Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:167

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
CUR201501034
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidsverzekering medisch specialist, verzwijging met opzet tot misleiding, verjaring, bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de vennootschap naar Nederlands recht

MOVIR N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. R.F. van den Heuvel,

tegen

[GEDAAGDE IN CONVENTIE],

wonende in Curaçao,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. M. Boeree.

Partijen zullen hierna Movir en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift van 21 mei 2015, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- de behandeling ter comparitie van 10 mei 2016;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de akte na comparitie van Movir, met producties;

- de akte na comparitie van [gedaagde in conventie], tevens akte tot eiswijziging, met producties;

- de antwoordakte van Movir;

- de aanvullende producties van [gedaagde in conventie];

- de behandeling ter zitting van 14 maart 2017;

- de bij die gelegenheid namens beide partijen overgelegde pleitaantekeningen;

- de ter zitting door [gedaagde in conventie] overgelegde productie;

- de behandeling ter zitting van 1 juni 2018;

- de bij die gelegenheid namens beide partijen overgelegde pleitaantekeningen;

- de bij die gelegenheid door [gedaagde in conventie] overgelegde aanvullende productie.

1.2.

Ter comparitie is afwijzend beslist op de incidentele vordering tot tussenkomst van een derde.

1.3.

In deze zaak is tweemaal gepleit, omdat na het pleidooi van 14 maart 2017 een rechterswissel noodzakelijk bleek en op verzoek van partijen vervolgens gelegenheid is gegeven tot het opnieuw bepleiten van de zaak.

1.4.

Na de zitting van 1 juni 2018 is de zaak verwezen naar de rol van heden voor vonnis.

2 De feiten

2.1. [

gedaagde in conventie] is orthopedisch chirurg.

2.2.

Tussen partijen is op 31 maart 1987 een overeenkomst van arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand gekomen. De overeenkomst bevat in artikel 6.5 onder andere de verplichting voor [gedaagde in conventie] om

aan Movir dan wel de door Movir aangewezen deskundige(n) alle door Movir of de deskundige(n) noodzakelijk geachte gegevens te verstrekken of te doen verstrekken en geen feiten of omstandigheden te verzwijgen, die voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid of van de uitkeringen van belang zijn;

Artikel 7 (“Sancties”) luidt als volgt, voor zover van belang:

Indien een of meer van de in artikel 6 vermelde verplichtingen niet is nagekomen en Movir daardoor in een redelijk belang is geschaad, vervalt het recht op uitkering. Het recht op uitkering vervalt altijd indien er sprake is van opzet om Movir te misleiden.

Op de overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.

2.3.

Op 26 december 2001 is [gedaagde in conventie] betrokken geraakt bij een incident met een kanon, waarbij dit kanon is geëxplodeerd als gevolg waarvan het linkerbeen van [gedaagde in conventie] ernstig is verwond. Het been is geamputeerd.

2.4.

Bij brief van 24 januari 2002 heeft Movir de arbeidsongeschiktheid van [gedaagde in conventie] vastgesteld op 100%.

2.5.

Bij brief van 19 november 2002 heeft de zaakwaarnemer van [gedaagde in conventie], revalidatie-arts Blanken, onder andere aan Movir bericht dat [gedaagde in conventie] zijn werk als chirurg niet heeft hervat. En voorts:

Helaas gaat het met de prothesefitting maar zeer matig. Collega [gedaagde in conventie] functioneert eigenlijk grotendeels éénbenig. De prothese wordt weinig gedragen in verband met stompproblemen. Nog steeds zijn er problemen in de vorm van de critical illness polyneuropatie. Collega [gedaagde in conventie] kampt verder zo langzamerhand ook met verwerkings- en acceptatieproblemen.

2.6.

In februari 2003 is [gedaagde in conventie] een auto-ongeval overkomen, waarbij hij onder meer een schedelbasisfractuur heeft opgelopen.

2.7.

Bij brief van 13 juni 2003 aan Blanken heeft de behandelend chirurg Booi verslag gedaan van zijn bevindingen en geconcludeerd als volgt:

Patient heeft zelf de wens wederom zijn praktijk te kunnen runnen maar mijns inziens zal dit uiteindelijk een illusie blijken mede door de Diab Mell de perifere neuropathie het verlies aan propriocepsis aan de rechtervoet en de toenemende klachten van beide polsgewrichten links >>rechts door veelvuldig krukkengebruik.

Daarnaast geeft meer activiteit onverkort blaarvorming aan de stomp en metatarsalgiën aan de rechtervoet.

Veelvuldig staan en van positie veranderen bij het poli draaien, gipskamer poli, poliklinische ingrepen en het langdurige staan bij het merendeel der orthopedische ingrepen zal uiteindelijk niet meer mogelijk zijn en zeker niet zoals hij vroeger werkte en zeker niet zoals een orthopaed hier op de Antillen moet werken (gezien het feit dat de gehele traumatologie van het bewegingsapparaat hier primair verzorgd wordt door de orthopaeden).

2.8.

Een concept-arbeidsdeskundig rapport van de arbeidsdeskundige Wouters van 6 augustus 2003 bevat onder andere de volgende passages:

Betrokkene heeft de praktijkuitoefening niet meer opgepakt. Een keer per 2 à 3 weken is hij nog een keer op de polikliniek. Een keer per 2 weken komt de officemanager om een aantal zaken door te spreken. De week voor mijn komst (betrokkene arriveerde op 16-07-2003 terug op Curacao na een week op Sint-Maarten te zijn geweest), heeft hij op St-Maarten enkele consultjes heeft gedaan. Betrokkene heeft een gepensioneerde orthopedisch chirurg, de Argentijn Majora, bijna een jaar als vervanger in dienst gehad. Toen is er een korte periode een Nederlandse orthopedisch chirurg geweest, en op dit moment is er weer de orthopedisch chirurg uit Argentinië. Als betrokkene een keer per 2 à 3 weken op de praktijk komt, ziet hij soms een selectie van 4 à 5 patiënten, en dan worden enkele foto's door hem beoordeeld. Tussendoor komt soms de orthopedisch chirurg Majora enkele foto's bij betrokkene thuis doorspreken. Een enkele keer komt hij op de operatiekamer, en staat dan naast de operatietafel, zelf opereert hij niet meer.

2.9.

Een brief van Wouters aan Movir van 4 februari 2004 naar aanleiding van een recent bezoek aan [gedaagde in conventie] luidt, voor van belang, als volgt:

Huidige medische situatie:

De bloedsuikerwaarden zijn niet goed. Betrokkene is moeilijk te regelen en heeft orale medicatie tegen zijn Diabetesklachten gekregen. Ondanks deze medicatie blijven zijn glucosewaarden te hoog.

Waarschijnlijk hangen zijn sterke stemmingswisselingen samen met de wisselingen van zijn bloedsuikerwaarden en de schommelingen daarin.

De sensibiliteit in het rechter been wordt minder, daarmee ook de functionaliteit. Betrokkene denkt dat dit te maken heeft met zijn Diabetes. Daarnaast meent hij dat de gevolgen van de Critical Illness Neuropathie tot de knie duidelijke nadelige consequenties hebben achtergelaten. In algemene zin geeft hij aan dat de verbeteringen van zijn lichamelijke toestand niet meer doorzetten. T.a.v. zijn rechterbeen is er zelfs de hier eerder beschreven teruggang in functionaliteit.

