Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:209

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201500749, CUR201500751 en CUR201500849
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een BV en oefent een belastingadviespraktijk uit. Belanghebbende stelt een woning ter beschikking aan de digra. De huurwaarde van de woning wordt tot het loon gerekend. Deze huurwaarde wordt berekend over de waarde van de woning. Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning. Het Gerecht stelt de waarde in goede justitie vast. De vergrijpboete blijft gehandhaafd voor het jaar waarin in het geheel geen loon is aangegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 augustus 2018

BBZ nrs. CUR201500749, CUR201500751 en CUR201500849

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X B.V., gevestigd te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1.PROCESVERLOOP

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 17 januari 2012 een naheffingsaanslag in de loonbelasting voor het jaar 2006 opgelegd van NAf 4.217, alsmede een vergrijpboete (25%) van NAf 1.054.

1.2 Aan belanghebbende is met dagtekening 17 januari 2012 een naheffingsaanslag in de loonbelasting voor het jaar 2007 opgelegd van NAf 7.551, alsmede een vergrijpboete (25%) van NAf 1.887.

1.3 Aan belanghebbende is met dagtekening 17 januari 2012 een naheffingsaanslag in de loonbelasting voor het jaar 2008 opgelegd van NAf 6.130, alsmede een vergrijpboete (25%) van NAf 1.532.

1.4 Belanghebbende is op 12 januari 2012 tegen bovengenoemde naheffingsaanslagen en boetes in bezwaar gekomen.

1.5 Bij uitspraken op bezwaar van 31 augustus 2015 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen verminderd tot respectievelijk NAf 1.246 (2006), NAf 4.519 (2007) en NAf 4.077 (2008) en de boetes tot respectievelijk NAf 311 (2006), NAf 1.129 (2007) en NAf 1.019 (2008).

1.6 Belanghebbende is op 6 oktober 2015 tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen.

1.7 De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.8 Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 25 april 2017 te Willemstad namens de Inspecteur mr. A en B LL.M verschenen en namens belanghebbende mr. C.

1.9 Partijen hebben schriftelijke toestemming gegeven om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is in 2004 opgericht. C is directeur van belanghebbende en tevens grootaandeelhouder (hierna: de digra). De echtgenote van de digra is eveneens werknemer van belanghebbende.

2.2

Belanghebbende heeft in februari 2006 de woning te Y (hierna: de woning) verworven voor NAf 580.000.

2.3

De woning bestaat uit twee verdiepingen. Op één verdieping bevinden zich drie appartementen, die 40% beslaan van het totale woonoppervlakte.

2.4

In 2006 is de woning deels verbouwd. Van juli 2006 tot en met december 2006 is één van de appartementen aan de digra en zijn echtgenote ter beschikking gesteld.

2.5

Vanaf januari 2007 is de woning met uitzondering van de appartementen (ofwel voor 60%) aan de digra en zijn echtgenote ter beschikking gesteld.

2.6

Belanghebbende heeft begin 2007 een brandverzekering voor de woning afgesloten naar een verzekerd bedrag van NAf 854.240. In een nota van 30 januari 2007 wordt de dekking als volgt omschreven: ‘uitgebreid brand incl. inbraak opstal/inboedel’.

2.7

De digra en zijn echtgenote hebben in 2006 ter zake van het ter beschikking gestelde appartement geen eigen bijdrage aan belanghebbende betaald. In 2007 en 2008 hebben zij voor de ter beschikking gestelde woning een eigen bijdrage van NAf 18.316 betaald. Voor de berekening van deze bijdrage is uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van de woning van NAf 636.000.

2.8

In 2011 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden. De jaren 2006 tot en met 2008 zijn gecontroleerd. Op 18 mei 2011 is van dit boekenonderzoek verslag uitgebracht door de Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB). Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft de Inspecteur onderhavige naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd over de jaren 2006 tot en met 2008. Daarbij heeft de Inspecteur onder meer het loon verhoogd met een huurwaarde van het ter beschikking gestelde appartement (2006) en een hogere huurwaarde van de ter beschikking gestelde woning (2007 en 2008). Bij deze looncorrectie is de Inspecteur uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van het appartement van NAf 180.000 (2006) en van de woning van NAf 854.000 (2007 en 2008).

