Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:197

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
EJ CUR201800389 / (AR CUR201802194)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

statutair bestuurder van een stichting, arbeidsovereenkomst, artikel 8 lid 5 boek 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/939
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[VERZOEKSTER],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mrs. S.I. Da Costa Gomez en C.A. Peterson,

tegen

de stichting

Stichting Studiefinanciering Curaçao,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.E. Henriquez.

Partijen zullen hierna verzoekster en/of [verzoekster] en verweerster en/of SSC genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoekster heeft op 6 februari 2018 een verzoekschrift met producties ingediend. Verweerster heeft op 21 juni 2018 een verweerschrift ingediend met producties. Het verzoek is na meerdere aanhoudingen behandeld op 22 juni 2018. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Verweerster is een stichting die tot doelstelling heeft het verstrekken van studiefinanciering aan ingezetenen van Curaçao en het beheren en het innen van de in dat kader verstrekte studieleningen.

2.2.

In 2011 werd verzoekster benoemd als voorzitter van het bestuur van verweerster. Met ingang van 2 februari 2012 werd verzoekster naast haar bestuursfunctie tevens ad-interim directeur, na het vertrek van de toenmalige directeur. Vervolgens is het bestuur met verzoekster als werknemer een arbeidsovereenkomst aangegaan op 30 juli 2012 waarin verzoekster als directeur in dienst treedt van verweerster per 1 augustus 2012.

2.3.

Op 26 juli 2013 zijn de statuten van verweerster gewijzigd. In artikel 5 van de statuten is bepaald dat de stichting het bestuur en de raad van commissarissen (RvC) als organen kent. Verzoekster werd per 26 juli 2013 benoemd tot statutair bestuurder van verweerster.

2.4.

Per 13 juli 2017 is verzoekster geschorst door de RvC.

2.5.

Op 23 augustus 2017 is verzoekster ontslagen. In de brief (die overigens 14 augustus 2017 is gedateerd) staat onder meer: Dat wanbeleid dat is geconstateerd is van een dermate ernst en omvang dat de RvC een verdere samenwerking met u als enige bestuurder van SSC niet langer kan rechtvaardigen. De RvC heeft mede in het licht daarvan besloten tot uw ontslag als statutair bestuurder per heden, met eveneens de opzegging van uw overeenkomst van opdracht per heden.

3 Het geschil

3.1.

Verzoekster verzoekt, naast een proceskostenveroordeling, naar aanleiding van het besluit van verweerster van 23 augustus 2017 - in de kern - dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

i- voor recht zal verklaren dat het besluit van de RvC waarmee verzoekster als statutair bestuurder werd ontslagen nietig is wegens strijd met statuten en/of de wet;

ii- voor recht zal verklaren dat het ontslag van verzoekster uit haar arbeidsrechtelijke functie van directeur nietig is;

iii- voor recht zal verklaren dat het ontslag van verzoekster uit haar arbeidsrechtelijke functie van directeur kennelijk onredelijk is;

iv- de dienstbetrekking van statutair bestuurder althans directeur van verweerster zal herstellen, althans SSC zal gelasten dit te doen met ingang van 23 augustus 2017;

v- voor recht zal verklaren dat verzoekster aanspraak heeft op doorbetaling van haar salaris als statutair bestuurder en/of directeur tot rechtsgeldige beëindiging van de rechtsbetrekking, althans betaling van het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon als niet een einde zou zijn gebracht door verweerster aan de overeenkomst van opdracht.

3.2.

Verzoekster legt aan de vordering ten grondslag dat verweerster ten onrechte de rechtsbetrekking tussen haar en verweerster heeft beëindigd. Verweerster beroept zich op valse of voorgewende redenen, namelijk dat er wanbeleid zou zijn gevoerd en dat klopt volgens verzoekster niet. Verzoekster heeft steeds tot tevredenheid van het bestuur van SSC en ook van de overheid gefunctioneerd.

3.3.

Verweerster heeft verweer gevoerd en een zelfstandige tegenvordering ingediend. Verweerster verzoekt naast een werkelijke proceskostenveroordeling van NAf 25.000,- in de kern dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

A- Verzoekster zal veroordelen tot het betalen van NAf 773.879,08, vermeerderd met wettelijke rente.

B- Voor recht zal verklaren dat verzoekster aansprakelijk is voor de schade die verweerster zal lijden uit hoofde van vergoedingen die aan het bedrijf Experientia moeten worden betaald, in een schadestaatprocedure;

C- Verzoekster zal bevelen zich te verantwoorden over de credit card uitgaven op straffe van een dwangsom;

D- In het geval sprake is van een arbeidsovereenkomst of een andersoortige overeenkomst deze te ontbinden met onmiddellijke ingang, zonder toekenning van een vergunning;

E- In het geval het ontslag als statutair bestuurder niet rechtsgeldig is, verzoekster met onmiddellijke ingang alsnog te ontslaan, zonder toekenning van een vergoeding;

F- Te bepalen dat verweerster alle bedragen die zij uit hoofde van een in deze te wijzen vonnis aan verzoekster zou dienen te betalen verrekend mogen worden met alle bedragen die verzoekster van het in deze te wijzen vonnis aan verweerster zal dienen te betalen;

3.4.

