Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:19

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201000026 en CUR201200059
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erflater was eigenaar van de onroerende zaak en is begin 2010 overleden. De ten name van hem opgelegde aanslag grondbelasting is rechtsgeldig nu ingevolge artikel 14 van de Grondbelastingverordening 1908 hij die bij aanvang van het jaar eigenaar is, belastingplichtig is. Nu zich in 2009 en 2010 geen omstandigheid heeft voorgedaan , als genoemd in artikel 24 GBV 1908, dienen de aanslagen verlaagd te worden naar die welke bepaald is bij aanvang van het tijdvak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 27 februari 2018

BBZ nrs. CUR201000026 en CUR201200059

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende in Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Ten name van [ Z ], overleden op [overlijdensdatum] 2010 (hierna: erflater), zijn op 24 juli 2009 en 19 augustus 2010 over de jaren 2009 en 2010 aanslagen grondbelasting naar een belastbare waarde van Naf. 645.000 en een te betalen belasting van Naf. 2.225 inclusief opcenten opgelegd.

1.2

Erflater is op 28 augustus 2009 tegen de aanslag grondbelasting 2009 in bezwaar gekomen. Belanghebbende heeft op 27 september 2010 bezwaar aangetekend tegen de aanslag grondbelasting 2010.

1.3

Met dagtekening 17 september 2010 (2009) en 19 december 2011 (2010) heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar over 2009 niet- ontvankelijk verklaard en de aanslag over 2010 gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 8 november 2010 (2009) en 17 februari 2012 (2010) in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar.

1.5

Op 27 oktober 2011 heeft de Inspecteur verweerschriften ingediend over de jaren 2009 en 2010.

1.6

De Raad van Beroep voor Belastingzaken heeft een zitting gehouden op 4 november 2011. Toen is belanghebbende, zonder berichtgeving, niet verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [ A ]. Daarna zijn de zaken in het ongerede geraakt.

1.7

Nadat gebleken was dat de zaken nog niet afgerond waren zijn partijen overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 8 februari 2018 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen [ A ]. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde [ B ], verbonden aan [ Q ] B.V. Partijen hebben pleitnota’s met bijlagen overgelegd.

1.8

Partijen hebben schriftelijke toestemming gegeven om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Erflater was tot zijn overlijden eigenaar van de onroerende zaak gelegen te [adres 00 ] (hierna: de onroerende zaak).

2.3

De onroerende zaak betreft een perceel grond van 800 m2, met daarop een woning. Erflater heeft het perceel in 2000 gekocht voor Naf. 185.625 en hij heeft daarop meteen daarna voor een aanneemsom van Naf. 157.500 de woning laten bouwen.

2.4

In artikel 14 van de Grondbelastingverordening 1908 (hierna: GBV 1908) is bepaald dat de aanslag telkens geschiedt voor een tijdvak van vijf jaren. Dit tijdvak is aangevangen in 2007 en loopt tot en met 2011. Met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 werd voor het opleggen van de aanslagen grondbelasting uitgegaan van een belastbare waarde van de onroerende zaak van Naf. 255.000. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het aanslagbiljet grondbelasting 2008. Op het aanslagbiljet staat vermeld dat het een “bebouwd” perceel betreft. De aanslag, inclusief opcenten, bedraagt Naf. 880.

2.5

Voor de jaren 2009 en 2010 is de belastbare waarde voor de grondbelasting vastgesteld op Naf. 645.000 en zijn aanslagen grondbelasting opgelegd met inachtneming van die waarde.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de belastbare waarde voor de jaren 2009 en 2010 niet te hoog is vastgesteld.

