Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:160

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
CUR201802164
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Noodregeling verzekeraar Ennia. Tevens van toepassing op groepsvennootschappen, nu het verzekeringsbedrijf wordt uitgeoefend door alle verweersters gezamenlijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/128 met annotatie van W.P.M. Thijssen
JOR 2019/12 met annotatie van prof. dr. E.P.M. Joosen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

inzake het verzoek van:

CENTRALE BANK VAN CURAÇAO EN SINT MAARTEN,

gevestigd in Curaçao,

verzoekster, hierna ‘de Centrale Bank’,

gemachtigden: de advocaten mrs. S.M. Altena, K.D. Keizer en S.N.I. Francisco,

tot het uitspreken van de noodregeling ten aanzien van:

1 ENNIA Caribe Leven N.V.,

2. ENNIA Caribe Schade N.V.,

3. ENNIA Caribe Zorg N.V.,

4. EC Investments B.V.,

5. ENNIA Caribe Holding N.V.,

alle gevestigd in Curaçao.

verweersters, hierna gezamenlijk ook ‘Ennia’,

gemachtigden: de advocaten mrs. C.H.M. Fiévez en G.P. Roth.

1 Procesverloop

De Centrale Bank heeft op 3 juli 2018 een verzoekschrift ingediend tot het uitspreken van de noodregeling als bedoeld in artikel 60 Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf (hierna: LTV). Ennia is bij deurwaardersexploten van heden, 10.30 uur, opgeroepen voor de behandeling van het verzoek. Het verzoek is heden om 14.15 uur in het openbaar behandeld. Namens de Centrale Bank zijn verschenen haar advocaten, alsmede de heren [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Namens Ennia zijn haar advocaten verschenen, alsmede de heren [naam 5], [naam 6] en [naam 7].

2 Het verzoek

De Centrale Bank verzoekt het Gerecht:

- de noodregeling als bedoeld in artikel 60 LTV uit te spreken ten aanzien van ieder van verweersters;

- de Centrale Bank te machtigen conform het bepaald in artikel 60 lid 2 LTV ten aanzien van al de onder de noodregeling geplaatste vennootschappen; en,

- het bedrag van de kosten van de noodregeling voorlopig vast te stellen op NAf 500.000.

3 De beoordeling

3.1

Verweersters sub 1, 2 en 3 zijn in Curaçao gevestigde verzekeraars in de zin van de LTV en staan onder toezicht van de Centrale Bank.

3.2

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de Centrale Bank de vergunningen van verweersters 1, 2 en 3 ingetrokken, welk besluit diezelfde dag bij deurwaardersexploot aan hen is betekend. Op een hedenmorgen door verweersters 1, 2 en 3 ingediend bestuursrechtelijk verzoek de intrekking bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, is door dit Gerecht afwijzend beslist.

3.3

De Centrale Bank verzoekt thans de noodregeling uit te spreken ten aanzien van Ennia. Ennia heeft verweer gevoerd.

3.4

Artikel 60 lid 1 LTV (zoals gewijzigd in de Landsverordening PB 2015 nr. 67, Landsverordening actualisering en harmonisatie toezichtlandsverordeningen Centrale Bank van Curacao en Sint Maarten (http://www.centralbank.cw/uploads/files/67.%20Lv.%20actualisering%20en%20harmonisering%20toezichtslandsverordeningen%20CBCS%282%29.pdf)) luidt:

Wanneer het belang der gezamenlijke schuldeisers van de verzekeraar, wiens vergunning is ingetrokken een bijzondere voorziening vordert, kan het Gerecht, op verzoek van de Bank de noodregeling uitspreken.

3.5

Volgens de Centrale Bank heeft Ennia een ernstig solvabiliteitstekort dat alleen maar verder verslechtert. Volgens Ennia rechtvaardigt alleen al dit feit het uitspreken van de noodregeling. Daarnaast speelt volgens de Centrale Bank:

(i) dat de beleidsbepalers van verweersters 1, 2 en 3 en de uiteindelijke aandeelhouder de heer H. Ansary (verder: Ansary) de aanwijzingen van de Centrale Bank en de stille curatoren niet opvolgen;

(ii) dat de activa die toebehoren aan Ennia via verweersters 4 en 5 aan het toezicht van de Centrale Bank worden onttrokken, en

(iii) dat is gepoogd 100 miljoen USD te onttrekken aan de effectenrekening van verweerster 4 bij Merrill Lynch in New York de vrees rechtvaardigen dat die activa buiten Ennia worden gebracht.

Deze omstandigheden dragen volgens de Centrale Bank verder bij aan de noodzaak om de noodregeling uit te spreken.

