Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:203

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
500.00368/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

medepl. zware mishandeling (3)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans alhier gedetineerd uit anderen hoofde.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017 en

24 januari 2018. De verdachte is beide keren verschenen, op 1 september 2017 bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.I. Hardeveld en op 24 januari 2018 door mr. U.F. Dickens, die voor mr. Hardeveld heeft geoccupeerd.

De officier van justitie, mr. C.H. Hato-Willems, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd:

FEIT 1: PRIMAIR

POGING MOORD C.Q. POGING DOODSLAG OP [BENADEELDE]

dat hij op of omstreeks 22 juni 2016, althans in of omstreeks de maand juni 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en -al dan niet- met voorbedachten rade (de medegedetineerde) [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, die [BENADEELDE] zich bevindend op de eerste etage en/of verdieping en/of balustrade en/of “railing” (van Blok 4) (in de SDKK) (met kracht) (tegen het (boven)lichaam) heeft geduwd en/of gestoten en/of gegooid en/of losgelaten waardoor [BENADEELDE] over de balustrade en/of “railing” naar beneden is gevallen en op de grond (asfalt) terecht is gekomen dat [BENADEELDE] als gevolg daarvan letsel (een dwarslaesie) heeft bekomen zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 2:262, 2:259 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)

althans, indien en voor zover het voorgaande niet tot een veroordeling zou of mocht kunnen leiden,

SUBSIDIAIR: ZWARE MISHANDELING VAN [BENADEELDE]

dat hij op of omstreeks 22 juni 2016, althans in of omstreeks de maand juni 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [benadeelde], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, (waardoor hij als gevolg daarvan een dwarslaesie heeft opgelopen) door opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg, die [BENADEELDE] zich bevindend op de eerste etage en/of verdieping en/of balustrade en/of “railing” (van Blok 4) (in de SDKK) (met kracht) (tegen het (boven)lichaam) heeft geduwd en/of gestoten en/of gegooid en/of losgelaten waardoor [BENADEELDE] over de balustrade en/of “railing” naar beneden is gevallen en op de grond (asfalt) terecht is gekomen dat [BENADEELDE] als gevolg daarvan letsel (een dwarslaesie) heeft bekomen;

(artikel 2:275, 2:276 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)

althans, indien en voor zover het voorgaande niet tot een veroordeling zou of mocht kunnen leiden,

MEER SUBSIDIAIR: POGING ZWARE MISHANDELING VAN [BENADEELDE]

dat hij op of omstreeks 22 juni 2016, althans in of omstreeks de maand juni 2016 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [benadeelde] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, hebbende hij, verdachte, toen en daar die [BENADEELDE] zich bevindend op de eerste etage en/of verdieping en/of balustrade en/of “railing” (van Blok 4) (in de SDKK) (met kracht) (tegen het (boven)lichaam) heeft geduwd en/of gestoten en/of gegooid en/of losgelaten waardoor [BENADEELDE] over de balustrade en/of “railing”naar beneden is gevallen en op de grond (asfalt) terecht is gekomen dat [BENADEELDE] als gevolg daarvan letsel (een dwarslaesie) heeft bekomen zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 2:275/276 jo 1:119 Wetboek van Strafrecht)

althans, indien en voor zover het voorgaande niet tot een veroordeling zou of mocht kunnen leiden,

MEER MEEST SUBSIDIAIR: MISHANDELING VAN [BENADEELDE]

dat hij op of omstreeks 22 juni 2016, althans in of omstreeks de maand juni 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend en al dan niet met voorbedachten rade aan een persoon, te weten [benadeelde] opzettelijk lichamelijk letsel, heeft toegebracht, hebbende hij, verdachte, toen en daar die [BENADEELDE] zich bevindend op de eerste etage en/of verdieping en/of balustrade en/of “railing” (van Blok 4) (in de SDKK) (met kracht) (tegen het (boven)lichaam) heeft geduwd en/of gestoten en/of gegooid en/of losgelaten waardoor [BENADEELDE] over de balustrade en/of “railing” naar beneden is gevallen en op de grond (asfalt) terecht is gekomen en als gevolg daarvan letsel (een dwarslaesie) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

(artikel 2:275, 2:276 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Vrijspraak