Betrokkene heeft vorig jaar een ongeval met zijn jeep gehad en heeft daarbij een schedelbasisfractuur opgelopen. Hij heeft daarvan draaiduizelingen overgehouden die zich vooral manifesteren indien hij moe is.

Staan en lopen blijft problematisch vanwege de stompproblemen van zijn rechterbovenbeen (zie mijn eerste rapportage) die niet zijn verbeterd en de sensibiliteitsproblemen van het rechterbeen waar dan nog de zo nu en dan optredende draaiduizelingen bij komen.

Huidige praktijksituatie en inbreng van betrokkene:

De inbreng van betrokkene in zijn eigen praktijk (verschillende locaties - zie vorige rapportage) is beperkt tot enkele korte momenten van overleg hetgeen vrijwel geen tijd in beslag neemt. Hij wordt wel eens geconsulteerd door andere specialisten maar dat geschiedt meestal per telefoon. Tijdens mijn circa 2 uur durende gesprek werd hij 2 maal gebeld, een maal door een verpleegkundige van een ziekenhuis op Curacao en eenmaal door een chirurg uit St. Maarten. Hoogst sporadisch kijkt hij een enkele keer mee naar een door een ander uitgevoerde operatie.

Betrokkene heeft nu fulltime een vervangende orthopedisch chirurg uit Colombia aangesteld die voor hem vervangt. De Argentijnse orthopedisch chirurg Maggiora (in mijn vorig rapport ten onrechte als Majora geschreven) werkt nu rustiger dat wil zeggen dat hij om de 2 a 3 weken 1 week komt om te werken om betrokkene te vervangen en deze man gaat na deze week weer weg.

Betrokkene worstelt met de vraag hoe hij de huidige praktijk voort kan zetten. In Orthoclinica werken veel mensen en het is een behoorlijk bedrijf met alle bedrijfsaspecten en risico's die daar bij passen. Voorheen had hij nog het gevoel iets van de oude werkzaamheden te kunnen oppakken maar dat gevoel is weg omdat hij steeds meer het idee krijgt dat dit niet meer gaat lukken. Hij speelt dan ook met de gedachte om de huidige praktijk van de hand te doen maar heeft daar nog geen definitief besluit over genomen. Hij vraagt zich ook af of hij het "hele gedoe" van het management van de eigen praktijk nog wel wil verzorgen. Door er vrijwel niet meet te zijn wordt de binding met de dagelijkse praktijk steeds minder.

[…]

Bespreking:

Betrokkene geeft aan dat zijn situatie niet vooruit is gegaan maar dat er zelfs sprake is van een achteruitgang. Zowel in lichamelijk als in psychisch opzicht geeft hij aan niet in goeden doen te zijn. In sociaal opzicht is er een slecht jaar geweest met veel overlijdensgevallen in de familie hetgeen ook een rol lijkt te spelen.

Betrokkene geeft aan te overwegen de praktijk van de hand te doen maar heeft daar nog geen feitelijke beslissing over genomen.

Met betrokkene sprak ik of dat hij:

- op zeer korte termijn de gevraagde financiële gegevens zal sturen;

- wekelijks de overgelegde lijsten ingevuld zal versturen.

2.10.

In verband met het uitblijven van nadere door [gedaagde in conventie] te verschaffen gegevens heeft Movir de uitkering vanaf april 2004 opgeschort.

2.11.

In november 2004 heeft [gedaagde in conventie] een dagboek aan Movir toegestuurd, waarin zijn dagbesteding is opgenomen in de periode van 21 januari 2004 tot 6 februari 2004.

2.12.

Partijen zijn vanaf november 2004 met elkaar in onderhandeling getreden over een finale regeling. In dat verband heeft Movir bij brief van 3 december 2004 het voorstel gedaan dat de uitkering met ingang van 1 april 2004 zou worden vastgesteld op 75% van het verzekerde bedrag tot de einddatum van de verzekering, waarbij Movir voorts zou afzien van het doen uitvoeren van nieuwe medische en/of arbeidskundige onderzoeken. De brief luidt overigens, voor zover van belang, als volgt:

Tijdens het gesprek op 25 november 2004 hebben wij afgesproken dat u uw (voorlopige) jaarcijfers zo spoedig mogelijk zou toezenden en dat wij de mogelijkheden van een definitieve regeling intern zouden bespreken. U gaf aan veel te voelen voor een definitieve regeling waarin alle werkzaamheden die u aangaf nog te verrichten uiteraard mochten worden meegenomen. Inmiddels hebben wij de zaak intern besproken en omdat wij de zaak in uw belang op korte termijn willen afronden willen wij de ontvangst van uw (voorlopige) jaarcijfers niet afwachten maar doen wij u hierbij het volgende voorstel.

2.13.

Bij brief van 24 juni 2005 heeft [gedaagde in conventie] aan Movir verzocht haar voorstel “te herwaarderen” en met een “meer aanvaardbaar” voorstel te komen.

2.14.

Een aanpassing van het voorstel van 3 december 2004 is besproken op 19 augustus 2005. Die aanpassing houdt in dat Movir in eerste instantie 75% zal uitkeren tot het moment waarop [gedaagde in conventie] zijn praktijk verkoopt en dat daarna de uitkering zal worden verhoogd tot 100%. In de in dit verband door Movir aan [gedaagde in conventie] gestuurde brief staat tevens dat binnen Movir de wens van [gedaagde in conventie] tot afkoop van de verzekering nader zal worden besproken. De brief vermeldt verder dat [gedaagde in conventie] zich “op zich prima” in het 75%-voorstel kan vinden, maar dat hij “het voorstel” vanwege het te lijden valutaverlies “minder interessant” vindt.

2.15.

Bij brief van 21 september 2005 heeft Movir het volgende voorstel aan [gedaagde in conventie] gedaan, weergegeven voor zover van belang:

Aansluitend op onze brief van 26 augustus 2005 berichten wij u als volgt.

Wij hebben uw afkoopverzoek inmiddels intern besproken. Zoals reeds besproken tijdens het gesprek bij Movir op kantoor op 19 augustus 2005 en in onze brief van 26 augustus 2005 koopt Movir in beginsel geen verzekeringen af omdat dat niet strookt met het karakter van de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Omdat u om u moverende redenen het uitdrukkelijk verzoek gedaan heeft om uw verzekering of te kopen is Movir bereid om u in dit kader een eenmalig en tevens ultiem aanbod te doen.

Movir biedt aan de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen per 1 januari 2006 of te kopen voor een bedrag van € 844,9214:-, zulks tegen finale kwijting en beëindiging van de verzekeringsovereenkomst onder polisnummer 10000012. Indien u akkoord gaat met het voornoemde afkoopbedrag per 1 januari; 2006, dan zal Movir voorts de uitkering over de periode van 1 april 2004 tot 1 januari 2006 ineens aan u overmaken. De hoogte van deze uitkering bedraagt € 202.215,--. In totaal zal er in dat geval een bedrag van € 1.047.136,-- aan u worden overgemaakt.

Over het aanbod van Movir kan niet worden onderhandeld. Zoals gezegd betreft het een eenmalig en tevens ultiem aanbod. Indien u het aanbod van Movir accepteert dan zullen wij de regeling vastleggen in een vaststellingsovereenkomst. Indien u het aanbod niet accepteert dan wordt het oorspronkelijke voorstel van Movir van kracht, inhoudende dat Movir u vanaf 1 april 2004 tot de datum dat u uw praktijk heeft verkocht uitkering verstrekt op basis van 75% van het verzekerd dagbedrag en met ingang van de datum praktijkverkoop op basis van 100%.

