Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:185

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
Cur201802424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beslag ten laste van Venezuela op olievoorraden niet toegestaan. Geen immuniteit van jurisdictie; wel immuniteit van executie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2019/11 met annotatie van Dekker, G.R. den
S&S 2019/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 25 juli 2018

Zaaknummer: Cur201802424

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

op het verzoek van:

HUNTINGTON INGALLS Inc,,

gevestigd te Newport News, Virginia, Verenigde Staten,

verzoekster,

gemachtigden: mrs. A.C.A. Gonzales, M.E. Koppenol-Laforce en A.P.J. de Rond,

--tegen—

HET MINISTERIE VAN DEFENSIE VAN DE BOLIVARIAANSE REPUBLIEK VENEZUELA ALTHANS DE BOLIVARIAANSE REPUBLIEK VENEZUELA, TERZAKE VERTEGENWOORDIGD DOOR HET MINISTERIE VAN DEFENSIE,

mede gevestigd op het consulaat-generaal van Venezuela te Curaçao,

verweerder.

1 Het procesverloop

Verzoekster heeft op 24 juli 2018 een beslagrekest ingediend.

2 De beoordeling

2.1

In haar verzoekschrift heeft verzoekster verlof verzocht om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van verweerder, tot verhaal van een vordering van circa USD 130 miljoen, met een opslag van 30% voor rente en kosten. De derden onder wie verzoekster beslag wil leggen zijn Refineria di Kòrsou N.V., Refineria Isla Curaçao B.V., Petróleos de Venezuela S.A., PdVSA Petroleo S.A. en Refineria Isla (Curazao) S.A.

2.2

Aan het verzoek legt verzoekster de geldvordering ten grondslag zoals die aan haar is toegewezen bij arbitraal vonnis van 19 februari 2018, gewezen na een ICC-arbitrageprocedure in Rio de Janeiro, Brazilië. Bij dat vonnis is het Ministerie van Defensie van Venezuela veroordeeld om aan verzoekster, na enige verrekeningen, circa USD 130 miljoen te betalen in verband met door verzoekster gepleegd onderhoud aan twee fregatten van de Venezolaanse marine. Door verzoekster is vorige week bij dit Gerecht verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis verzocht, op welk verzoek nog niet is beslist. Verzoekster wenst vooruitlopend op een door haar naar zij verwacht te verkrijgen exequatur haar verhaalsmogelijkheden veilig te stellen met conservatoir derdenbeslag onder de genoemde vennootschappen op aan de Venezolaanse Staat toebehorende olie.

2.3

Het verzoek tot conservatoire beslaglegging kan niet worden toegewezen.

2.4

In de eerste plaats volgt uit het lichaam van het verzoekschrift dat verzoekster beslag wil leggen ten laste van het Ministerie. In burgerlijke gedingen komt in beginsel alleen procesbevoegdheid toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen en kunnen organen van rechtspersonen - waarvan bij het Venezolaanse Ministerie van Defensie zoals ook verzoekster zelf stelt sprake is - niet als procespartij optreden. Dat zich hier een uitzondering op deze regel voordoet is niet gebleken.

2.5

Voor zover verzoekster de staat Venezuela subsidiair als beslagdebiteur wenst aan te merken, waar de kop van haar verzoekschrift op duidt, geldt nog het volgende.

2.6

Het verzoek richt zich tegen een vreemde staat en beoogt beslaglegging op aan die vreemde staat in eigendom toebehorende goederen (olie). Dit brengt mee dat het verzoek dient te worden beoordeeld in het volkenrechtelijke kader van de staatsimmuniteit van jurisdictie en staatsimmuniteit van executie.

2.7

Het aan staten toekomende recht op immuniteit van jurisdictie - waar het betreft het typisch publieke handelen van staten - maakt onderdeel uit van het internationaal gewoonterecht. Zoals beslist in Hoge Raad 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054 (Irak c.s. vs. verweerster) en ook moet worden aangenomen voor het Curaçaos burgerlijk procesrecht, is de rechter gehouden om in na 1 januari 2018 aanhangig gemaakte zaken waarin een vreemde staat als gedaagde of verweerder niet in rechte verschijnt, ambtshalve te onderzoeken of aan de vreemde staat immuniteit van jurisdictie toekomt. In het onderhavige geval is immuniteit van jurisdictie niet aan de orde. Het verzoek noopt niet tot een beoordeling van of beslissing over publiek handelen van Venezuela, maar betreft louter de vraag of verzoekster te Curaçao beslag mag leggen voor haar bij arbitraal vonnis vastgestelde vordering op (het Ministerie van Defensie van) Venezuela.

2.8

Wel aan de orde is de aan staten toekomende immuniteit van executie. Op staatseigendommen kan slechts beslag worden gelegd indien wordt vastgesteld dat de goederen van de vreemde staat niet bestemd zijn voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doeleinden. Het is aan een verzoeker die beslag wil leggen ten laste van een vreemde staat om aannemelijk te maken dat van immuniteit van executie geen sprake is en dat het gaat om goederen die niet bestemd zijn voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doeleinden (vergelijk Gerechtshof Amsterdam, 12 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3729 (beslag Syrië) en Gerechtshof Amsterdam 7 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4585 (beslag Irak).

Aan die eis is door verzoekster niet voldaan.

2.9

Volgens verzoekster hebben de derden onder wie zij beslag wil leggen olie onder zich die eigendom is van Venezuela. Zo zou een kwart van de onlangs door ConocoPhilips beslagen olie niet aan ConocoPhilips’ beslagdebiteur PdVSA toebehoren, maar aan Venezuela. Volgens verzoekster gebruikt Venezuela zijn olie die via Curaçao verscheept wordt als betaalmiddel voor de terugbetaling van tussen 2007 en 2014 door Chinese staatsbanken aan de Venezolaanse overheid verstrekte leningen van ongeveer USD 63 miljard. Op grond van een samenwerkingsovereenkomst tussen China en Venezuela is Venezuela bevoegd miljardenbedragen op te nemen bij de Chinese Development Bank, in ruil voor de levering van ruwe olie (tegen tarieven onder de marktwaarde) aan Chinese staatsoliebedrijven.

2.10

Uit deze toelichting door verzoekster volgt dat de olie waarop zij beslag wil leggen door Venezuela wordt gebruikt als betaalmiddel om door Venezuela voor haar overheidsfinanciën aangetrokken leningen terug te betalen. Dat leidt tot de gevolgtrekking dat het hier gaat om goederen die vallen onder de immuniteit van executie en onder het bepaalde in artikel 703 Rv. In ieder geval geldt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om goederen die niet bestemd zijn voor een overheidstaak en worden gebruikt voor commerciële doeleinden. Nu daarmee niet aannemelijk is dat verzoekster zich op de olie zal kunnen verhalen, is voor conservatoire beslaglegging evenmin plaats.

3 Beslissing

Het Gerecht:

wijst het verzoek om verlof tot beslaglegging af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

[Tegen deze beschikking staat voor verzoekster ingevolge artikel 429n lid 2 Rv gedurende zes weken na de uitspraak hoger beroep open bij het Gemeenschappelijk Hof]