Primair tenlastegelegde poging moord dan wel doodslag

Het gerecht stelt voorop dat het iemand van een hoogte van vier meter laten vallen op een harde ondergrond in beginsel kán leiden tot het intreden van de dood van het slachtoffer. Niet is echter aannemelijk geworden dat de kans op de dood als aanmerkelijk moet worden aangemerkt. Nu naar het oordeel van het gerecht niet kan worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans (naar algemene ervaringsregels) op het overlijden van het slachtoffer in deze situatie heeft bestaan, kan de ten laste gelegde opzet op de dood niet worden bewezen. Het gerecht zal daarom de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Subsidiair impliciet primair tenlastegelegde voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Aan het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het gerecht onvoldoende aanwijzingen te ontlenen dat hiervan sprake is geweest zodat de verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

4B. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het subsidiair impliciet subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

dat hij op of omstreeks 22 juni 2016, althans in of omstreeks de maand juni 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [benadeelde], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, (waardoor hij als gevolg daarvan een dwarslaesie heeft opgelopen) door opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg, die [BENADEELDE] zich bevindend op de eerste etage en/of verdieping, en/of balustrade en/of over de “railing” (van Blok 4) (in de SDKK) (met kracht) (tegen het (boven)lichaam) heeft geduwd en/of gestoten en/of gegooid en/of losgelaten waardoor [BENADEELDE] over de balustrade en/of “railing” naar beneden is gevallen en op de grond (asfalt) terecht is gekomen en dat [BENADEELDE] als gevolg daarvan letsel (een partiële dwarslaesie) heeft bekomen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4C. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het subsidiair impliciet subsidiair tenlastegelegde op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

Proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, p. 12 t/m 15, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde]:

Op 22 juni 2016 ben ik in Sentro di Detenshon i Korekshon Korsou (gerecht: in Curaçao, hierna SDKK) vanaf de eerste verdieping naar beneden gegooid.

Proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, p. 19 t/m 21 e.v., voor zover inhoudende de verklaring van [persoon 1]:

Ik werk als gevangenbewaarder bij SDKK. Op 22 juni 2016 bevond ik mij in de bewaarderspost van Blok 4 met mijn collega’s [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4]. Een gedetineerde meldde dat er een vechtpartij gaande was op de bovenverdieping. Mijn collega’s renden de afdeling op. Ik ging naar voren zodat ik zicht had op de bovenverdieping. Ik zag dat [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] daar de gedetineerde [benadeelde] vasthielden. [benadeelde] hield zijn hand vast aan de railing. [medeverdachte 1] probeerde hem van de railing los te maken. Nadat dit gelukt was hebben [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2], [benadeelde] over de verdieping geduwd.

Proces-verbaal van fotoconfrontatie [persoon 1], p. 41 t/m 42, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 1]:

Op 4 juli 2016 heb ik een fotoconfrontatie gedaan met [persoon 1]. Hierbij werd gebruik gemaakt van fotosheet “B”. Na het bekijken van de fotosheet verklaarde [persoon 1] het volgende: “Ik herken de man afgebeeld op foto nummer 10 als de man [verdachte]. Ik heb gezien dat hij het slachtoffer [benadeelde] vasthield en met behulp van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over de railing naar beneden duwde”.

Proces-verbaal van bevinding fotoconfrontatie fotoconfrontatie [persoon 1], p. 43 voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 1]:

Op de aan [persoon 1] op 4 juli 2016 getoonde fotosheet staat onder nummer 10, de man genaamd [verdachte], afgebeeld.

Proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, p. 22 t/m 24, voor zover inhoudende de verklaring van [persoon 4]:

Ik werk als gevangenbewaarder bij SDKK. Op 2016 (het gerecht begrijpt 22 juni 2016) hoorde ik iemand om hulp schreeuwen: “Yuda mi nan ta mata mi” (Help me ze maken me dood”). Ik rende vanuit de wachtpost naar de afdeling toe. Daar zag ik dat de gedetineerden [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], de gedetineerde [benadeelde] aan het slaan waren en bij de bovenste railing bij blok 4 vasthielden. Ik zag vervolgens dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] de gedetineerde [benadeelde] loslieten waardoor hij naar beneden viel. [benadeelde] werd per ambulance afgevoerd naar het St. Elisabeth Hospitaal (SEHOS).

Proces-verbaal van fotoconfrontatie [persoon 4], p. 59 t/m 61, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 2]:

Op 5 juli 2016 heb ik een fotoconfrontatie gedaan met [persoon 4]. Hierbij werd gebruik gemaakt van fotosheet “D”. Na het bekijken van de fotosheet verklaarde [persoon 4] het volgende: “Ik herken de man afgebeeld op foto nummer 3 als de man [verdachte]. Ik heb gezien dat hij het slachtoffer [benadeelde] vasthield en met behulp van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over de railing naar beneden duwde”.

