Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:171

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
07-05-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
CUR201601375 (voorheen AR 80397/2016)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersfout – stelplicht toedracht – bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. R.A. Gonet,

tegen

1 [GEDAAGDE SUB 1],

wonende in Curaçao,

gedaagde sub 1,

en

2. de naamloze vennootschap

ASKA SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. A. Lachman.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1] en Aska, althans gezamenlijk gedaagden genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 23 september 2016 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord van 23 januari 2017;

- de mondelinge behandeling op 15 februari 2017;

- de akte overlegging producties zijdens [gedaagde sub 1] en Aska van 12 juni 2017;

- de akte uitlating tevens conclusie van repliek zijdens [eiser] van 12 juni 2017;

- de akte uitlating tevens conclusie van dupliek van 13 november 2017;

- de akte uitlating producties van 11 december 2017.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 23 februari 2015 heeft zich op de rotonde Palu Blanku (hierna: de rotonde) een aanrijding tussen twee personenauto’s voorgedaan waarbij waren betrokken enerzijds [eiser] (kenteken [kentekennummer A) en anderzijds [gedaagde sub 1] (kenteken [kentekennummer B]).

2.2. [

eiser] was afkomstig vanuit de Franklin D. Rooseveltweg en heeft zijn weg via de buitenbaan van de rotonde driekwart vervolgd in de richting van de Schottegatweg-West (in de richting van Post 5).

2.3. [

gedaagde sub 1] was eveneens afkomstig vanuit de Franklin D. Rooseveltweg en heeft zijn weg via de binnenbaan van de rotonde vervolgd met de bedoeling om halverwege de rotonde af te slaan naar de Nijlweg.

2.4.

Ter hoogte van de Nijlweg is [gedaagde sub 1] met de rechtervoorkant van zijn auto in botsing gekomen met de linkerzijkant van de auto van [eiser]. [eiser] heeft vervolgens de macht over het stuur verloren en is met zijn rechterachterwiel tegen de trottoirband aangebotst. Daardoor is zijn wiel beschadigd geraakt.

2.5.

Ten tijde van het ongeval had Dienst Openbare Werken nog geen verkeerstekens c.q. wegmarkeringen op de rotonde aangebracht.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en Aska – des de een betalende de ander zal zijn bevrijdt – om aan hem te betalen een bedrag van NAf 3.053,10, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van januari 2016 zijnde de datum waarop gedaagden zijn aangemaand tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2. [

eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] een verwijtbare verkeersfout heeft gemaakt door van rijstrook te wisselen zonder [eiser] als doorgaand verkeer voorrang te verlenen.

3.3.

Gedaagden betwisten dat [gedaagde sub 1] van rijstrook is gewisseld. Zij voeren tot hun verweer aan dat [gedaagde sub 1] overeenkomstig de geldende regels de (turbo)rotonde via de binnenbaan in de richting van de Nijlweg wilde verlaten. Dat het ongeval heeft kunnen gebeuren is aan [eiser] zelf te wijten die in strijd met de geldende regels de rotonde via de buitenbaan voor driekwart heeft vervolgd en het rechts afslaande verkeer geen voorrang heeft verleend.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagde sub 1] in strijd met de geldende verkeersregels, althans met hetgeen naar maatstaven van zorgvuldigheid van haar als verkeersdeelnemer wordt gevergd, heeft gehandeld en aldus onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, dan wel of [eiser] het ontstaan van het ongeval aan een verkeersfout van zichzelf heeft te wijten.

4.2.

Het Gerecht stelt voorop dat de vordering van [eiser] is gebaseerd op artikel 6:162 BW. Daarom is de eerste te beantwoorden vraag of [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Op grond van de hoofdregel artikel 129 WvRV ligt de stelplicht en bewijslast ter zake op [eiser].

4.3.

Tussen partijen staat als niet betwist vast dat [gedaagde sub 1] in zijn poging om de rotonde via de Nijlweg te verlaten met [eiser], die op de buitenbaan rechtdoor reed, in botsing is gekomen. Onduidelijk is gebleven of [gedaagde sub 1] daartoe eerst van rijstrook wilde wisselen, zoals [eiser] stelt, dan wel dat hij de rotonde vanaf de binnenbaan wilde verlaten, zoals gedaagden stellen. Bij verzoekschrift is door [eiser] ter zake onleesbare ongevalsdocumentatie in het geding gebracht. Tijdens de comparitie van partijen is besproken dat wezenlijke informatie betreffende de toedracht van het ongeval ontbrak. Tevens is de mogelijkheid besproken dat de onleesbare stukken alsnog in leesbare vorm zouden worden overgelegd. Geen van beide partijen heeft aan dat verzoek gehoor gegeven. Uit de door [eiser] bij conclusie van repliek overgelegde foto’s kan het Gerecht, zonder nadere onderbouwing en / of toevoeging van de bijbehorende verklaringen en het ongevalsformulier, geen conclusies ten aanzien van de toedracht trekken.

4.4.

De slotsom is dat [eiser] zijn stellingen ten aanzien van de toedracht onvoldoende heeft onderbouwd, ondanks een verzoek van het Gerecht daartoe ter comparitie. Aan een bewijsopdracht aan [eiser] wordt daarom niet (meer) toegekomen. De door [eiser] gestelde feitelijke gedragingen van [gedaagde sub 1] zijn derhalve niet komen vast te staan. Het Gerecht kan daardoor evenmin vaststellen of [gedaagde sub 1] de voorrangsregels uit de Wegenverkeersverordening 2000 (WVV 2000) heeft overtreden, zoals [eiser] stelt. De gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] jegens [eiser] kan om die reden niet worden aangenomen. Het Gerecht zal de vordering van [eiser] afwijzen.

4.5.

Ondanks dat [eiser] in het ongelijk is gesteld, ziet het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren. Daartoe acht het Gerecht van belang dat ook aan gedaagden is gevraagd stukken in het geding te brengen betreffende de toedracht van het ongeval, nu zij gemakkelijker over deze stukken konden beschikken. Gedaagden hebben dat nagelaten en daarmee de (bewijs)positie van [eiser] verzwakt.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst de vordering af;

- Compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2018.