000,000.00, of which currently the exposure according to Girobank is US$ 1,000,000.00, plus interest (the "Korpodeko Guarantee"), and for which Korpodeko has placed a cash deposit of US$ 1,000,000.00 with Girobank ("Korpodeko Deposit");

[…]

Now, therefore, Parties have agreed as follows:

1. […]

3. Girobank shall immediately from the Effective Date take all commercially reasonable actions required, at no cost or expense to Girobank, except as specifically provided for herein, in order to effectuate the conversion of VEF through the Cadivi mechanism for deposit of the US$ in the account of DAE with Girobank in Curacao ("DAE Girobank Account"), […].

[…]

6. Upon conversion of the First Cadivi Tranche, net of commissions (estimated at 16% of gross proceeds from conversion) and receipt of the proceeds in the DAE Girobank Account, Girobank shall immediately therefrom (i) first deduct and retain the Bolivars Funding costs in relation thereto, at a rate of 30 VEF = 1 US$, (ii) from the remaining balance pay and release five (5) percent (%) to the Trustees and thirty five (35) percent (%) to Korpodeko, on an account to be indicated by each of them, (Hi) retain sixty (60) percent (%), and (iv) from its retained amount apply US$ 500,000.00 as a partial release of the Korpodeko Guarantee, and immediately release and return to Korpodeko US$ 500,000.00 of the Korpodeko Deposit, on an account to be indicated by Korpodeko.

7. Upon conversion of the Second Cadivi Tranche, […] and (iv) from its retained amount apply US$ 500,000.00 as a final release of the Korpodeko Guarantee, and immediately release and return to Korpodeko the other US$ 500,000.00 of the Korpodeko Deposit, with accrued interest (if any), on an account to be indicated by Korpodeko.

[…]

13. Parties agree that this Agreement may be dissolved by either Party by notice to the other Parties in the event that converting (in part or in whole) the VEF into US$ through the Cadivi mechanism as stipulated in this Agreement has not been achieved within 24 months from the Effective Date. A Party in breach of its obligations hereunder, shall not be entitled to issue such notice of dissolution. Upon such dissolution, each of the parties shall for all purposes be reestablished back into the position as they were in immediately prior to entering into of this Agreement, […].

[…]

21. This Agreement supersedes the entire agreement among the parties with respect to the subject matter of this Agreement, and supersedes all oral and written contracts, agreements, negotiations, understandings and discussions regarding the subject matter.

2.4.

Op 16 december 2013 is ten aanzien van de bank de noodregeling uitgesproken als bedoeld in de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994.

2.5.

Van incasso van de vorderingen van DAE in Venezuela, waarvan in de vaststellingsovereenkomst sprake is, is het niet gekomen.

2.6.

Op 2 juni 2016 heeft de bank ter uitwinning van het haar door Korpodeko verleende pandrecht de time deposit account van Korpodeko voor het volledige saldo van USD 1 miljoen gedebiteerd.

3 Het geschil

3.1.

Korpodeko vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat (1) veroordeling van de bank tot creditering van het gedebiteerd bedrag van USD 1 miljoen, te vermeerderen met een rente van 4,5%, (2) te verklaren voor recht dat het pandrecht van de bank op de vordering van Korpodeko is vervallen, althans dat de bank dat pandrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer kan uitoefenen en (3) veroordeling van de bank in de proceskosten.

3.2.

De bank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, kosten rechtens.

4 De beoordeling

4.1.

De bank heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat Korpodeko niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat vanwege de toepasselijkheid van de noodregeling de bank niet kan worden gedwongen tot nakoming van een veroordeling tot betaling van een geldsom. Korpodeko heeft daarom geen belang bij haar vordering, aldus de bank.

4.2.

Dit standpunt is onjuist. Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie staat de toepasselijkheid van de noodregeling niet aan het aannemen van voldoende belang van de desbetreffende wederpartij in de weg. Korpodeko is dus ontvankelijk in haar vordering.

4.3.

Korpodeko legt aan haar eerste vordering het volgende betoog ten grondslag. Het stond de bank niet vrij om het door Korpodeko verleende pandrecht uit te winnen, nu de bank in strijd met haar verplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst geen pogingen heeft gedaan om de vorderingen van DAE in Venezuela te innen. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat deze mede was bedoeld om voor de bank betaling van haar vorderingen op DAE te realiseren, zodat daarmee ook Korpodeko kon worden ontslagen uit haar zekerheidsstelling ten behoeve van DAE. Pas als de bank er ondanks pogingen daartoe niet in zou slagen om de Venezolaanse vorderingen te incasseren, kon zij zich door middel van ontbinding aan de verplichtingen van de vaststellingsovereenkomst onttrekken. Nu de bank in het geheel geen pogingen tot incasso heeft gedaan, komt haar geen beroep op ontbinding toe. De bank heeft dan ook ten onrechte de time deposit account van Korpodeko gedebiteerd, aldus Korpodeko.