Proces-verbaal van bevinding fotoconfrontatie fotoconfrontatie [persoon 4], p. 62 voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 2]:

Op de aan [persoon 4] op 5 juli 2016 getoonde fotosheet staat onder nummer 3, de man genaamd [verdachte], afgebeeld.

Proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, p. 25 e.v., voor zover inhoudende de verklaring van [persoon 2]:

Ik werk bij SDKK. Op 21 juni 2016 (het gerecht begrijpt: 22 juni 2016)hoorde ik iemand schreeuwen dat men hem wou vermoorden. Ik rende toen samen met andere collega’s naar de luchtruimte van blok 4. Daar zag ik dat [medeverdachte 2] en [verdachte], [benadeelde] vasthielden bij de bovenste reling bij blok 4. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte], [benadeelde] loslieten waardoor hij naar beneden viel en tegen de grond smakte.

Proces-verbaal van fotoconfrontatie [persoon 2], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 3]:

Op 25 augustus 2016 heb ik een fotoconfrontatie gedaan met [persoon 2]. Hierbij werd gebruik gemaakt van fotosheet “E”. Na het bekijken van de fotosheet verklaarde [persoon 2] het volgende: “Ik herken de man afgebeeld op foto nummer 3 als de man [verdachte] die samen met medegedetineerde [medeverdachte 2] vanaf de eerste verdieping van blok 4 [benadeelde] los lieten waardoor hij naar beneden viel.

Proces-verbaal van bevinding fotoconfrontatie fotoconfrontatie [persoon 2], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 3]:

Op de aan [persoon 2] getoonde fotosheet “E” staat onder nummer 3, de man genaamd [verdachte] afgebeeld.

Proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao, p. 27 t/m 30, voor zover inhoudende de verklaring van [persoon 3]:

Ik werk als gevangenbewaarder bij SDKK. Op 21 juni 2016 (het gerecht begrijpt: 22 juni 2016) hoorde ik iemand om hulp schreeuwen: “Yuda mi nan ta mata mi” (Help me ze maken me dood”). Ik rende vanuit de wachtpost naar de afdeling toe. Daar zag ik dat de gedetineerden [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], de gedetineerde [benadeelde] bij de bovenste railing bij blok 4 vasthielden. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte], [benadeelde] loslieten waardoor hij naar beneden viel en op de grond terecht kwam.

Proces-verbaal van fotoconfrontatie [persoon 3], p. 49 t/m 51, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 4]:

Op 1 juli 2016 heb ik een fotoconfrontatie gedaan met [persoon 3]. Hierbij werd gebruik gemaakt van een fotosheet met daarop 10 foto’s. Op deze fotosheet staat onder foto nummer 1 de man genaamd [verdachte]. Na het bekijken van de fotosheet verklaarde [persoon 3] het volgende: “Ik herken de man afgebeeld op foto nummer 1 als de man [verdachte]. Hij is een van de mannen die de gedetineerde [benadeelde] bij de bovenste railing van blok 4 vasthield en vervolgens loslieten, waardoor [benadeelde] op de grond terechtkwam”.

Proces-verbaal van bevindingen van het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]:

De hoogte van de top van de rail van blok 4 tot aan vloer bedraagt 4.10 meter.

Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring opgemaakt op 24 oktober 2016, door N.N. Ramrattan, orthopedisch chirurg, traumatoloog, wervelkolomchirurg, betreffende [benadeelde] (hierna: patiënt), voor zover inhoudende:

Patiënt is 22 juni 2016 opgenomen op de afdeling Neurologie van het St. Elisabeth Hospitaal. De gestelde diagnose luidde: burstfractuur L1 met contusie van conus cauda en myelum met partiële dwarslaesie. De patiënt werd dezelfde dag door mij geopereerd waarbij een stabilisatie van de wervelkolom werd verricht van niveau thoracaal 11 tot en met lumbaal 3 en een decompressie op het niveau 1L1 werd verricht. Op 21 oktober 2016 had patiënt kracht 3/5 in enkele spiergroepen van de benen, geen controle over de blaas en geen controle over de anale sfincter. Patiënt was rolstoel gebonden. De klachten en afwijkingen zijn een volledig gevolg van het ongeval van 21 juni 2016 (het gerecht begrijpt: 22 juni 2016).