2.16.

Een door de gemachtigde van Movir opgestelde telefoonnotitie van een gesprek met [gedaagde in conventie] op 24 oktober 2006 luidt als volgt:

Verzekerde belt naar aanleiding van mijn rappellen inzake ons afkoopvoorstel. Geeft nogmaals aan dat hij in beginsel akkoord is met ons aanbod. Hij kan echter nog geen officieel akkoord geven. Zoals hij eerder vertelde is hij bezig met zijn verhuizing (die afkoop voor hem fiscaal aantrekkelijker moet maken) en met de verkoop van zijn praktijk. Alles wordt echter tegengehouden door de al 10 jaar lopende echtscheidingsprocedure waarin hij verwikkeld is. Daar is ook nog het beslag overheen gekomen. Uiteraard zou het hem beter uitkomen als de uitkering buiten de boedelscheiding valt, maar daar is nog geen uitspraak over. Over 2 weken overlegt hij met zijn advocaat. We spreken of dat hij mij over een week of drie opnieuw belt omdat hij dan wellicht meer weet. Daarna informeert hij mij periodiek over de voortgang.

2.17.

Op verzoek van [gedaagde in conventie] heeft Movir hem bij brief van 4 februari 2010 een overzicht toegestuurd van de uitkeringen die hij zou ontvangen conform het “oorspronkelijke voorstel”, dat wil zeggen het voorstel neergelegd in de brief van 26 augustus 2005. In de brief merkt Movir voorts het volgende op:

Voorts zijn wat Movir betreft de oorspronkelijke voorstellen nog steeds valide en alleen nog niet tot uitvoering gekomen als gevolg van omstandigheden aan uw zijde.

2.18.

In een artikel in de Amigoe van 27 februari 2010 staat onder meer de volgende uitspraak van [gedaagde in conventie] opgetekend:

Dat ik meer dan tachtig uur per week werk, is niet voor het geld maar eerder als psychotherapie voor mijzelf: als ik aan het eind van de dag mijn kunstbeen afzet en in de spiegel kijk, denk ik hé je mag er zijn kerel, je was nóg een dag behulpzaam voor anderen.

2.19.

Per mail van 1 november 2011 heeft [gedaagde in conventie] gevraagd om een overzicht van het opgebouwde bedrag, aan welk verzoek hij heeft toegevoegd:

zonder rekening te houden met het voorstel tot afkoop omdat deze overeenkomst nooit gesloten is en het voorstel al heel lang niet meer van toepassing is.

2.20.

Bij vonnis in kort geding van 11 mei 2012 heeft het gerecht afwijzend beslist op de vordering van [gedaagde in conventie] om Movir te veroordelen tot betaling van een voorschot op de verzekeringspenningen van € 300.000.

2.21.

In 2013 heeft Movir uitvoerig onderzoek laten doen naar de mate waarin De [gedaagde in conventie] na het ongeval nog als orthopeed actief is geweest. In dat verband heeft de arbeidsdeskundige Wouters tezamen met de advocaat van Movir gesproken met betrokkenen bij de verschillende ziekenhuizen waaraan [gedaagde in conventie] verbonden is (geweest) en met [gedaagde in conventie] zelf. In zijn rapport van 5 november 2013 heeft Wouters verslag gedaan van zijn onderzoek. De conclusies van het rapport luiden als volgt:

36. Movir verzocht mij in kaart te brengen of, en zo ja in hoeverre, betrokkene vanaf 26 december 2001 werkzaamheden heeft verricht (onder meer in welke periode, aard van de werkzaamheden, aantal uren per week en beloning).

37. Vast staat dat betrokkene vanaf 16 maart 2002 in toenemende mate zijn werkzaamheden als orthopedisch chirurg weer heeft opgepakt (zie punt 28). De mate waarin hij na het ongeval weer werkzaamheden heeft verricht, kan door mij niet met betrouwbaarheid worden geschat (zie punt 28.d). Duidelijk is wel dat de inzet van betrokkene na het ongeval substantieel van aard was (zie punt 28.e). Voor wat betreft de aard van de werkzaamheden staat vast dat betrokkene orthopedische operatieve ingrepen heeft uitgevoerd en ook poliklinische werkzaamheden heeft verricht, Over de beloning kan geen duidelijk beeld worden geschetst, omdat essentiële informatie hierover geheel of gedeeltelijk ontbreekt.

38. Opvallend is dat de door betrokkene tijdens de gesprekken op 16 juli 2003 en 21 januari 2004 aan mij verstrekte informatie over zijn werkzaamheden na het ongeval volledig afwijkt van de huidige onderzoekresultaten. Ik voel mij hierdoor bewust op het verkeerde been gezet.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

Movir vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, veroordeling van [gedaagde in conventie] tot betaling van € 360.451,54, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van De [gedaagde in conventie] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2. [

gedaagde in conventie] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Movir in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

3.3. [

gedaagde in conventie] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis,

I. primair voor recht te verklaren dat tussen eiser in reconventie en gedaagde in reconventie een vaststellingsovereenkomst tot stand is gebracht met de inhoud als weergegeven in de brief van gedaagde in reconventie van 3 december 2004, althans dat voornoemde overeenkomst op of omstreeks 1 november 2011 tot stand is gebracht doordat eiser in reconventie het door gedaagde in reconventie gedane afkoopvoorstel, als weergegeven in haar brief van 21 september 2005, heeft afgewezen;

II. subsidiair voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen eiser in reconventie en gedaagde in reconventie, krachtens welke overeenkomst eiser in reconventie medewerking heeft verleend aan het in opdracht van gedaagde in reconventie in 2013 uitgevoerde arbeidsdeskundige onderzoek, bij het te dezen te wijzen vonnis, vanwege misbruik van omstandigheden, te vernietigen;

III. meer subsidiair de hiervoor onder sub b. genoemde overeenkomst tussen eiser in reconventie en gedaagde in reconventie bij het te dezen te wijzen vonnis te ontbinden, als gevolg van de wanprestatie van gedaagde in reconventie, doordat zij in 2013, in strijd met de door haar jegens eiser in reconventie aangegane verplichting, een arbeidsdeskundig onderzoek heeft laten verrichten.

