Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:2

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
EJ 84060/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet, gesjoemel met facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

In de zaak van:

[verzoeker],

wonende te Curaçao,

verzoeker,

gemachtigde: mr. R.A. Gonet,

tegen

de besloten vennootschap

New Centrum Supermarket B.V.,

gevestigd te Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. H.W. Braam.

Partijen worden hierna respectievelijk [verzoeker] en Centrum genoemd.

1 Het procesverloop

Verzoeker heeft op 25 oktober 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Het verzoek is behandeld op 30 november 2017. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn producties overgelegd. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van (een) door hen overgelegde verweerschrift c.q. pleitaantekeningen. Verweerster heeft voorts een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan, waarop is gereageerd. Partijen is aangezegd dat het Gerecht een beschikking zal geven.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2. [

Verzoeker] is op 1 september 1996 in dienst getreden als magazijnbediende/losser en werd later (onder)chef van de Afdeling Groentewaren van Centrum Mahaai, tegen een brutoloon van laatstelijk NAf 1.900,= per maand.

2.3.

Bij aflevering van een partij groente, fruit of kruiden worden gewicht, aantal en/of prijs gecontroleerd door twee personen. Na controle moet de factuur c.q. bestelbon door deze twee personen worden getekend en kan betaling plaatsvinden.

2.4.

Centrum heeft jarenlang groente, fruit en kruiden ingekocht bij de gebroeders [naam]. Betaling geschiedde per cheque aan de partners van de heren [naam], te weten mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2].

2.5.

In 2017 is Centrum voor haar betalingen overgeschakeld van betalingen per cheques op betalingen via internetbankieren.

2.6.

Sedert juni 2017 is de regel ingevoerd dat alle binnenkomende facturen dienen te worden gescand.

2.7.

Op 15 augustus 2017 is het dienstverband mondeling beëindigd waarbij als reden is gegeven dat [verzoeker] heeft gesjoemeld met facturen en bestelbonnen.

2.8.

Verzoeker heeft bij brief van 18 september 2017 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard de arbeid te hervatten.

3 Het geschil

Het verzoekschrift

3.1.

Verzoeker verzoekt het Gerecht om Centrum te veroordelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

tot herstel van de dienstbetrekking en tot nakoming van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst door uitbetaling van het aan [verzoeker] toekomende loon sedert 31 augustus 2017, verhoogd met de rente zoals bedoeld in artikel 7A:1614q BW, althans verhoogd met een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag totdat de onderhavige arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, alles vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 17 augustus 2017, zijnde de datum waarop gedaagde eiser heeft ontslagen;

Subsidiair:

tot de betaling van een vergoeding aan [verzoeker] op basis van de kantonrechtersformule met factor 2,5, althans een door het Gerecht te bepalen billijke vergoeding met de bepaling dat de verplichting tot herstel van de dienstbetrekking vervalt door de betaling van een in de beschikking vastgestelde vergoeding, alles vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van Centrum in de proceskosten.

3.2. [

Verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het door Centrum gegeven ontslag op staande voet nietig is nu er geen dringende reden was voor het ontslag.

3.3.

Centrum betwist het vorenstaande.

voorwaardelijk tegenverzoek

3.4.

Voor het geval het Gerecht mocht oordelen dat het ontslag geen stand houdt en dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt, verzoekt Centrum om de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens gewichtige redenen in de zin van een ernstige verstoorde arbeidsrelatie, met veroordeling van verzoeker in de kosten van de procedure.

In beide verzoeken

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan

4 De beoordeling

Het verzoekschrift

4.1.

Het gaat in deze zaken om de vraag of het door Centrum op 15 augustus 2017 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven dan wel nietig moeten worden verklaard onder veroordeling van Centrum tot doorbetaling loon.

4.2.

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is nodig dat sprake is van een dringende reden. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de arbeider, die ten gevolge hebben dat van een werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren. Daarnaast is nodig dat de reden voor het ontslag onverwijld aan de wederpartij is medegedeeld. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag dienen alle omstandigheden van het geval, inclusief de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, in onderling verband en samenhang in aanmerking te worden genomen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever (HR 24 oktober 1986, NJ 1987,126).