3.2

Belanghebbende is van mening dat de belastbare waarde te hoog is vastgesteld. Een waardestijging in 2009 van 153% ten opzichte van 2008 is niet realistisch. Bovendien mag de waarde in een vijfjarig tijdvak alleen maar gewijzigd worden bij gewijzigde omstandigheden en die hebben zich hier volgens belanghebbende niet voorgedaan. Dat betekent dat de aanslagen grondbelasting 2009 en 2010 gebaseerd moeten worden op de voor 2007 vastgestelde belastbare waarde van Naf. 255.000. Belanghebbende verzoekt daarnaast om een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten, groot Naf. 3.658,99, nu de Inspecteur tot een enorme waardeverhoging heeft besloten zonder onderbouwing en nu de vertraging bij het Gerecht ook veel kosten met zich mee heeft gebracht.

De Inspecteur stelt dat de onroerende zaak in 2007 ten onrechte werd gewaardeerd op de “waarde onbebouwd”. Pas in 2008, na opname van de terrein dienst, is men erachter gekomen dat het perceel bebouwd is. De Inspecteur is van mening dat het op grond van artikel 24 van de GBV 1908 mogelijk is om binnen het tijdvak in zulke gevallen de waarde van het perceel te wijzigen. Op grond van vergelijking van het perceel met vergelijkbare omliggende percelen kan de waarde volgens de Inspecteur worden verlaagd tot Naf. 531.000. De Inspecteur vindt verder dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding omdat het een oude zaak betreft. Als er toch overgegaan wordt tot een kostenvergoeding dan stelt de Inspecteur dat die vergoeding voor rekening van het Gerecht dient te komen nu de vertraging aan het Gerecht te wijten is.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Vooraf: rechtsgeldigheid aanslag 2010 en ontvankelijkheid 2009 en 2010

4.1

Ingevolge artikel 12 GBV 1908 is belastingplichtig hij, die bij de aanvang van het jaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens het recht van bezit of enig ander zakelijk recht. Erflater was op 1 januari 2010 eigenaar van de onroerende zaak, zodat hij voor het jaar 2010 belastingplichtig was. De omstandigheid dat hij op 20 maart 2010 overleden is doet daar niet aan af, evenmin als de omstandigheid dat de aanslag pas na zijn overlijden is opgelegd. De aanslag grondbelasting 2010 is rechtsgeldig opgelegd.

4.2

Ingevolge artikel 28 GBV 1908 kan de belastingplichtige in het eerste jaar van het vijfjarig tijdvak en in de gevallen voorzien in artikel 24, in het jaar waarin de nieuwe aanslag is vastgesteld binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaar indienen bij de Inspecteur. Het eerste jaar van het vijfjarig tijdvak is 2007. De Inspecteur heeft in 2009 en in 2010 op grond van artikel 24 GBV 1908 een van 2007 afwijkende waarde vastgesteld en daarop nieuwe aanslagen gebaseerd. Gelet daarop kan belanghebbende (en voor het bezwaar 2009: erflater) rechtsgeldig bezwaar (en beroep) aantekenen tegen de aanslagen grondbelasting 2009 en 2010.

4.3

De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag grondbelasting 2009 niet- ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De aanslag grondbelasting 2009 heeft als dagtekening 24 juli 2009. Erflater heeft op 28 augustus 2009 bezwaar aangetekend; dat is binnen de termijn van twee maanden. Dat betekent dat het bezwaar ontvankelijk is. Het Gerecht concludeert dat zowel bezwaar als beroep met betrekking tot de jaren 2009 en 2010 ontvankelijk zijn.

Inhoudelijk

4.4

Bij aanvang van het tijdvak 2007-2011 is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op Naf. 255.000. Ingevolge artikel 14 van de GBV 1908 geschiedt de grondbelastingaanslag voor een tijdvak van vijf jaar. Dat wil zeggen dat de belastbare waarde en de hoogte van de aanslag die bij de aanvang van een nieuw tijdvak zijn bepaald, vaststaan voor dat tijdvak. Dat is alleen anders in de uitzonderingsgevallen die genoemd zijn in artikel 24 GBV 1908.