2.9

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de in aanmerking genomen huurwaarden verdeeld tussen de digra en zijn echtgenote. De onderhavige naheffingsaanslagen loonbelasting en vergrijpboetes zijn naar aanleiding daarvan verminderd.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht het loon heeft verhoogd met (hogere) huurwaarden van het ter beschikking gestelde appartement (2006) en de ter beschikking gestelde woning (2007 en 2008). Daarbij is uitsluitend de waarde in het economische verkeer van het appartement en de woning in geschil.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het jaar 2006 de waarde van het appartement wordt vastgesteld volgens de huurwaardekapitalisatiemethode. Verder is niet in geschil dat voor alle jaren de tot het loon te rekenen huurwaarde – overeenkomstig het beleid van de belastinginspectie – wordt gesteld op 8% van 60% van de waarde in het economische verkeer van de woning.

3.3

Belanghebbende betoogt dat voor de berekening van de huurwaarde een waarde van het appartement in aanmerking moet worden genomen van NAf 54.000 (2006) en een waarde van de woning van NAf 636.000 (2007 en 2008).

3.4

De Inspecteur verdedigt een waarde van het appartement van NAf 180.000 (2006) en een waarde van de woning van NAf 854.000 (2007 en 2008).

3.5

Voorts is in geschil of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Belanghebbende betoogt dat geen sprake is van grove schuld zodat de vergrijpboetes moeten worden vernietigd. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de vergrijpboetes moeten worden verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 29, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. De dagtekening van de naheffingsaanslagen is 17 januari 2012. De bezwaren zijn ingediend op 12 januari 2012, dus vóór de dagtekening van de naheffingsaanslagen. In dat geval blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de naheffingsaanslagen ten tijde van het indienen van de bezwaren reeds tot stand waren gekomen. Daarvan is hier sprake. Uit de schermprints die op 10 november 2015 aan het Gerecht zijn overgelegd, blijkt dat de naheffingsaanslagen reeds eind 2011 tot stand waren gekomen. Gelet hierop zijn de bezwaren ontvankelijk.

Regeling

4.2

Ingevolge artikel 6c, lid 1, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1979 (tekst 2006 tot en met 2008) wordt niet in geld genoten loon in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend met dien verstande dat voor zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing.

4.3

Volgens het beleid van de belastinginspectie (zie Handleiding loonbelasting 2004 onder § 9.2.5) wordt bij een ter beschikking gestelde woning de huurwaarde van de woning als loon van de werknemer beschouwd. De huurwaarde van een woning welke als hoofdverblijf ter beschikking staat, wordt gesteld op 8% van 60% van de waarde in het in het economisch verkeer van de woning.

Naheffingsaanslag 2006

4.4

De Inspecteur verdedigt voor het jaar 2006 een waarde van het appartement van NAf 180.000, hetgeen een huurwaarde meebrengt van 8% van 60% van NAf 180.000, ofwel NAf 8.640 per jaar. Daarbij is de Inspecteur voor de waarde van het appartement van NAf 180.000 uitgegaan van een huurwaarde van NAf 1.250 per maand, ofwel NAf 15.000 per jaar, en een kapitalisatiefactor van 12.

4.5

Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur geenszins erin is geslaagd een waarde van NAf 180.000 aannemelijk te maken. De Inspecteur heeft namelijk op generlei wijze de door hem gehanteerde huurwaarde van NAf 15.000 per jaar en de door hem gehanteerde kapitalisatiefactor onderbouwd, bijvoorbeeld door te wijzen op huur- en/of verkoopprijzen van vergelijkbare appartementen.