4.4.

De bank heeft betoogd dat de vaststellingsovereenkomst en het pandrecht geheel los van elkaar staan. In de vaststellingsovereenkomst wordt immers niets bepaald omtrent het al dan niet uitwinnen van het pandrecht en dus ook niet dat de bank dat pandrecht pas mag uitwinnen als het niet is gelukt om de Venezolaanse vorderingen te incasseren. De bank heeft gewezen op de entire agreement clause die in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen.

4.5.

Partijen twisten dus over de uitleg van de overeenkomst. Die uitleg moet plaatsvinden aan de hand van de verklaringen die partijen over en weer hebben afgelegd en de betekenis die zij redelijkerwijs aan die verklaringen hebben kunnen geven. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, die steeds moeten worden gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De omstandigheid dat in de overeenkomst een entire agreement clause is opgenomen kan een voor de uitleg relevante omstandigheid zijn, maar ook de betekenis daarvan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

4.6.

Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader is het gerecht van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd op de door Korpodeko bepleite wijze. Het gerecht licht dit als volgt toe.

4.7.

De vaststellingsovereenkomst legt op diverse plaatsen een verband met de door Korpodeko verstrekte zekerheid van USD 1 miljoen en het in dat verband door Korpodeko bij de bank gestorte bedrag. Dat blijkt alleen al uit de overwegingen, waarin uiteen wordt gezegd dat Korpodeko zekerheid heeft gesteld (“Korpodeko Guarantee”) en dat zij daarvoor het bedrag op de time deposit account heeft gestort (“Korpodeko Deposit”). Zowel in de overwegingen bij de overeenkomst als in de artikelen 6 en 7 wordt uitdrukkelijk aan de “Korpodeko Deposit” gerefereerd. Waar blijkens de overeenkomst zelf de “Deposit” samenhangt met de “Guarantee”, wijzen deze bepalingen er op dat, anders dan door de bank betoogd, de vaststellingsovereenkomst niet los gezien kan worden van de door Korpodeko verstrekte zekerheid. Verder is van belang dat genoemde artikelen uitdrukkelijk een regeling bevatten die er in voorziet dat het door Korpodeko gestorte bedrag uiteindelijk zal worden vrijgegeven, namelijk aldus dat zowel voor de eerste als voor de tweede tranche van de betalingen van de Venezolaanse vorderingen een bedrag van USD 500.000 wordt gebruikt ten behoeve van de “release and return” van die deposit.

4.8.

Uit deze samenhang tussen de overeenkomst en de door Korpodeko verstrekte zekerheid leidt het gerecht af dat het de bedoeling van partijen was dat de bank betaling op de door Korpodeko zeker gestelde vordering zou verkrijgen door middel van incasso van de Venezolaanse vorderingen, zodat daarmee de vrijgave van het in depot gestorte bedrag mogelijk zou zijn. Daaruit volgt dat het niet in de rede ligt dat het de bank nog vrij zou staan het pandrecht voor diezelfde vordering uit te winnen, althans niet zo lang de bank niet van haar gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomst zou zijn ontslagen. Steun hiervoor vindt het gerecht voorts in artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst, waarin is bepaald wat er moet gebeuren als het niet lukt om binnen 24 maanden te komen tot incasso van de Venezolaanse vorderingen: in dat geval, en dus niet eerder, keren partijen terug in de positie die zij innamen voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst. In de rede ligt dat met die voorafgaande positie mede wordt bedoeld de rechten en plichten uit hoofde van de “Korpodeko Guarantee” en de “Korpodeko Deposit”. In dit verband werpt de entire agreement clause geen ander licht op de zaak. Uit die clausule kan worden afgeleid dat, buiten de vaststellingsovereenkomst, geen afspraken gelden met betrekking tot de onderhavige problematiek. Zo bezien biedt deze clausule eerder steun aan het standpunt van Korpodeko dan aan dat van de bank. Ten slotte overweegt het gerecht dat de bank geen andere feiten heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot een andere uitleg.

4.9.

Het voorgaande brengt mee dat het de bank niet vrij staat het pandrecht uit te winnen zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is. Nu de overeenkomst niet is ontbonden of opgezegd, heeft de bank dus in beginsel ten onrechte de time deposit account van Korpodeko gedebiteerd.

4.10.