IV. gedaagde in reconventie te veroordelen:

Primair

a. aan eiser in reconventie te voldoen een totaalbedrag van € 2.024.851, 68 ter zake van de door gedaagde in reconventie tot en met 31 oktober 2015 verschuldigde hoofdsom ad € 1.422.657,75, het valutaverlies vanaf 1 april 2004 tot en met 21 oktober 2015 ad € 271.241,03 te vermeerderen met de koerswijziging van de euro ten aanzien van de Amerikaanse dollar vanaf 22 oktober 2015, en tot slot ter zake van de wettelijke rente tot en met 31 oktober 2015 ad € 330.952,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.024.851, 68, vanaf 1 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. aan eiser in reconventie verder maandelijks te voldoen 75% van het geldende daggeld ad € 480,-- (te vermeerderen met de indexering), zulks met ingang van 1 november 2015 tot en met 31 december 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (opeisbare) terrnijnen gerekend vanaf 1 november 2015 tot de dag der algehele voldoening;

c. tot vergoeding van de door eiser in reconventie als gevolg van de wanprestatie van gedaagde in reconventie overige, naast de wettelijke rente en het valutaverlies, geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen

volgens de wet;

Subsidiair

a. aan eiser in reconventie te voldoen een totaalbedrag van € 2.699.773,33 ter zake van de door gedaagde in reconventie tot en met 31 oktober 2015 verschuldigde hoofdsom ad € 1.896.877,--, het valutaverlies vanaf 1 april 2004 tot en met 21 oktober 2015 ad € 361.641,27 te vermeerderen met de koerswijziging van de euro ten aanzien van de Amerikaanse dollar vanaf 22 oktober 2015 (productie 87), en tot slot ter zake van de wettelijke rente tot en met 31 oktober 2015 ad € 441.255,06 (productie 88) te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.699.773,33 vanaf 1 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. aan eiser in reconventie verder maandelijks te voldoen het geldende daggeld ad € 480,-- (te vermeerderen met de indexering), zulks met ingang van

1 november 2015 tot en met 31 december 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (opeisbare) termijnen gerekend vanaf 1 november 2015 tot de dag der algehele voldoening;

c. tot vergoeding van de door eiser in reconventie als gevolg van de wanprestatie van gedaagde in reconventie overige, naast de wettelijke rente en het valutaverlies, geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

V. De door gedaagde in reconventie gelegde beslagen op te heffen, althans gedaagde in reconventie te bevelen binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van verbeurte aan eiser in reconventie van een dwangsom ad € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) per dag of gedeelte van een dag, dat gedaagde in reconventie dit bevel niet mocht nakomen.

VI. eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.4.

Movir voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde in conventie] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

De vordering van Movir is gebaseerd op de artikelen 6.5 en 7 van de polisvoorwaarden. In de visie van Movir heeft [gedaagde in conventie] gehandeld in strijd met zijn verplichting om alle voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de uitkeringen relevante informatie te verstrekken. De [gedaagde in conventie] heeft immers substantieel meer gewerkt dan volgde uit de informatie van Blanken (2.5 en 2.7) en de eerste twee gesprekken met Wouters (2.8 en 2.9). [gedaagde in conventie] heeft daarover ten onrechte gezwegen. Hij heeft dit gedaan met het opzet om Movir te misleiden en daarom is het recht op uitkering vervallen. Achteraf bezien bestond dus geen aanspraak op uitkering, zodat De [gedaagde in conventie] de al ontvangen uitkeringen als onverschuldigd dient terug te betalen. Een en ander betekent ook dat De [gedaagde in conventie] ten onrechte een premievrijstelling heeft genoten. Hij dient de premies over de desbetreffende jaren alsnog te voldoen, aldus Movir.

4.2. [

gedaagde in conventie] heeft zich in de eerste plaats verweerd met het betoog dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarvan deel uitmaakt de afspraak dat Movir geen nieuwe arbeidsdeskundige onderzoeken meer zou laten uitvoeren (2.12 en 2.14). [gedaagde in conventie] meent dat deze overeenkomst uiterlijk omstreeks 1 november 2011 tot stand is gekomen, omdat hij toen aan Movir een overzicht van de opgebouwde uitkeringen heeft gevraagd onder uitdrukkelijke verwerping van het later door Movir geboden alternatief tot afkoop (2.19). Uit de onder de feiten weergegeven correspondentie blijkt bovendien dat [gedaagde in conventie] al veel eerder in principe akkoord was met het voorstel van Movir, maar dat hij dit akkoord nog niet kon formaliseren in verband met de afwikkeling van zijn echtscheiding. Movir wist daarvan en was met deze aanhouding akkoord, aldus [gedaagde in conventie]. Movir heeft bestreden dat een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen.

4.3.

Een overeenkomst komt tot stand door en aanbod en de aanvaarding daarvan. De vraag of daarvan sprake is geweest moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en de betekenis die zij redelijkerwijs aan die verklaringen hebben kunnen geven. In dit verband zijn alle omstandigheden van het geval van belang, die steeds moeten worden gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

4.4.

Het gerecht beantwoordt de hier bedoelde vraag ontkennend. Ter toelichting overweegt het gerecht als volgt.

4.5.

Movir heeft op drie momenten een uitdrukkelijk aanbod aan [gedaagde in conventie] gedaan, te weten bij brieven van 3 december 2004 en 26 augustus 2005 (kort gezegd: vaststelling van de uitkering op in eerste instantie 75%) en bij brief van 21 september 2005 (kort gezegd: afkoop, gepresenteerd als alternatief voor het eerdere voorstel). Het in de brief van 3 december 2004 neergelegde voorstel heeft [gedaagde in conventie] afgewezen, namelijk bij brief van 24 juni 2005 (2.12). Het gerecht verwerpt in dit verband dus het standpunt van [gedaagde in conventie] dat hij dit voorstel niet heeft afgewezen, maar slechts heeft verzocht het voorstel te “herwaarderen”. Een dergelijk verzoek kan niet worden beschouwd als aanvaarding, zeker niet waar uit de brief zelf blijkt van inhoudelijke bezwaren tegen het voorstel. Het voorstel tot afkoop van de verzekering heeft [gedaagde in conventie] evenmin aanvaard, zo meent hij zelf met verwijzing naar zijn mail van 1 november 2011 (2.19).

4.6.

Van een aanvaarding door [gedaagde in conventie] van het 75%-voorstel, neergelegd in de brief van 26 augustus 2005, is naar het oordeel van het gerecht niet gebleken. Blijkens zijn toelichting ter zitting van 1 juni 2018, meent [gedaagde in conventie] dat hij dit voorstel al tijdens het gesprek van 19 augustus 2005 heeft aanvaard, maar hij heeft geen concrete feiten gesteld waaruit die akkoordverklaring kan worden afgeleid. De inhoud van de brief van 26 augustus 2005 wijst erop dat er nog geen akkoord was. De brief refereert immers aan de uitlating van [gedaagde in conventie] dat het voorstel voor hem “minder interessant” was, reden waarom Movir nog zal onderzoeken of zij met een afkoopvoorstel kan komen. Evenmin kan wilsovereenstemming worden afgeleid uit het feit dat Movir op verschillende momenten heeft verklaard dat het 75%-voorstel “van kracht” wordt (of woorden van gelijke strekking), als [gedaagde in conventie] het afkoopvoorstel niet aanvaardt. Die uitlatingen laten immers onverlet dat De [gedaagde in conventie] dat 75%-voorstel nog wel zal moeten aanvaarden of zich zo zou hebben moeten gedragen dat Movir daaruit redelijkerwijs zou hebben moeten afleiden dat hij met dat voorstel akkoord ging. Dergelijke gedragingen zijn er niet.

4.7. [

gedaagde in conventie] heeft tweemaal (in 2010 en 2011) gevraagd om een overzicht van de opgebouwde uitkeringen. Van die verzoeken kan redelijkerwijs niet worden gezegd dat Movir deze had moeten begrijpen als aanvaarding van dat voorstel, voor zover De [gedaagde in conventie] dat al zou hebben bedoeld te stellen. Gelet op het tijdsverloop en op de herhaalde verzoeken van Movir aan [gedaagde in conventie] om te laten weten of hij met een van de twee voorstellen akkoord ging, had naar het oordeel van het gerecht van hem verwacht mogen worden helder te zijn over het al dan niet akkoord gaan met een van de voorstellen. Nu hij die duidelijkheid niet heeft gegeven, is geen wilsovereenstemming tot stand gekomen.

