Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:172

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
CUR 201601282 (voorheen: 2016/77871)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning verleend voor 62 woningen. Geen aanhoudingsplicht. Geen weigeringsgrond als vermeld in artikel 22 van de Bouw- en Woningverordening 1935, zodat niet kon worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Uitspraak

in het geding tussen:

de vereniging SOSIEDAD AMIGU DI TERA en

de stichting FUNDASHON DEFENSE AMBIENTAL,

eisers,

beide gevestigd in Curaçao,

gemachtigde: mr. D.E. Liqui-Lung, advocaat,

en

de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning,

gemachtigde: mr. A.Ch. van Hoof, advocaat,

verweerder,

met als derde-belanghebbende:

de stichting FUNDASHON KAS POPULAR (de vergunninghouder),

gevestigd in Curaçao,

gemachtigde: mr. H.W. Braam, advocaat.

Procesverloop

Bij beschikking van 1 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder vergunning verleend voor de bouw van 62 woningen te Wechi (het gebied) zoals weergegeven op de daarbij vermelde bouw- en situatietekeningen.

Bij brief van 5 februari 2016 hebben eisers daartegen beroep ingesteld, waarvan zij de gronden hebben aangevuld bij schrijven van 6 december 2016.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie ingediend.

Eisers hebben nadere stukken ingediend.

Het Gerecht heeft de zaak op 9 mei 2018 ter openbare zitting behandeld. Eisers werden daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde, vergezeld door L.R. Narain en I.J. Ravenau. Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. L. Davelaar. Voorts is daar verschenen de vergunninghouder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld door A. Con en M.A. Becher.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 22 van de Bouw- en Woningverordening 1935 (BWv) is een beslissing tot het verlenen van voorwaardelijke bouwvergunning of tot gehele of gedeeltelijke weigering steeds met redenen omkleed en kan slechts gegrond zijn op een of meer van de volgende omstandigheden:

10. dat de aanvraag, de tekening, de omschrijving of het gebouw of gebouwgedeelte niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening gegeven;

(…);

70. dat het gebruik van het gebouw dan wel het gebruik van de zich aan, bij of in het gebouw bevindende of in het gebouw te realiseren faciliteiten, gevaar zal opleveren voor de veiligheid van het verkeer, de vrije loop van het verkeer zal hinderen, de bereikbaarheid van de bebouwing in de omgeving zal verminderen of door haar verkeer aantrekkende karakter de omgeving overlast zal bezorgen (verkeersoverlast);

80. dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelplan, dan wel de voorschriften behorende bij een goedgekeurd verkavelingsplan waarin de bij de aanvraag betrokken grond is begrepen;

(…).

Op grond van artikel 22a, eerste lid, houdt het Bestuurscollege de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en voor het gebied waar het gebouw zal worden opgericht, voordat de aanvraag is ingediend, een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 25 van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao (EROC) is genomen, dan wel een ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften of een ontwerp-herziening daarvan ter inzage is gelegd. Op grond van het tweede lid duurt de aanhouding totdat het voorbereidingsbesluit is vervallen of omtrent het ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften of de ontwerp-herziening daarvan onherroepelijk is beslist, dan wel de termijn bedoeld in artikel 11, negende lid, van de EROC is overschreden. Op grond van het derde lid kan het Bestuurscollege in afwijking van het eerste lid de vergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met de ontwerp-bestemmingsvoorschriften of de ontwerp-herziening daarvan en na vaststelling en terinzagelegging is gebleken dat tegen de onderdelen waarop het bouwplan betrekking heeft geen beroep is ingesteld.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de EROC ligt het ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, dan wel het ontwerp van bestemmingsvoorschriften gedurende dertig dagen voor een ieder op het bestuurskantoor ter inzage. Op grond van het negende lid stelt de Eilandsraad het ontwerp-ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften dan wel de ontwerp-bestemmingsvoorschriften binnen negentig dagen na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn bij eilandsverordening vast. Hij kan de vaststelling driemaal voor ten hoogste eenzelfde termijn verdagen.

2. De door verweerder en de vergunninghouder naar voren gebrachte weren die ertoe strekken dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard, treffen geen doel.

Beide eisers streven volgens de doeleindenomschrijving van hun onderscheiden statuten onder meer de zorg voor het lokale milieu en de bescherming van de lokale natuur na, welke belangen zij blijkens hun stelselmatige betrokkenheid bij ruimtelijke ordening procedures ook feitelijk behartigen. Nu het bestreden besluit betrekking heeft op een bouwplan van een omvang en op een locatie die de door hen behartigde algemene, collectieve belangen raakt, zijn zij als belanghebbenden gerechtigd daartegen beroep in te stellen. Of de door hen naar voren gebrachte beroepsgronden die milieubelangen betreffen, doet voor de beantwoording van de vraag of zij in hun belang getroffen zijn niet ter zake. Overigens kent de Lar geen met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht overeenstemmende bepaling, zodat het daarin neergelegde zogeheten relativiteitsvereiste in deze procedure geen werking toekomt.

Verder is de aan de vergunninghouder eerder verleende bouwvergunning voor een bouwplan binnen het gebied hier irrelevant, omdat dit een geheel ander bouwplan betrof. Ook is irrelevant of eisers in een eerdere procedure over een ontwikkelingsplan voor het gebied al dan niet hebben nagelaten in beroep te komen.