4.6

Dit betekent niet dat de door belanghebbende bepleite waarde zonder meer als juist kan worden aanvaard (vgl. HR 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300). Naar het oordeel van het Gerecht heeft ook belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar bepleite waarde van NAf 54.000 juist is. Ook deze waarde is immers op geen enkele wijze onderbouwd met marktgegevens.

4.7

Nu geen van beide partijen erin is geslaagd de door hem voorgestane waarde aannemelijk te maken, stelt het Gerecht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde in goede justitie vast op NAf 100.000. Nu het appartement in 2006 een half jaar is bewoond, dient de tot het loon te rekenen huurwaarde te worden gesteld op de helft van 8% van 60% van NAf 100.000, ofwel NAf 2.400. Dit loon dient te worden verdeeld tussen de digra en zijn echtgenote. Het Gerecht is niet bekend met deze verdeling, maar partijen hebben ter comparitiezitting aangegeven dat deze verdeling – die ook is toegepast in de uitspraak op bezwaar – hen bekend is en niet in geschil is. De naheffingsaanslag loonbelasting 2006 dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

Vergrijpboete 2006

4.8

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een vergrijpboete van 25% opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de loonbelasting gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald.

4.9

Uit de enkele omstandigheid dat een belastingplichtige onzorgvuldig te werk is gegaan, volgt nog niet dat deze onzorgvuldigheid kan worden aangemerkt als ten minste grove schuld. Van grove schuld kan slechts worden gesproken indien de handelwijze van de belastingplichtige als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid moet worden gekwalificeerd (vgl. HR 19 december 1990, nr. 25.301, ECLI:NL:HR:1990: ZC4481).

4.10

Belanghebbende heeft betoogd dat geen sprake is van grove schuld. Dit betoog faalt. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister oefent belanghebbende een belastingadviespraktijk uit. Door voor het jaar 2006 ter zake van het ter beschikking gestelde appartement in het geheel geen huurwaarde tot het loon te rekenen, is mede gelet op belanghebbendes bedrijfsactiviteit, sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid zijdens belanghebbende. Het Hof acht de opgelegde vergrijpboete van 25% passend en geboden.

4.11

Overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden (vgl. GHvJ 25 juli 2018, nr. SXM2017H00047). De Hoge Raad hanteert als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als de rechter niet binnen twee jaar uitspraak doet na het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006).

4.12

Sinds de kennisgeving door de Inspecteur van zijn voornemen de boete op te leggen (uiterlijk 17 januari 2012) tot de onderhavige uitspraak van het Gerecht zijn meer dan 6,5 jaar verstreken, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn meebrengt van meer dan 4,5 jaar. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, zal het Gerecht de boete met 20% matigen overeenkomstig de uitgangspunten zoals vermeld in de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009: BJ1298.

4.13

Een vermindering van de boete kan, anders dan de Inspecteur voorstaat, niet worden afgewezen op grond van de omstandigheid dat de belanghebbende niet heeft aangedrongen op een spoedige uitspraak op bezwaar teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen (vgl. HR 15 juni 2018, nr. 17/02367, ECLI:NL:HR:2018:913).

Naheffingsaanslagen 2007 en 2008

4.14

De Inspecteur verdedigt voor de jaren 2007 en 2008 een waarde van de woning van NAf 854.000, hetgeen een huurwaarde meebrengt van 8% van 60% van (60% van NAf 854.000), ofwel NAf 24.595 per jaar. Ter onderbouwing van de waarde van de woning van NAf 854.000 heeft de Inspecteur gewezen op de brandverzekering waarvoor een bedrag van NAf 854.000 is verzekerd.