4.8.

Het niet tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst betekent dat het Movir in beginsel vrij stond een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren. Het gerecht verwerpt in dit verband de opvatting van [gedaagde in conventie] dat de toezegging om geen nieuwe onderzoeken te doen ook los van een overeenkomst heeft te gelden. Uit de brief van 26 augustus 2005 moet worden afgeleid dat deze toezegging onderdeel is van het voorstel, dat dus niet is aanvaard. Voorts is op zichzelf niet bepalend dat Movir bij brief van 3 december 2004 aan [gedaagde in conventie] heeft laten weten alvast een voorstel tot het treffen van een minnelijke regeling te doen, hoewel [gedaagde in conventie] de toegezegde jaarcijfers nog niet had aangeleverd. Niet gezegd kan worden dat Movir aldus het recht heeft verspeeld om op een later moment alsnog nader onderzoek te doen.

4.9. [

gedaagde in conventie] heeft voorts als verweer gevoerd dat hij geen relevante informatie heeft verzwegen en niet het opzet heeft gehad om Movir te misleiden. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de door hem verstrekte informatie adequaat was. Ook heeft hij betoogd dat de gegevens waarop Movir haar standpunt baseert onbetrouwbaar zijn. Ten slotte meent hij dat hij is geschaad in zijn belang om zich te kunnen verweren, nu aan de wijze waarop Movir het onderzoek heeft verricht tal van gebreken kleven.

4.10.

Het gerecht oordeelt hieromtrent als volgt.

4.11.

In de eerste plaats is het gerecht van oordeel dat, om tot het oordeel te kunnen komen dat de aanspraak op uitkeringen is komen te vervallen, het opzettelijke verzwijgen van relevante informatie door [gedaagde in conventie] moet hebben plaatsgevonden in de periode tot uiterlijk 21 september 2005. Vanaf eind 2004 tot en met de brief van Movir van 21 september 2005 hebben partijen concreet onderhandeld over een minnelijke regeling, waarbij Movir een voorstel heeft gedaan dat mede inhield dat zou worden afgezien van nieuwe medische en/of arbeidsdeskundige onderzoeken. Dit onderdeel van het voorstel heeft [gedaagde in conventie] redelijkerwijs aldus mogen begrijpen dat informatie over zijn beperkingen en zijn arbeidsmogelijkheden niet meer behoefde te worden opgegeven indien het tot een overeenkomst zou komen.

4.12.

Weliswaar is een overeenkomst niet tot stand gekomen, maar Movir heeft de voorstellen gedurende een zeer lange periode – in elk geval tot en met 2010 – gestand gedaan. Bij brief van 4 februari 2010 heeft Movir uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de voorstellen nog altijd “valide” waren, zonder op enigerlei wijze het voorbehoud te maken dat actuele informatie omtrent de medische beperkingen en de arbeidsmogelijkheden moest worden verstrekt. Ook in de daaraan voorafgaande jaren heeft Movir nooit om dergelijke informatie gevraagd, terwijl zij in die periode [gedaagde in conventie] herhaaldelijk heeft herinnerd aan de voorstellen. In dit verband speelt een rol dat Movir op de hoogte was van de redenen waarom het zo lang duurde, namelijk de echtscheidingsperikelen van [gedaagde in conventie].

4.13.

In deze omstandigheden heeft [gedaagde in conventie] de opstelling van Movir redelijkerwijs zo mogen begrijpen dat voortgaande informatieverstrekking niet vereist was zolang de voorstellen nog op tafel lagen om al dan niet door [gedaagde in conventie] te worden geaccepteerd.

4.14.

In de periode tot 21 september 2005 heeft [gedaagde in conventie] de hierna samengevatte informatie verstrekt. Het gerecht gaat daarbij uit van de brief van Blanken van 19 november 2002 (2.5), het in 2.8 weergegeven concept-rapport van Wouters van 6 augustus 2003, van diens brief aan Movir van 4 februari 2004 (2.9) en van het door [gedaagde in conventie] aan Movir gestuurde dagboek (2.11). Het gerecht verwerpt de bezwaren van [gedaagde in conventie] tegen de twee genoemde stukken van Wouters, waartoe het gerecht als volgt overweegt.

4.15. [

gedaagde in conventie] heeft aangevoerd dat het rapport niet in detail met hem is besproken, althans niet voor wat betreft zijn activiteiten na het ongeval. Movir heeft in reactie daarop gewezen op de met de hand bijgeschreven correcties bij de concepttekst, waaruit volgens haar volgt dat het rapport wel degelijk met [gedaagde in conventie] is doorgenomen. [gedaagde in conventie] heeft dit desgevraagd bevestigd, maar hij heeft daaraan toegevoegd dat die aantekeningen slechts correcties van medische termen waren en geen betrekking hadden op zijn mogelijkheden na het ongeval. Daar gaat het echter niet om. Het gaat erom dat [gedaagde in conventie] de mogelijkheid heeft gehad in het tweede gesprek met Wouters de paragraaf over zijn activiteiten na het ongeval te corrigeren of aan te vullen en dat hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Daarom moet als vaststaand worden aangenomen dat die paragraaf een correcte weergave bevat van de verklaringen van [gedaagde in conventie] op dat punt. Met betrekking tot de brief van Wouters aan Movir van 4 februari 2004 heeft [gedaagde in conventie] onbetwist gesteld dat die brief niet mede aan hem is gestuurd. Dat is echter niet relevant. [gedaagde in conventie] heeft immers niet gesteld, ook niet op een daartoe strekkende herhaalde vraag ter zitting van 1 juni 2018, dat de brief van Wouters inhoudelijk onjuist is. Aldus moet als vaststaand worden aangenomen dat (ook) die brief een correcte weergave is van hetgeen [gedaagde in conventie] aan Wouters heeft verteld.

4.16. [

gedaagde in conventie] heeft via Blanken en Wouters, samengevat, de volgende informatie aan Movir verstrekt:

  • -

    met de prothesefitting gaat het zeer matig, [gedaagde in conventie] kampt met acceptatieproblematiek, het werken als orthopedisch chirurg heeft hij niet hervat (19 november 2002);

  • -

    [gedaagde in conventie] heeft de praktijkuitoefening niet opgepakt, een keer per twee à drie weken is hij op de polikliniek waarbij hij ongeveer vijf patiënten ziet en enkele foto’s door hem worden beoordeeld, op Sint Maarten heeft hij “enkele consultjes” gedaan, een enkele keer komt hij op de operatiekamer, maar zelf opereert hij niet meer (6 augustus 2003, met [gedaagde in conventie] doorgenomen op 21 januari 2004);

  • -

    de inbreng van [gedaagde in conventie] in de eigen praktijk is beperkt tot enkele momenten van overleg, hoogst sporadisch kijkt hij mee met een door een andere chirurg uitgevoerde operatie, af en toe wordt hij (meestal telefonisch) geconsulteerd door een andere specialist, zijn vervanger komt nu om de twee à drie weken gedurende één week werken, vanwege de afgenomen binding met zijn praktijk overweegt [gedaagde in conventie] deze te verkopen (4 februari 2004).

4.17.