Korpodeko heeft onbetwist gesteld dat de bank niet heeft voldaan aan haar uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen om – binnen de grenzen van het economisch verantwoorde – te proberen de Venezolaanse vorderingen te incasseren. Dat staat dus vast. Voor zover de bank zou hebben bedoeld te betogen dat het van meet af aan kansloos was om die vorderingen te innen, geldt dat dit wordt tegengesproken door de e-mails uit januari 2014 die Korpodeko als producties 7 en 8 heeft overgelegd. Daaruit blijkt een concreet voorstel van de zijde van Korpodeko om tot incassopogingen te komen. De bank heeft niet aan dit voorstel heeft willen meewerken. Ter zitting heeft de bank in dit verband aangevoerd dat onderdeel van het concrete voorstel was een buitenproportioneel hoge vergoeding voor Venezolaanse tussenpersonen. Uit het voorstel volgt echter ook dat die fee pas zou worden betaald indien en voor zover gelden worden geïncasseerd. Wat hiervan verder ook zij, gelet op deze stukken kan niet worden gezegd dat van meet af aan duidelijk was dat incassopogingen geen enkel succes zouden hebben. De bank had dergelijke pogingen dus moeten ondernemen. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan zij de vaststellingsovereenkomst blijkens artikel 13 niet ontbinden.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering onder 1 strekkende tot het ongedaan maken van de debitering toewijsbaar is.

4.12.

Korpodeko heeft onbetwist gesteld dat zij op grond van de met de bank gemaakte afspraken aanspraak heeft op een rente van 4,5%, welke rente niet is verpand. Bij gelegenheid van de creditering van de rekening zal de bank dus tevens het bedrag overeenkomend met deze rente vanaf 2 juni 2016 moeten bijschrijven. Ook dit deel van de vordering onder 1 is toewijsbaar.

4.13.

Onder 2 vordert Korpodeko een verklaring voor recht dat, kort gezegd, de bank geen beroep meer kan doen op het pandrecht. Daarmee beoogt Korpodeko klaarblijkelijk dat zij weer de vrije beschikking krijgt over het op de time deposit account gestorte bedrag. Korpodeko stelt daartoe dat het aan de bank toe te rekenen is dat de Venezolaanse vorderingen niet zijn geïncasseerd en dat, als Korpodeko met toepassing van artikel 13 zou overgaan tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst, de oude afspraken zullen herleven en dus de bank alsnog het pandrecht kan uitwinnen, een consequentie die zich volgens Korpodeko niet laat rijmen met de wanprestatie van Girobank. Korpodeko doet in dit verband een beroep op artikel 6:23 BW.

4.14.

De vordering is niet toewijsbaar. Artikel 6:23 BW baat Korpodeko hier niet, omdat voor het in die bepaling bedoelde rechtsgevolg (te weten dat de voorwaarde waaronder een verbintenis is aangegaan geacht wordt te zijn vervuld) vereist is dat de partij die de vervulling heeft belet bij die niet-vervulling belang had. Dat doet zich hier niet voor. De bank had immers in beginsel geen belang bij het verhinderen van de vervulling van de voorwaarde (waarmee Korpodeko bedoelt: het incasseren van de Venezolaanse vorderingen), althans Korpodeko heeft geen feiten gesteld die tot die conclusie nopen. Daarbij komt dat partijen uitdrukkelijk hebben voorzien in een regeling van wat er moet gebeuren als het niet tot incasso komt, te weten ontbinding met als gevolg herleving van de oude posities, dus inclusief het pandrecht. Daarmee laat zich moeilijk rijmen dat het pandrecht (feitelijk) als vervallen wordt beschouwd.

4.15.

Daarmee ontstaat dus de situatie dat het bedrag van USD 1 miljoen terug moet naar de time deposit account van Korpodeko, maar dat Korpodeko nog niet over dat saldo kan beschikken omdat dit verbonden is aan het pandrecht van de bank. Beide partijen zijn het erover eens dat het, gelet op de huidige situatie in Venezuela, zeer moeilijk zal zijn om de Venezolaanse vorderingen nog te innen, hetgeen in beginsel een voorwaarde is om het saldo op de time deposit account vrij te geven. In dit verband verwerpt het gerecht overigens het standpunt van de bank dat de onmogelijkheid van de incasso zou vast staan omdat de curatoren van DAE dit in hun faillissementsverslag hebben opgenomen. Partijen zullen zich desgewenst moeten beraden op de gevolgen van deze situatie voor het saldo op de time deposit account. Mogelijk bestaat grond om ontbinding van de overeenkomst te vorderen wegens onvoorziene omstandigheden of voor een vordering tot schadevergoeding van de ene partij jegens de andere. Nu de stellingen van partijen in deze procedure daarop geen betrekking hebben, kan een en ander echter niet leiden tot toewijzing van de vordering onder 2.

4.16.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal de bank worden veroordeeld in de proceskosten van Korpodeko. Deze worden begroot op NAf 7.500 aan griffierecht, NAf 426,65 aan explootkosten en NAf 10.000 aan salaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

veroordeelt de bank over te gaan tot creditering van USD 1 miljoen, te vermeerderen met de rente van 4,5% over dat bedrag met ingang van 2 juni 2016 tot aan de dag van creditering, door bijschrijving van deze bedragen op de time deposit account met nummer 1300530 ten name van Korpodeko;

5.2.

veroordeelt de bank in de proceskosten van Korpodeko, tot op heden begroot op NAf 17.926,65;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.