Verzoekster is nog niet toegekomen aan het voeren van verweer, maar heeft wel verzocht daartoe in de gelegenheid te worden gesteld.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover relevant nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Onderhavig verzoek is aangemerkt als een verzoek in een arbeidsrechtzaak (artikel 429 b lid 2 RV).

4.2.

Volgens verweerster is verzoekster niet ontvankelijk omdat er geen sprake is van een arbeidsrechtelijke verhouding tussen partijen. Verweerster voert in dat verband aan dat er geen arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat in verband met artikel 8 lid 5 boek 2 BW.

4.3.

Volgens verzoekster is er wel sprake van een arbeidsovereenkomst. Zij wijst er op dat ten tijde van de statutenwijziging en benoeming van haar tot bestuurder nieuwe stijl uitdrukkelijk is overeengekomen dat de arbeidsrelatie beheerst zou blijven door titel 7A van boek 7A BW. Zij verwijst naar een verklaring van oud bestuursleden die is opgemaakt in juli 2017. Hierin staat dat toen verzoekster op 1 augustus 2012 in dienst trad er bewust voor is gekozen om haar als werkneemster in dienst te nemen en dat ook uit de werkwijze blijkt dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst.

4.4.

Het Gerecht oordeelt als volgt. Artikel 8 lid 5 boek 2 BW bepaalt:

De rechtsverhouding tussen een bestuurder en de rechtspersoon wordt niet aangemerkt of mede aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

In de MvT van de Invoeringslandsverordening boek 2 BW staat onder meer:

Het vijfde lid beoogt de ingewikkelde discussie over de verhouding tussen de rechtspersonenrechtelijke (vennootschapsrechtelijke) en arbeidsrechtelijke positie van bestuurders, zoals deze in Nederland wordt gevoerd, te vereenvoudigen.

Het komt er dus op neer dat volgens de wet statutaire bestuurders geen arbeidsrechtelijke bescherming genieten. Dit geldt in dit geval ook voor verzoekster.

4.5.

Verzoekster heeft hier tevergeefs tegenin gebracht dat uitdrukkelijk is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst zou voortduren. Dat neemt immers niet weg dat een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling daaraan in de weg staat. Ook de stelling dat de werkzaamheden van verzoekster in de loop der tijd altijd hetzelfde karakter hebben gehad en dat de voorwaarden waaronder zij die werkzaamheden verrichtte niet zijn gewijzigd, heeft niet tot gevolg dat dan toch een arbeidsovereenkomst tussen partijen zou gelden. Het is immers mogelijk dat, zoals ook in de MvT is verwoord, partijen in hun overeenkomst privaatrechtelijke bepalingen inzake de arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing verklaren. Maar daarmee is er nog geen sprake van een arbeidsovereenkomst met de daarbij komende arbeidsrechtelijke ontslagbescherming.

4.6.

Verzoekster heeft ter zitting nog verwezen naar jurisprudentie van het Hof waaruit zou volgen dat het wel mogelijk zou zijn om zowel statutair bestuurder te zijn en een arbeidsovereenkomst te hebben. Als gedoeld is op jurisprudentie over ACU (KG 59874-H 165/13 van het Gemeenschappelijk Hof van 13 augustus 2013), geldt dat die conclusie niet wordt ondersteund door die uitspraak. In die casus ging de discussie over een ander vennootschappelijk aspect, namelijk - in de kern - of de toenmalige directeur van ACU moest worden gezien als een statutair directeur en over de vraag of een ontslagvergunning was vereist. Overigens heeft de HR het vonnis van het Hof vernietigd bij arrest van 9 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:38).

4.7.

Nu geen sprake is van een arbeidsverhouding tussen partijen betekent dit het volgende. De vorderingen van verzoekster onder ii, iii, iv en v - die laatste twee voor zover zij verwijzen naar het directeurschap van verzoekster - zijn niet toewijsbaar. Daar waar onder iv en v wordt gerefereerd aan het statutair bestuurderschap blijven deze vorderingen bestaan. De tegenvordering van verweerster onder D is niet toewijsbaar.

4.8.

De overige vorderingen zullen verder worden beoordeeld in het kader van een AR procedure, onder nummer CUR201802194. Het ‘verweerschrift tevens zelfstandige vordering’ wordt aangemerkt als een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie. De zaak zal naar de maandagrol worden verwezen voor een conclusie van antwoord in reconventie, waarna de zaak in beginsel voor beraad CNA weer op de rol zal komen. Verzoekster zal griffierecht dienen bij te betalen van NAf 400,-. Op genoemde rolzitting zal zij in de gelegenheid worden gesteld bewijs over te leggen van bijbetaling.

4.9.

Verzoekster wordt als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld van verweerster, tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst af de vorderingen van verzoekster onder ii en iii en de tegenvordering van verweerster onder D;

- wijst af de vorderingen onder iv en v voor zover deze betrekking hebben op het directeur zijn van verzoekster;

- bepaalt dat verder wordt geprocedeerd op de AR rol met nummer CUR201802194 en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 20 augustus 2018 voor het nemen door verzoekster van een conclusie van antwoord in reconventie, alsmede bewijs bijbetaling griffierecht;

- veroordeelt verzoekster in de proceskosten van verweerster, tot op heden begroot op een bedrag van NAf 1.500,-;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.