In zijn dagboek over de periode van 23 januari 2004 tot en met 8 februari 2004 vermeldt [gedaagde in conventie] samengevat de volgende werkgerelateerde activiteiten:

  • -

    “een arthroscopie meegekeken” in SEHOS (24 januari);

  • -

    met een andere chirurg (Londoño) “meegedaan” bij een “total knee” in Taams (25 januari);

  • -

    twee telefoongesprekken kantoor (30 januari);

  • -

    telefoongesprek met Londoño (31 januari);

  • -

    telefoongesprek ziekenhuis (3 februari);

  • -

    zes telefoongesprekken kantoor en ziekenhuis (4 februari);

  • -

    “geholpen” in operatiekamer SEHOS (5 februari);

  • -

    telefonische instructies aan kantoor (6 februari);

  • -

    “onsteriel wat aanwijzingen gegeven” bij operatie van Londoño (7 februari).

4.18.

In het licht van deze door [gedaagde in conventie] verstrekte informatie is het gerecht van oordeel dat bij de huidige stand van zaken met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [gedaagde in conventie] in de onderhavige periode relevante informatie heeft verzwegen, laat staan dat hij dit gedaan zou hebben met het opzet om Movir te misleiden. Ter toelichting overweegt het gerecht hieromtrent als volgt.

4.19.

In de eerste plaats is van belang dat ook in de visie van Movir een substantieel deel van de door SEHOS, de Taams Kliniek, het Sint Maarten Medical Center (hierna: SMMC) en het ziekenhuis te Bonaire aangeleverde informatie niet zonder meer betrouwbaar is. Het betreft hier de gegevens met betrekking tot de feitelijke inzet van De [gedaagde in conventie] als opererend orthopeed. Gelet hierop kan naar het oordeel van het gerecht evenmin worden uitgegaan van de juistheid van de door SEHOS en Taams geleverde gegevens met betrekking tot de duur van de op naam van [gedaagde in conventie] gehuurde operatiekamers en de in de anesthesieverslagen vermelde namen van operateurs. Het gaat hier immers om gegevens van dezelfde orde als die waarvan Movir zelf heeft verklaard dat die niet betrouwbaar zijn en [gedaagde in conventie] heeft gemotiveerd aangevoerd dat dergelijke vermeldingen niets zeggen omtrent de vraag of het werkelijk [gedaagde in conventie] is geweest die heeft geopereerd of aanwezig is geweest (in welk verband hij spreekt van “geknoei” aan de zijde van de ziekenhuizen). Niet als vaststaand kan dus worden aangenomen dat [gedaagde in conventie] daadwerkelijk heeft geopereerd gedurende de uren dat op zijn naam de operatieruimte gehuurd is geweest.

4.20.

Ook de stellingen van Movir ter zake van (volgens haar) concreet door De [gedaagde in conventie] verrichte operaties in SEHOS zijn door [gedaagde in conventie] gemotiveerd betwist. Dat geldt bijvoorbeeld voor de volgens Movir door D [gedaagde in conventie] in maart 2002 verrichte operaties: [gedaagde in conventie] heeft verklaard dat hij destijds (dat wil zeggen nog geen drie maanden na het ongeval) nog een open wond had en daarom niet in de operatiekamer kon komen. Met betrekking tot het feit dat in operatieverslagen van SEHOS van september en december 2002 staat vermeld dat [gedaagde in conventie] als operateur heeft opgetreden, geldt dat [gedaagde in conventie], onderbouwd met stukken, heeft aangevoerd dat aan die verslagen geen betekenis gehecht kan worden omdat zij onbetrouwbaar zijn. Ook deze door Movir gestelde feiten kunnen dus niet als vaststaand worden aangenomen.

4.21.

Voor de concrete stellingen van Movir ter zake door [gedaagde in conventie] uitgevoerde operaties in de Taams Kliniek in de hier relevante periode geldt hetzelfde. Movir heeft gesteld dat [gedaagde in conventie] vanaf april 2003 maandelijks operaties in Taams deed, omdat hij in de desbetreffende medische dossiers als operateur vermeld is. De [gedaagde in conventie] heeft als verweer aangevoerd dat die dossiers op dit punt onbetrouwbaar zijn. Hij heeft dit onderbouwd met een voorbeeld uit 2006, toen hij in Bonaire was en in Buenos Aires, maar niettemin volgens de medische dossiers in Taams zou hebben geopereerd. [gedaagde in conventie] heeft deze stellingen onderbouwd met stukken, waaronder vliegtickets. Gelet op deze gemotiveerde betwisting staan de hier bedoelde stellingen van Movir niet vast. Dat het door [gedaagde in conventie] genoemde voorbeeld geen betrekking heeft op de hier relevante periode, acht het gerecht van ondergeschikt belang. In de eerste plaats omdat het hier een illustratie betreft van de gestelde onbetrouwbaarheid van de dossiers in Taams en in de tweede plaats omdat gelet op het tijdsverloop niet al te hoge eisen gesteld mogen worden aan de onderbouwing van het verweer.

4.22.

Movir heeft in het kader van haar onderzoek verklaringen afgenomen van diverse bij de verschillende ziekenhuizen betrokken personen, onder wie de managementleden van SMMC en mevrouw Saleh van Taams. Ook [gedaagde in conventie] heeft verklaringen in het geding gebracht, bijvoorbeeld van de medici die hem hebben vervangen of met wie hij heeft samengewerkt. Uit die verklaringen kan op zichzelf worden afgeleid dat [gedaagde in conventie] in de jaren na het ongeval in toenemende mate weer actief is geworden en dat in zoverre niet (langer) juist is dat hij “het werken als orthopedisch chirurg” niet meer heeft “hervat”, zoals namens hem op 19 november 2002 aan Movir is bericht.

4.23.

Daarmee is echter niet gegeven dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt. In de eerste plaats is van belang dat het hier gaat om een specifieke periode waarbinnen die onjuiste informatieverstrekking moet hebben plaatsgevonden en dat uit de verklaringen met onvoldoende precisie kan worden afgeleid dat de uit die verklaringen mogelijk af te leiden activiteiten van [gedaagde in conventie] als orthopeed specifiek op die periode betrekking hebben. In de tweede plaats is van belang dat ook uit de wel door [gedaagde in conventie] aan Movir verstrekte informatie moet worden afgeleid dat hij – toen al – tot op zekere hoogte weer actief was als orthopeed. Met name uit zijn dagboek blijkt immers dat hij heeft “meegedaan” en “geholpen” met operaties. Dit sluit aan bij bijvoorbeeld de verklaring van Saleh dat hij na het ongeval met assistentie werkte en bij de door [gedaagde in conventie] overgelegde verklaring van een van zijn waarnemers dat De [gedaagde in conventie] meedeed met een operatie. Dat [gedaagde in conventie] in het businessplan van SMMC voor 2003 wordt genoemd als de orthopeed die maandelijks langskomt, is evenmin noodzakelijkerwijs in tegenspraak met de informatie die De [gedaagde in conventie] aan Movir heeft gegeven. Uit die informatie volgt immers al dat hij weer actief was in Sint Maarten.

4.24.

De eigen verklaringen van [gedaagde in conventie], afgelegd in het kader van het onderzoek van Wouters, maken dit niet anders. [gedaagde in conventie] drukt zich in die verklaringen tamelijk wollig uit, met veel uitweidingen maar ook weinig precies in zijn antwoorden. [gedaagde in conventie] heeft in deze procedure, onderbouwd met een psychologisch rapport, onbetwist gesteld dat deze wijze van spreken samenhangt met zijn karakter. Wat daarvan zij, mede gelet op het aanzienlijke tijdsverloop tussen het afleggen van die verklaringen (2013) en de periode waarop die verklaringen betrekking hebben (2001-2005), bestaat aanleiding om terughoudend te zijn bij het gebruik van de verklaringen teneinde mede daaruit misleiding af te leiden.