4D. Bewijsoverwegingen

Het Gerecht is gelet op de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het slachtoffer door verdachte en zijn mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over een reling is geduwd/gegooid die zich op ruim vier meter van de grond bevond waarop hij terecht is gekomen. Het slachtoffer heeft ten gevolge hiervan een partiële dwarslaesie opgelopen. Het Gerecht acht de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen voldoende eenduidig en consistent. De omstandigheid dat de verklaringen van deze getuigen op enkele punten niet geheel overeenkomen is naar het oordeel van het gerecht niet ongewoon. Het gerecht neem hierbij in aanmerking dat de hectische en dynamische situatie waar binnen het incident zich heeft afgespeeld van invloed kan zijn geweest op de waarneming van bepaalde details dan wel de herinnering daarvan. Dit doet echter naar het oordeel van het gerecht niet af aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen. Hiernaast zijn er geen redenen te veronderstellen dat deze getuigen moedwillig verdachte ten onrechte zouden beschuldigen.

Opzet

Door iemand van een hoogte van vier meter op een harde ondergrond te laten vallen, bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat die persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt zoals (wervel)fracturen en/of hersenletsel. Deze gedraging kan naar de uiterlijke verschijningsvorm genomen dan ook worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte en zijn mededaders de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan bewust moeten hebben aanvaard.

Medeplegen

Op grond van de bewijsmiddelen oordeelt het Gerecht dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering en derhalve sprake is geweest van medeplegen.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Subsidiair impliciet subsidiair:

Medeplegen van zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededaders in de gevangenis medegedetineerde [benadeelde] over de reling van de eerste verdieping geduwd/gegooid. Het slachtoffer is vier meter naar beneden gevallen en op de grond terechtgekomen, ten gevolge waarvan hij een partiële dwarslaesie heeft opgelopen. Door zo te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door toedoen van de verdachte is het leven van het slachtoffer ingrijpend veranderd. Vier maanden na de val was hij nog steeds gebonden aan een rolstoel en incontinent voor urine en ontlasting.

Een vrijheidsbenemende straf is gelet op het voorgaande op zich geïndiceerd. Bij het vaststellen van de duur van de op te leggen straf laat het gerecht in het nadeel van de verdachte meewegen dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten.

Strafvermindering

De raadsman van verdachte heeft aangegeven dat diverse vormverzuimen moeten leiden tot strafvermindering. Zo is gesteld dat de verdachte zonder rechtsbijstand verhoord en heeft het onderzoek (te) lang heeft geduurd.

Kennelijk heeft de raadsman daarmee beoogd een beroep te doen op artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering. Hiervoor dient duidelijk gemotiveerd te worden waarom de veronderstelde verzuimen, mede bezien in het licht van de in het zevende lid van die bepaling genoemde factoren, dienen te leiden tot het door de verdediging beoogde rechtsgevolg, in dit geval strafvermindering. Het verweer voldoet niet aan deze vereisten.

De omstandigheid dat de verdachte is gehoord zonder dat hij eerst een advocaat heeft kunnen spreken is een vormverzuim dat in beginsel dient te leiden tot bewijsuitsluiting en niet tot strafvermindering. Niet is aangevoerd waarom dat hier anders zou moeten zijn. Ten aanzien van de gestelde duur van het onderzoek overweegt het gerecht dat in deze zaak (waarvoor verdachte tot op heden niet gedetineerd is geweest) als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, in dit geval 22 september 2016, zijnde de eerste keer dat de verdachte is verhoord. Nu het eindvonnis is gewezen binnen deze termijn ziet het gerecht hierin geen aanleiding over te gaan tot strafvermindering.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van NAf 50.000,- ingediend als voorschot op de materiële- en immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

Het gerecht overweegt als volgt.

Wat betreft het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat iemand die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, letsel heeft opgelopen, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het door hem geleden nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat. Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Uit de door de benadeelde partij overgelegde producties blijkt dat hij op 22 juni 2016 een zware operatie heeft moeten ondergaan vanwege de bij de val opgelopen partiële dwarslaesie en daarna intensieve en pijnlijke fysiotherapeutische behandelingen. Op 16 november 2016 was hij nog steeds gebonden aan een rolstoel en incontinent voor urine en ontlasting.

De verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend acht het gerecht het door de benadeelde partij bij wijze van voorschot gevorderde bedrag van NAf 50.000,- billijk. Het gerecht acht de vordering dan ook in zoverre gegrond en bij wijze van voorschot voor toewijzing vatbaar.

Het gerecht ziet tevens aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:78, 1:123 en 2:275 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en het subsidiair impliciet primair tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair impliciet subsidiair tenlastegelegde zoals in rubriek 4B omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

54 (vierenvijftig) maanden;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van NAf 50.000,-, voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer

[benadeelde] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van

NAf 50.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 285 [tweehonderdvijfentachtig] dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of het Land is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.T. Paulides en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 24 januari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij de bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het onderzoek “S.D.K.K./PISKALA”. De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.