4.15

Het Gerecht is van oordeel dat de Inspecteur met enkel de verwijzing naar het verzekerde bedrag niet erin is geslaagd een waarde in het economische verkeer van NAf 854.000 aannemelijk te maken. Niet inzichtelijk is op welke wijze dit verzekerd bedrag is opgebouwd. Blijkens de omschrijving in de nota van 30 januari 2007 (zie 2.6) heeft dit bedrag deels betrekking op de inboedel, zodat niet duidelijk is welk bedrag ziet op de opstal. Daarbij komt dat de grond geen deel uitmaakt van de brandverzekering, maar wel in de waarde van de woning is begrepen. Bovendien is de opstal verzekerd tegen de herbouwwaarde, hetgeen meebrengt dat het verzekerd bedrag ook om die reden niet maatgevend kan zijn voor de waarde in het economische verkeer.

4.16

Dit betekent overigens niet dat de door belanghebbende bepleite waarde zonder meer als juist kan worden aanvaard (vgl. HR 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300). Naar het oordeel van het Gerecht heeft ook belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar bepleite waarde van NAf 636.000 juist is. Ook deze waarde is immers op geen enkele wijze onderbouwd.

4.17

Nu geen van beide partijen erin is geslaagd de door hem voorgestane waarde aannemelijk te maken, stelt het Gerecht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde in goede justitie vast op NAf 750.000. De tot het loon te rekenen huurwaarde dient te worden gesteld op 8% van 60% van (60% van NAf 750.000), ofwel NAf 21.600. Nu belanghebbende en de echtgenote een eigen bijdrage van NAf 18.316 hebben betaald, dient een bedrag van NAf 3.284 per jaar tot het loon te worden gerekend. Dit loon dient te worden verdeeld tussen de digra en zijn echtgenote. Het Gerecht is niet bekend met deze verdeling, maar partijen hebben ter comparitiezitting aangegeven dat deze verdeling – die ook is toegepast in de uitspraken op bezwaar – hen bekend is en niet in geschil is. De naheffingsaanslagen loonbelasting 2007 en 2008 dienen dienovereenkomstig te worden verminderd.

Vergrijpboete 2007 en 2008

4.18

Aan belanghebbende is voor de jaren 2007 en 2008 een vergrijpboete van 25% opgelegd. Redengevend daarvoor is dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de loonbelasting gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald.

4.19

Voor de jaren 2007 en 2008 hebben de digra en zijn echtgenote ter zake van de ter beschikking gestelde woning een eigen bijdrage betaald van NAf 18.316. Daarbij is belanghebbende na verbouwing van de woning uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van de woning van NAf 636.000.

4.20

Belanghebbende heeft betoogd dat geen sprake is van grove schuld. Dit betoog slaagt. Door voor de jaren 2007 en 2008 ter zake van ter beschikking gestelde woning uit te gaan van een huurwaarde van NAf 636.000, is mede gelet op het feit dat de woning kort tevoren is verbouwd en dat bij de waardering van een woning een zekere marge in aanmerking genomen dient te worden, geen sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid zijdens belanghebbende. De Inspecteur heeft derhalve niet bewezen dat sprake is van grove schuld bij belanghebbende. De vergrijpboetes 2007 en 2008 worden derhalve vernietigd.

5 PROCESKOSTEN

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is immers geen sprake nu de bestuurder van belanghebbende optreedt als gemachtigde in deze zaak.

6 BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag loonbelasting 2006 zodanig dat daarbij een huurwaarde van NAf 2.400 tot het loon wordt gerekend, welk loon dient te worden verdeeld tussen de digra en zijn echtgenote;

  • -

    vermindert de vergrijpboete 2006 dienovereenkomstig en met inachtneming van een verdere vermindering met 20% vanwege overschrijding van de redelijke termijn;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslagen loonbelasting 2007 en 2008 zodanig dat daarbij een huurwaarde van NAf 3.284 per jaar tot het loon wordt gerekend, welk loon dient te worden verdeeld tussen de digra en zijn echtgenote; en

  • -

    vernietigt de vergrijpboetes 2007 en 2008.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. A.J.H. van Suilen, voorzitter, J. Sap en M.E.B. de Haseth, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc. als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2018.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: NAf 200

-personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf 500