4.25.

Het gerecht overweegt in dit verband nog het volgende. De bewoordingen die Wouters in zijn conceptrapport van 6 augustus 2003 en in zijn brief van 4 februari 2004 alsook de bewoordingen in het dagboek van [gedaagde in conventie] zijn weinig precies. In zijn rapportages omschrijft Wouters niet wat hij feitelijk met woorden als “hoogst sporadisch”, “meekijken” en “enkele consultjes” bedoelt. Ook blijkt uit die stukken niet dat Wouters om een verduidelijking aan [gedaagde in conventie] heeft gevraagd. Verder is niet zonder meer duidelijk wat [gedaagde in conventie] heeft bedoeld met de omschrijvingen in zijn dagboek als meekijken, meedoen en helpen. Eventuele onduidelijkheid omtrent de strekking van de gebruikte begrippen komt naar het oordeel van het gerecht voor risico van Movir. Dat geldt te meer nu Movir er zelf voor heeft gekozen nadere gegevensverstrekking door [gedaagde in conventie] niet af te wachten maar in plaats daarvan (bij brief van 3 december 2004) een voorstel te doen voor een minnelijke regeling. Een en ander is van belang voor zowel de vraag of [gedaagde in conventie] onjuiste informatie heeft verstrekt als voor de vraag of hierbij opzet in het spel was.

4.26.

Bij de huidige stand van zaken kan dus niet worden geoordeeld dat [gedaagde in conventie] onjuiste informatie heeft verstrekt of informatie heeft verzwegen met het opzet om Movir te misleiden. Movir heeft uitdrukkelijk bewijs aangeboden, onder andere door het horen van getuigen over de werkzaamheden van [gedaagde in conventie] na het ongeval. Zij behoort dus in beginsel te worden toegelaten tot bewijslevering. Het gerecht zal Movir eerst gelegenheid geven om een conclusie te nemen waarin zij zich kan uitlaten over de vraag of zij tot bewijslevering wil worden toegelaten en, zo ja, op welke wijze zij bewijs wil leveren, mede gelet op het tijdsverloop. Daarna kan [gedaagde in conventie] een antwoordconclusie nemen.

4.27.

Komt definitief vast te staan dat geen sprake is geweest van opzettelijke misleiding, dan stuiten alle vorderingen van Movir op dat oordeel af. Moet uiteindelijk geoordeeld worden dat wel sprake is geweest van opzettelijke misleiding, dan overweegt het gerecht voor dat geval alvast het volgende.

4.28.

De vordering tot terugbetaling van de gedane uitkeringen (€ 303.166) is gebaseerd op onverschuldigde betaling. Movir meent dat het recht van [gedaagde in conventie] op uitkering onder de verzekeringsovereenkomst met ingang van 18 maart 2002 is vervallen, zodat de vanaf die datum gedane uitkeringen moeten worden terugbetaald. Het gerecht wijst erop dat, ook als uiteindelijk geoordeeld zal worden dat [gedaagde in conventie] zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke misleiding, het antwoord op de vraag per wanneer de dekking is vervallen afhankelijk is van het moment waarop van die opzettelijke misleiding sprake is geweest. Denkbaar is dat dit moment niet reeds op 18 maart 2002 kan worden bepaald, zelfs niet als zou komen vast te staan dat [gedaagde in conventie] op die datum is betrokken geweest bij een operatie. Dit kan meebrengen dat de vordering tot terugbetaling van gedane uitkeringen geheel of grotendeels niet toewijsbaar zal blijken te zijn, ook al komt opzettelijke misleiding uiteindelijk vast te staan.

4.29.

De overige vorderingen (premiebetaling, vergoeding onderzoekskosten en wettelijke rente) zijn afhankelijk van het uiteindelijke oordeel over de opzettelijke misleiding.

4.30.

In afwachting van deze conclusiewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

In reconventie

4.31.

Na de comparitie heeft [gedaagde in conventie] zijn eis gewijzigd. Deze eiswijziging is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

4.32.

Onder I vordert [gedaagde in conventie] een verklaring voor recht dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Gelet op het overwogene in conventie is die vordering niet toewijsbaar.

4.33.

Onder II vordert [gedaagde in conventie] subsidiair een verklaring voor recht dat de overeenkomst op grond waarvan hij akkoord is gegaan met het uitvoeren van het tweede arbeidsdeskundige onderzoek in 2013 vernietigbaar is. Ook die vordering is gelet op het overwogene in conventie niet toewijsbaar. Evenmin toewijsbaar is de meer subsidiaire vordering onder III, strekkende tot ontbinding van die overeenkomst wegens wanprestatie van Movir. Waar het Movir vrij stond een arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren, kan immers van wanprestatie geen sprake zijn.

4.34.

Onder IV vordert [gedaagde in conventie] primair veroordeling van Movir tot betaling van een bedrag dat onder andere bestaat uit de uitkeringen, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 75%. Deze vordering is gebaseerd op de veronderstelling dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde in conventie] aanspraak had op uitkering op basis van genoemd percentage arbeidsongeschiktheid. Voor toewijzing van deze vordering bestaat geen grond, nu immers een dergelijke overeenkomst niet tot stand is gekomen.

4.35.

Subsidiair vordert [gedaagde in conventie] onder IV veroordeling van Movir tot betaling van de verzekeringspenningen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 100%. Voor de toewijsbaarheid van deze vordering is het oordeel omtrent de door Movir gestelde opzettelijke misleiding van [gedaagde in conventie] van belang. Komt die opzettelijke misleiding vast te staan, dan stuit de vordering daarop af. Het gerecht verwijst naar het overwogene in conventie. Voor het overige overweegt het gerecht als volgt.

4.36.

Movir heeft zich beroepen op verjaring van de vordering van [gedaagde in conventie]. Zij heeft gesteld dat de vordering opeisbaar is geworden op het moment van het ongeval (26 december 2001), dat [gedaagde in conventie] vervolgens enkele keren de verjaring heeft gestuit door aanspraak te maken op de uitkering, maar dat hij dit voor de laatste keer heeft gedaan bij brief van 24 juni 2005 (2.13) zodat de vordering op 25 juni 2008 is verjaard (artikel 7:942 BW). [gedaagde in conventie] heeft het beroep op verjaring verweerd.

4.37.

Het gerecht is van oordeel dat het debat over de verjaring nog met onvoldoende precisie is gevoerd. Met name is het nog onvoldoende duidelijk op grond waarvan Movir meent dat de vordering ten aanzien van de volledige uitkering onder de verzekeringsovereenkomst reeds op 26 december 2001 opeisbaar is geworden, en evenzo de stuitingsbrief van 24 juni 2005 betrekking had op de volledige uitkering over de gehele looptijd. Het betreft hier immers een aanspraak op een maandelijkse uitkering (artikel 8.1 van de polisvoorwaarden), hetgeen erop lijkt te wijzen dat elke afzonderlijke maandelijkse uitkering pas per de desbetreffende maand opeisbaar wordt in de zin van artikel 7:942 lid 1 BW, zodat ook pas per die maand de verjaring met betrekking tot die termijn gaat lopen. Omdat het aspect van het aanvangsmoment van de verjaring in het partijdebat nog niet voldoende aan de orde is geweest, krijgen partijen gelegenheid zich daarover bij conclusie na tussenvonnis uit te laten.