Dat eisers bij verweerder bezwaar zouden hebben gemaakt tegen het bestreden besluit, doet evenmin af aan hun ontvankelijkheid, reeds omdat zij daarvoor al dit beroep hadden ingesteld. Overigens was dat bezwaar, net als dit beroep, gericht tegen een ‘mogelijk verleende bouwvergunning’, omdat verweerder naliet eisers duidelijkheid te verschaffen over de status van de betrokken bouwaanvraag. Daarom voelden eisers zich begrijpelijkerwijs gedrongen in den blinde periodiek rechtsmiddelen aan te wenden om niet het risico te lopen daarmee te laat te zijn.

Ook het met enkele dagen overschrijden van de termijn voor het indienen van de gronden van hun beroep, vormt thans geen grond meer om eisers deswege alsnog niet‑ontvankelijk te verklaren in hun beroep. Niet valt in te zien op welke wijze verweerder of de vergunninghouder door die overschrijding in hun procesbelang zijn geraakt, te minder omdat de oorzaak daarvan mede is gelegen in het feit dat verweerder aan het Gerecht niet tijdig de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, waardoor die ook pas laat aan eisers bekend werden.

3. Eisers betogen tevergeefs dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met artikel 22a, derde lid, van de BWv.

Met verwijzing naar de uitspraken van het Gerecht van 24 mei 2011 in zaaknr. Lar 2010/134 en van het Hof Lar van 28 mei 2012 (ECLI:NL:OGHACMB:20102:BW8355) stelt het Gerecht vast dat aan het op 23 mei 1997 in werking getreden Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao 1995 (het EOP) voor zover dat betrekking had op het gebied goedkeuring is onthouden en dat laatstelijk voor het gebied het ontwerp-ontwikkelingsplan Wechi in procedure is gebracht, dat van 12 maart 2006 tot en met 19 april 2006 ter inzage heeft gelegen. Onder meer eisers hebben daar toen bezwaar tegen ingediend bij de toenmalige Eilandsraad van het voormalig Eilandgebied Curaçao. Daarop is tot op heden niet beslist, en dit plan is niet vastgesteld. Voor het gebied gelden dan ook geen bestemmingsvoorschriften. Terzijde merkt het Gerecht hier op dat op grond van artikel 6, negende lid, van de Landsverordening algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur een ontwikkelingsplan na 10 oktober 2010 bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen (Lbham) dient te worden vastgesteld, dus door de Regering van Curaçao.

Gelet op het bepaalde bij artikel 22a, tweede lid, van de BWv is de op grond van het eerste lid geldende aanhoudingsplicht doorbroken, nu de termijn bedoeld in artikel 11, negende lid, van de EROC ten tijde van het bestreden besluit reeds vele jaren was overschreden. Het derde lid heeft alleen betrekking op die gevallen waarin de aanhoudingsplicht niet is doorbroken en biedt dan ook geen grondslag voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een aanhoudingsplicht gold.

4. Evenzeer faalt het betoog van eisers dat het besteden besluit is genomen in strijd met artikel 22, aanhef en onder 7, van de BWv, omdat aangenomen zou moeten worden dat de realisering van het bouwplan tot verkeersoverlast zal leiden.

Artikel 22 schrijft verplichtend voor onder welke omstandigheden een bouwaanvraag geweigerd wordt, of daaraan voorschriften kunnen worden verbonden, en dat indien die omstandigheden zich niet voordoen de bouwvergunning verleend moet worden. Verder betreft de omstandigheid van de verkeersoverlast een beoordeling van de plaatselijke situatie door verweerder, die de rechter alleen met de nodige terughoudendheid kan toetsen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de sectordirecteur van de Sector Infrastructuur en Ruimtelijke Planning van het betrokken ministerie, waarvan een memorandum van gelijke datum deel uitmaakt. In dit memorandum wordt uitvoerig op alle omstandigheden als vermeld in artikel 22 ingegaan, in het bijzonder ook op de verkeersoverlast. Daarbij is gebruik gemaakt van het onderzoek naar de verkeersontsluiting Wechi, kadernotitie januari 2012, van het adviesbureau Movares. Aldus heeft verweerder zijn afweging op zorgvuldig feitenonderzoek doen steunen, waarvan ook niet is gebleken dat die op onjuiste aannames berust. Verweerder kon op basis daarvan in redelijkheid tot de slotsom komen dat de realisering van het bouwplan niet zou leiden tot verkeersoverlast die aan de vergunningverlening in de weg behoorde te staan of die noopte tot het verbinden van nadere voorschriften aan de bouwvergunning. De stelling van eisers dat de uitkomst van deze afweging ongerijmd is, omdat dezelfde tegenwerpingen bij een eerdere beoordeling in het kader van een ontwerp EOP van 11 september 1999 tot een door de Gouverneur van het voormalig Eilandgebied Curaçao gegrond verklaard beroep hebben geleid, ziet eraan voorbij dat het daar ging om de planologische invulling van het gehele gebied Wechi met vele honderden woningen, terwijl het hier gaat om de bouw van 62 woningen in een klein deel van dat gebied. Dat dit bouwplan de eerste fase vormt van het meeromvattende plan voor de invulling van het gehele gebied, doet er niet aan af dat dit bouwplan als op zichzelf staand beoordeeld moet worden.

5. In verband met verplichtende karakter van artikel 22 van de BWv kan hetgeen eisers hebben aangevoerd over de strijdigheid van het bestreden besluit met het door de toenmalige Eilandsraad van het voormalig Eilandgebied Curaçao gevoerde ruimtelijk beleid niet aan de slotsom afdoen dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat zich geen omstandigheid voordeed op grond waarvan de bouwvergunning moest worden geweigerd.

6. Het Gerecht zal het beroep ongegrond verklaren en het bestreden besluit kan in stand blijven.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.