Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:164

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-06-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
CUR201801685
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst, aansluiting water, eis in reconventie te laat bij rechter bekend geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISERES],

wonende te Curaçao,

eiseres,

in persoon,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te Curaçao,

gedaagde,

in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, binnengekomen op 31 mei 2018;

- de aanvullende producties van [eiseres];

- de mondelinge behandeling van 20 juni 2018.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot het appartement aan de [adres] [nummer b]. [eiseres] huurt deze ruimte van [gedaagde]. In het gehuurde oefent [eiseres] zijn psychologiepraktijk uit.

2.2. [

gedaagde] woont in het naastgelegen appartement op nummer [nummer a].

2.3.

De huurovereenkomst is niet op schrift gesteld.

2.4.

De aansluiting voor water en elektriciteit is tot op heden niet op naam gesteld van [eiseres].

2.5.

Begin 2018 heeft [gedaagde] de levering van water aan het door [eiseres] gehuurde appartement stopgezet.

2.6.

Op 3 april 2018 heeft [gedaagde] bij de huurcommissie een verzoek ingediend om de huurovereenkomst te mogen opzeggen. Op dit verzoek heeft de huurcommissie nog niet beslist.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert dat het gerecht, in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, (1) [gedaagde] beveelt om de waterlevering aan het gehuurde appartement aan te sluiten en aangesloten te houden totdat de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, (2) [gedaagde] in dit verband een dwangsom oplegt en (3) [gedaagde] veroordeeld tot betaling van NAf 112.773 ter zake van schadevergoeding.

3.2. [

gedaagde] heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de ingestelde vordering.

4.2.

Op de zitting is duidelijk geworden dat de verstandhouding tussen partijen ernstig is beschadigd. Partijen zijn het niet met elkaar eens over de oorzaken daarvan. Voor het oordeel in dit kort geding is het niet nodig dat het gerecht nader ingaat op die oorzaken. Zo nodig kan dit in de verdere procedure bij de huurcommissie of in een kort geding tot ontruiming aan de orde komen.

4.3.

Vast staat dat de huurovereenkomst op dit moment nog bestaat. Duidelijk is dat voor een normaal gebruik van een woon- of werkruimte stromend water vereist is. Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de kosten van het watergebruik door [eiseres] zullen moeten worden gedragen. Partijen zijn het er ook over eens dat het daarom het meest voor de hand ligt dat de aansluiting voor de waterlevering ook op naam van [eiseres] wordt gesteld. Zowel van [eiseres] als van [gedaagde] mag worden verwacht datgene te doen wat nodig is om de wateraansluiting daadwerkelijk op naam van [eiseres] geplaatst te krijgen. Dat [gedaagde] de huurovereenkomst het liefst zo snel mogelijk wil beëindigen, is daarvoor niet relevant. Zolang de huurovereenkomst bestaat, heeft [eiseres] er immers spoedeisend belang bij dat hij beschikt over stromend water.

4.4.

Om deze redenen zal [gedaagde] worden veroordeeld om al datgene te doen wat nodig is om de aansluiting voor de waterlevering op naam van [eiseres] te laten plaatsen.

4.5.

De eerste vordering van [eiseres] strekt verder dan zal worden toegewezen. [eiseres] wil dat [gedaagde] wordt bevolen om de wateraansluiting aan te sluiten en aangesloten te houden zolang de huurovereenkomst bestaat. Die vordering strekt echter te ver. Of de waterlevering kan worden gecontinueerd na heraansluiting hangt namelijk vooral af van de vraag of [eiseres] zijn rekeningen tijdig en volledig zal betalen. Dat ligt buiten de macht van [gedaagde].

4.6.

Het gerecht gaat er voorlopig vanuit dat de medewerking van [gedaagde] aan het oversluiten van de wateraansluiting op naam van [eiseres] moet inhouden dat [gedaagde] ofwel een machtiging in dat verband tekent ofwel samen met [eiseres] naar Aqualectra gaat om de overzetting te regelen. Omdat partijen het er niet helemaal over eens lijken te zijn wat precies moet gebeuren om de oversluiting te realiseren en bovendien voor een gezamenlijk bezoek aan Aqualectra de medewerking van [eiseres] nodig is, zal het gerecht op dit moment geen dwangsom opleggen. De verwachting bestaat dat een dwangsom alleen maar tot meer discussie aanleiding zal geven.

4.7.

Met zijn derde vordering wil [eiseres] een voorschot ontvangen op de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het handelen van [gedaagde]. Hij stelt dat het afsluiten van de watertoevoer ertoe heeft geleid dat hij zijn psychologiepraktijk niet goed kon uitoefenen, met als gevolg dat hij inkomen heeft gederfd. Hij verwijst naar een brief van zijn accountant, waarin deze – zonder onderbouwing of toelichting – de schade begroot op het gevorderde bedrag.

4.8.

Deze vordering zal worden afgewezen. Het gaat hier om een geldvordering. Een geldvordering kan in kort geding alleen maar worden toegewezen als de vordering voldoende ‘hard’ is. Ook moet rekening gehouden worden met het zogenaamde restitutierisico, dat wil zeggen dat het risico bestaat dat de schuldeiser (in dit geval [eiseres]) het ontvangen voorschot op de schadevergoeding niet zal kunnen terugbetalen als in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat hij geen recht had op schadevergoeding. Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat [eiseres] zijn vordering onvoldoende hard heeft gemaakt, terwijl bovendien niet kan worden uitgesloten dat er een wezenlijk restitutierisico bestaat.

4.9.

Na de behandeling ter zitting heeft het gerecht kennis genomen van een kennelijk al op 18 juni 2018 bij de griffie ingediend document genaamd “pleitnotities”. In dit document bevindt zich ook een eis in reconventie, strekkende tot ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] heeft aan dit stuk tijdens de zitting niet gerefereerd, niet toen bij het begin van de zitting de inhoud van het dossier is doorgenomen en ook niet toen uitdrukkelijk haar wens ter sprake is gekomen dat [eiseres] het appartement verlaat. In dat verband heeft [gedaagde] verklaard dat zij contact heeft gehad met een advocaat (mr. Maria; een brief aan haar van [eiseres] bevindt zich bij de stukken) over het beginnen van een ontruimingskortgeding, maar dat zij dit te lang vond duren en daarom een procedure bij de huurcommissie is begonnen. Ook in dit verband heeft [gedaagde] niet gesproken over het tevoren toegestuurde stuk. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] geen eis in reconventie heeft ingesteld.

4.10.

Ten overvloede overweegt het gerecht dat de eis in reconventie, gelet op de onderbouwing in voornoemd stuk en op het besprokene ter zitting, bij de huidige stand van zaken niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen. [gedaagde] spreekt in het stuk van “wangedrag” van [eiseres], maar zij heeft dat niet geconcretiseerd en voor zover ter zitting wel concrete gedragingen ter sprake zijn gekomen (zoals te late huurbetalingen) zijn die door [eiseres] betwist. Die feiten staan dus niet vast. Het ook in het stuk genoemde feit dat [gedaagde] jarenlang patiënt is geweest van [eiseres] kan in redelijkheid geen grond zijn om [eiseres] te bevelen tot ontruiming over te gaan.

4.11.

Beide partijen krijgen deels ongelijk. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

beveelt [gedaagde] om al datgene te doen dat nodig is om de aansluiting voor de waterlevering aan het gehuurde appartement op naam van [eiseres] te zetten;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar

uitgesproken op 27 juni 2018.