4.5

De in artikel 24, letter a-f GBV 1908 genoemde uitzonderingsgevallen zijn: wijziging van de leggers in de loop van het vijfjarig tijdvak als gevolg van:

- overgang van een goed;

- het geheel of gedeeltelijk belastbaar worden van onbelastbare goederen en omgekeerd;

- bij op- of aanbouw of gedeeltelijke vernieuwing;

- gehele of gedeeltelijke afbraak;

- gehele of gedeeltelijke vernieling door onvoorziene rampen;

- splitsing en vereniging.

4.6

Het perceel is in 2000 aangeschaft en meteen daarna bebouwd. Gesteld noch gebleken is dat er tussen 2007 en 2009 nog bebouwing heeft plaatsgevonden. Evenmin is aannemelijk geworden dat zich in de loop van het tijdvak 2007 tot en met 2011 een andere wijziging als bedoeld in artikel 24 GBV 1908 heeft voorgedaan, als gevolg waarvan een gewijzigde waarde voor de jaren 2009 en 2010 zou moeten worden vastgesteld.

4.7

De Inspecteur heeft verdedigd dat de onroerende zaak in de jaren 2007 en 2008 ten onrechte is gewaardeerd op de “waarde onbebouwd”, dat daarom artikel 24 GBV 1908 van toepassing is en dat dus in 2009 een herwaardering heeft kunnen plaatsvinden. Het Gerecht verwerpt dit betoog. Allereerst stelt het Gerecht vast dat op het aanslagbiljet grondbelasting 2008 staat vermeld dat, net zoals in 2009 en 2010, de waarde “bebouwd” in aanmerking is genomen. Het Gerecht heeft geen reden om aan te nemen dat dat met betrekking tot het jaar 2007 anders was. Dat hierbij sprake was van een fout heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de Inspecteur bij de waardering bij aanvang van het tijdvak 2007-2011 van dezelfde samenstelling van de onroerende zaak is uitgegaan als bij de waardering over 2009 en 2010. Echter, ook al zou bij aanvang van het tijdvak (ten onrechte, er stond toen immers al een woning op het perceel) de waarde “onbebouwd” zijn vastgesteld dan vormt dat nog geen omstandigheid die herwaardering in de loop van het tijdvak rechtvaardigt. Die omstandigheid is immers niet genoemd in artikel 24 GBV 1908. Het gelijk is aan belanghebbende. De aanslagen grondbelasting 2009 en 2010 dienen overeenkomstig de jaren 2007en 2008 te worden vastgesteld op Naf. 880.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Met ingang van het jaar 2016 is in de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) de wettelijke grondslag voor de kostenvergoeding in beroepsfase in artikel 15 LBB geregeld. Volgens het overgangsrecht (Artikel V, lid 2 Landsverordening van 18 december 2015, houdende wijziging van de LBB etc.) heeft belanghebbende recht op toepassing van het voor haar gunstiger recht. Het Gerecht is gelet op het vorenstaande, ook al is het een “oude” zaak, bevoegd om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van beroep die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu het beroep gegrond is zal het Gerecht daartoe ook overgaan.

5.2

In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.3

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 350 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1/2 punt voor het verschijnen ter comparitie, met een waarde per punt van Naf. 700 en een wegingsfactor van 1). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1. Het beroepschrift is door belanghebbende zelf ingediend. Hiervoor wordt geen proceskostenvergoeding verstrekt. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de werkelijke proceskosten wordt door het Gerecht afgewezen. De lange duur van de procedure is niet aan de Inspecteur te wijten en vormt naar het oordeel van het Gerecht geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigt. Het betoog van de Inspecteur dat kostenvergoeding dient plaats te vinden door het Gerecht, omdat aan haar de vertraging te wijten is, wordt eveneens verworpen. De wet voorziet niet in vergoeding van proceskosten door het Gerecht en de kostenveroordeling vindt plaats omdat de beslissing van de Inspecteur herzien wordt.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslagen grondbelasting 2009 en 2010 tot Naf. 880 per jaar;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende, vastgesteld op Naf. 350.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen, en mr. J. Sap, leden in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier, N.N. Noël- van der Biezen BSc.

De griffier, De voorzitter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).