4.3.

Op 15 augustus 2017 heeft Centrum [verzoeker] op staande voet ontslagen. Als dringende reden is daarbij opgegeven dat [verzoeker] heeft gesjoemeld met facturen en bestelbonnen.

4.4.

Centrum stelt in dit kader het volgende. Nadat Centrum was overgestapt op internetbankieren, viel het de administratie van Centrum op dat er, snel op elkaar volgend, bij Centrum Mahaai aanzienlijke bedragen werden betaald voor lokale leveringen van groente, fruit en kruiden door de gebroeders [naam]. Voorts bleek dat de bonnen van de leveringen door de gebroeders [naam] op instructie van verzoeker niet waren in gescand. Hierdoor was alle documentatie van de vrachten van de gebroeders [naam] verwijderd. In totaal is in de periode van 2014 tot en met juli 2017 bij de gebroeders [naam] voor een totaalbedrag van NAf 1.525.701,81 ingekocht voor Centrum Mahaai. In dezelfde periode is bij hen voor een bedrag van NAf 229.077,05 ingekocht voor Centrum Piscadera. Dit terwijl de omzet van Centrum Mahaai slechts 1,5 keer meer bedraagt dan Centrum Piscadera. De betrokken facturen c.q. bestelbonnen waren allemaal getekend door [verzoeker] met dikwijls de handtekening van de heer [naam 3] als tweede handtekening. De heer [naam 3] heeft verklaard dat hij de facturen tekende zonder de vracht te hebben gezien. Hij heeft ook getekend voor periodes dat hij op vakantie was. [verzoeker] leverde zelf bonnen aan bij de administratie terwijl dit de eigen verantwoordelijkheid van de leverancier is.

4.5.

Centrum voert voorts aan dat zij het grootste deel van de groente, het fruit en de kruiden per containers haalt uit het buitenland omdat lokaal niet in de vraag daarnaar kan worden voorzien. De grootste kwekerij op het eiland, Soltuna, levert maandelijks voor ongeveer NAf 15.000,= aan Centrum Mahaai. Aan de gebroeders [naam], die een kleinere kwekerij hebben, is voor gemiddeld ongeveer NAf 36.000,= per maand betaald. Het is onmogelijk om de met deze bedragen gemoeide hoeveelheden lokaal te produceren. Nadat al het vorenstaande aan het licht kwam is Centrum gestopt met bestellingen bij de gebroeders [naam]. De inkopen bij anderen zijn maar minimaal gestegen. Gelet op al het vorenstaande, mede in onderlinge samenhang bezien, meent Centrum dat het niet anders kan dan dat [verzoeker] heeft gesjoemeld met de facturen en bestelbonnen van de gebroeders [naam]. Bij weging en controle van de door hen geleverde producten moet hij hebben gezien dat de opgegeven gewichten en hoeveelheden niet klopten.

4.6. [

verzoeker] betwist dat hij heeft gesjoemeld met facturen en bestelbonnen. Hij heeft slechts getekend voor de hoeveelheden die hij heeft gecontroleerd. Hij heeft niets speciaals gedaan met de bonnen van de gebroeders [naam]. Het was aan de leverancier zelf om een tweede handtekening van een andere controleur van Centrum te krijgen. Centrum heeft bovendien niet aangetoond dat hij voordeel heeft genoten van het gestelde gesjoemel met de bestelbonnen.

4.7.