4.38.

Overigens moet met Movir worden voorop gesteld dat onderhandelingen als zodanig geen stuitende werking hebben. Wel kan een beroep op verjaring na een onderhandelingstraject afstuiten op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Nu [gedaagde in conventie] daarop een beroep heeft gedaan, zal het gerecht daarover te zijner tijd zo nodig beslissen.

4.39.

In dat verband wordt al wel vast overwogen dat, voor het antwoord op de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, alle omstandigheden van het geval relevant zijn. Die omstandigheden, voor zover zij vast staan, zijn de volgende:

  • -

    Movir heeft de uitkering geschorst omdat [gedaagde in conventie] geen nadere gegevens verstrekte.

  • -

    Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden over een minnelijke regeling, welk traject feitelijk heeft geduurd van november 2004 tot en met september 2005.

  • -

    In dat kader heeft Movir twee alternatieve voorstellen (het 75%-voorstel en het afkoopvoorstel) gepresenteerd, in verband waarmee zij zich alle rechten heeft voorbehouden.

  • -

    Daarna is er jarenlang feitelijk niets gebeurd, afgezien van herhaalde verzoeken van Movir aan [gedaagde in conventie] of hij al uitsluitsel kon geven. De reden van het tijdsverloop was gelegen in de echtscheidingsperikelen van [gedaagde in conventie]. Movir was daarvan op de hoogte.

  • -

    Bij brief van 4 februari 2010 heeft Movir op verzoek van [gedaagde in conventie] een berekening gestuurd op basis van het 75%-voorstel en daarbij opgemerkt dat de hiervoor genoemde voorstellen nog steeds “valide” waren.

  • -

    In november 2011 heeft [gedaagde in conventie] aanspraak gemaakt op uitkering, waarna Movir onder andere een beroep op verjaring heeft gedaan.

Verder heeft Movir in dit verband aangevoerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde in conventie] niet meer kan worden vastgesteld.

4.40.

Movir heeft zich meer subsidiair nog op het standpunt gesteld dat het recht op uitkering met ingang van 21 januari 2004 is vervallen, omdat [gedaagde in conventie] vanaf die datum onvoldoende medewerking heeft verleend om de mate van zijn arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Het gerecht verwerpt dat standpunt. Vastgesteld kan worden dat gedaagde in conventie] in de eerste jaren na het ongeval traag is geweest in het leveren van informatie, maar Movir heeft daar destijds kennelijk niet het gevolg aan willen verbinden dat het recht op uitkering was komen te vervallen. Integendeel, Movir heeft een voorstel voor een minnelijke regeling gedaan en daarbij uitdrukkelijk te kennen gegeven de nadere gegevens van [gedaagde in conventie] niet te willen afwachten. Vervolgens heeft Movir haar voorstellen jarenlang gestand gedaan, tot en met de expliciete mededeling in 2010 dat deze nog altijd “valide” zijn. Al die tijd heeft Movir niet verzocht om alsnog de benodigde gegevens of medewerking van [gedaagde in conventie] te krijgen. In deze omstandigheden komt Movir geen beroep toe op verval van de aanspraken van [gedaagde in conventie] om de reden dat hij vanaf 21 januari 2004 onvoldoende medewerking heeft gegeven.

4.41.

Komt uiteindelijk vast te staan dat geen sprake is geweest van opzettelijke misleiding en wordt het beroep van Movir op verjaring (geheel of gedeeltelijk) afgewezen, dan is daarmee gegeven dat [gedaagde in conventie] aanspraak heeft op een uitkering onder de verzekeringsovereenkomst. Die uitkering is in dat geval afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid van [gedaagde in conventie]. Onjuist is het (kennelijke) standpunt van [gedaagde in conventie] dat sowieso en voor de volledige uitkeringsperiode van volledige arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan. Partijen zullen te zijner tijd zo nodig in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de wijze waarop de mate van arbeidsongeschiktheid alsnog kan worden vastgesteld. Op voorhand wijst het gerecht erop dat, voor zover dit vanwege het tijdsverloop inmiddels problematisch zal blijken te zijn, die omstandigheid in beginsel voor risico van Movir behoort te komen.

4.42. [

gedaagde in conventie] vordert een bedrag van ruim € 361.000 ter zake van valutaverlies. [gedaagde in conventie] meent dat hij aanspraak heeft op compensatie van de daling van de euro ten opzichte van de dollar, nu de aanspraken jegens Movir in euro’s zijn gesteld. Het gerecht verwerpt dit betoog. De overeenkomst biedt voor een zodanige compensatie geen grondslag. Voor zover [gedaagde in conventie] zou hebben bedoeld dat het hier gaat om vergoeding van schade die hij lijdt als gevolg van vertraging in de uitbetaling van zijn uitkeringen, dan geldt dat voor dergelijke vertragingsschade slechts de wettelijke rente in aanmerking komt, zoals Movir terecht heeft betoogd. Dit deel van de vordering van [gedaagde in conventie] is dus sowieso niet toewijsbaar.

4.43.

Het oordeel omtrent de overige vorderingen van [gedaagde in conventie] houdt het gerecht aan tot na de conclusiewisseling. Ook alle overige beslissingen worden aangehouden.

Overigens in conventie en in reconventie

4.44.

Met het oog op het vervolgtraject vat het gerecht als volgt samen:

  • -

    Bij de huidige stand van zaken bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat [gedaagde in conventie] zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke misleiding.

  • -

    Om ter zake definitieve beslissingen te kunnen nemen is mogelijk nadere bewijslevering nodig. Movir kan zich daaromtrent uitlaten, waarna het gerecht met inachtneming van de reactie van [gedaagde in conventie] op dat punt een beslissing zal nemen.

  • -

    Ook als sprake is van opzettelijke misleiding, is de toewijsbaarheid van de vordering tot terugbetaling afhankelijk van het moment per wanneer die opzettelijke misleiding kan worden vastgesteld.

  • -

    Het debat over de verjaring van de vordering van [gedaagde in conventie] moet worden voortgezet, waarna ter zake een definitieve beslissing zal worden genomen.

  • -

    Indien [gedaagde in conventie] in beginsel aanspraak heeft op een uitkering, is de omvang daarvan afhankelijk van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid. Partijen zullen zich in een later stadium zo nodig moeten uitlaten over de wijze waarop die mate kan worden vastgesteld.

  • -

    Niet toewijsbaar is de vordering van [gedaagde in conventie] ter zake van valutacompensatie.

4.45.

Duidelijk is dat voorlopig nog geen eindvonnis gewezen zal kunnen worden. Mochten partijen in het voorgaande aanleiding zien alsnog met elkaar in overleg te treden om tot een minnelijke regeling te komen, dan zal het gerecht hen daartoe in de gelegenheid stellen en uitstel verlenen voor de te nemen conclusies. Partijen kunnen dit uitstel op de gebruikelijke wijze verzoeken.

5 De beslissing

Het gerecht

In conventie en in reconventie

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 20 augustus 2018 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van Movir als bedoeld in 4.26 en 4.37, waarna [gedaagde in conventie] een antwoordconclusie kan nemen;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.