Het Gerecht overweegt hierover als volgt. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij de overgelegde facturen van de gebroeders [naam] heeft ondertekend. Voorts heeft hij niet betwist dat de heer [naam 3], zelfs over periodes dat hij op vakantie was, een tweede handtekening zette zonder de vracht te controleren omdat hij vertrouwde op [verzoeker]. Ook heeft verzoeker niet betwist dat hij de betrokken medewerker heeft geïnstrueerd om de facturen van de gebroeders [naam] niet te scannen waardoor geen documentatie over hun leveringen beschikbaar was. Tot slot heeft verzoeker nagelaten te betwisten dat de op grond van de facturen opgetelde hoeveelheden niet in verhouding stonden tot de grootte van de kwekerij van de gebroeders [naam], zulks mede in vergelijking tot de hoeveelheden en inkoopbedragen van de grootste kwekerij van het eiland.

4.8.

Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking nemend dat bij Centrum Piscadera, waar verzoeker niet controleerde, 5 keer minder werd geleverd door de gebroeders [naam] terwijl de omzet slecht 1,5 keer minder is dan Centrum Mahaai alsmede dat na het stopzetten van de inkoop bij deze leverancier, de inkoop bij andere leveranciers slechts minimaal is gestegen zonder dat tekorten ontstonden, acht het Gerecht het aannemelijk dat verzoeker de door de gebroeders [naam] geleverde producten niet heeft gecontroleerd, althans niet naar waarheid heeft verklaard bij het zetten van zijn handtekening op de facturen en bestelbonnen en zich voorts niet heeft gehouden aan de procedureregels van Centrum om daarmee mogelijk te maken dat door Centrum Mahaai meer werd betaald dan was geleverd door de gebroeders [naam]. Centrum heeft gelet op het vorenstaande dan ook terecht kunnen concluderen tot een dringende reden voor ontslag. Nu niet anderszins is gesteld of gebleken, zal het Gerecht er hierbij vanuit gaan dat de dringende reden onverwijld en gesubstantieerd is medegedeeld. Dat niet is aangetoond dat verzoeker voordeel heeft gehad van zijn handelen, maakt het vorenstaande niet anders.

4.9.

Nu naar het oordeel van het Gerecht sprake is van een dringende reden voor het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet, die de onmiddellijke beëindiging van het dienstverband rechtvaardigt, kan geen sprake zijn van een kennelijk onredelijk ontslag, onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst dan wel verplichting tot betaling van cessantia.

Het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.10.

Uit het vorenstaande volgt dat het Gerecht van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 15 augustus 2017 is geëindigd met het ontslag op staande voet. Slechts voor het geval in hoger beroep het ontslag op staande voet zou worden vernietigd, en de arbeidsovereenkomst daardoor niet reeds op 15 augustus 2017 is geëindigd, overweegt het Gerecht nog als volgt.

4.11.

De vraag die beantwoord moet worden is of sprake is van zodanige veranderingen in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of op korte termijn dient te worden ontbonden.

4.12.

Deze vraag wordt, onder verwijzing naar het hiervoor overwogene, bevestigend beantwoord. Genoegzaam is gebleken dat door de gedragingen c.q. handelingen van [verzoeker] sprake is van een vertrouwensbreuk en een verstoorde arbeidsrelatie. Een zinvolle en vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst behoort daardoor niet meer tot de reële mogelijkheden. Dit leidt tot de slotsom dat sprake is van veranderingen in de omstandigheden, die een gewichtige reden vormen, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst, voor zover in kracht van gewijsde in rechte komt vast te staan dat deze niet op 15 augustus 2017 is geëindigd, op korte termijn behoort te eindigen. Het Gerecht zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen per heden (voorwaardelijk) ontbinden zonder toekenning van een vergoeding, nu in het vooroverwogene ligt besloten dat die veranderingen in de omstandigheden aan [verzoeker] te wijten zijn.

In het verzoekschrift en in het voorwaardelijk tegenverzoek

4.13.

In de gewezen arbeidsrelatie ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

Het Gerecht:

terzake het verzoekschrift van [verzoeker]

- wijst de verzoeken af;

terzake het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst

- ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van heden, voor zover in kracht van gewijsde in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op 15 augustus 2017 is geëindigd;

terzake het verzoekschrift van [verzoeker] en het voorwaardelijk tegenverzoek

- compenseert de proceskosten in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Scholte, rechter in opgemeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2018.