3.6

Ennia heeft in de eerste plaats opgemerkt dat de intrekking van de vergunningen van verweersters 1, 2 en 3 niet zonder meer meebrengt dat zij hun verzekeringsbedrijf niet meer kunnen uitoefenen. Deze opmerking, wat daar verder van zij, laat onverlet dat ingevolge artikel 60 lid 7 LTV een door de verzekeraar tegen de intrekking van een vergunning ingesteld bezwaar of beroep de behandeling van het verzoek tot het uitspreken van de noodregeling niet schorst.

3.7

De door de Centrale Bank ter onderbouwing van haar verzoek aangedragen omstandigheden zijn aannemelijk geworden en vergen naar het oordeel van het Gerecht dat, ter waarborging van de belangen van de schuldeisers (onder wie de verzekerden) van Ennia, de noodregeling wordt uitgesproken. Voor zover door Ennia ter zitting om aanhouding van de beslissing is verzocht, wordt dit afgewezen.

3.8

Alle verweersters behoren tot dezelfde groep, met verweersters 1, 2, 3 en 4 als dochtervennootschappen van verweerster 5. Als niet-weersproken staat vast dat de zeggenschap in alle verweersters uiteindelijk via Parman International B.V. gelegen is bij groot-aandeelhouder Ansary. Bij het verzoekschrift is het volgende organisatieschema gevoegd van de groep waartoe Ennia behoort:

3.9

De Centrale Bank verzoekt dat de noodregeling zich niet zal beperken tot de rechtspersonen aan wie de vergunning onder de LTV was verstrekt (verweersters sub 1, 2 en 3, dus Ennia Caribe Leven, Ennia Caribe Schade en Ennia Caribe Zorg ), maar zich ook zal uitstrekken over verweerster 4 (dus EC Investments) en verweerster 5 (dus Ennia Caribe Holding). Ennia verzet zich hier tegen en stelt dat het Gerecht en de Centrale Bank voor wat betreft de LTV geen bevoegdheden toekomen met betrekking tot die twee vennootschappen.

3.10

Het Gerecht zal de noodregeling ook ten aanzien van verweersters 4 en 5 uitspreken. Aannemelijk is geworden dat het verzekeringsbedrijf van Ennia wordt uitgeoefend door alle verweersters gezamenlijk, waarbij verweerster sub 4 fungeert als een entiteit waarin de onderliggende activa (goeddeels afkomstig uit door verzekeringnemers afgedragen premies) zijn ondergebracht, en waarbij verweerster sub 4 en 5 zich bezighouden met het beheer van de gelden en activa ten behoeve van de verzekeringnemers, verzekerden of andere gerechtigden op uitkeringen. Onbetwist is dat de activa van verweersters 1, 2 en 3 voor 82% bestaan uit leningen aan en vorderingen op gelieerde entiteiten, welke leningen en vorderingen in totaal circa NAf 1,5 miljard bedragen. De Centrale Bank heeft aangevoerd dat zij met de noodregeling primair tot een herstructurering wil komen, om daarmee de solvabiliteit van Ennia te herstellen. Dat is volgens de Centrale Bank slechts mogelijk indien de Centrale Bank in de positie wordt gebracht dat zij de thans bestaande constructie van middellijk beleggen ongedaan kan maken en kan beschikken over de onderliggende activa van het verzekeringsbedrijf. Aannemelijk is geworden dat een noodregeling zonder verweersters 4 en 5, de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van Ennia niet of nauwelijks zal kunnen dienen. Het belang van de schuldeisers van Ennia en het maatschappelijk belang (onbetwist is aangevoerd dat Ennia goed is voor 50% van de totale verzekeringsmarkt in Curacao en Sint Maarten en voor 80% van de pensioenmarkt van Curacao) vorderen dat de noodregeling ook ten aanzien van verweersters 4 en 5 wordt uitgesproken. In dat verband wordt verwezen naar HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1925, NJ 1996, 653 en 24 juni 2005 ECLI:NL:PHR:2005:AT6005).

3.11

Artikel 60 lid 2 LTV luidt:

Bij het uitspreken van de noodregeling machtigt het Gerecht de Bank tot:

a. vereffening van het geheel of van een gedeelte van de portefeuille van de verzekeraar;

b. overdracht van alle of van een deel van zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens overeenkomsten van verzekering: of

c. herstructurering van het bedrijf van de verzekeraar.

Zolang de Bank nog niet is gebleken dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, strekt de machtiging mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar.

3.12

Het op dit artikellid gebaseerde verzoek van de Centrale Bank tot machtiging is dan ook toewijsbaar.

3.13

Ingevolge artikel 69 LTV stelt het Gerecht het bedrag vast van de kosten van de noodregeling en komen deze kosten ten laste van de verzekeraar. De Centrale Bank verzoekt de kosten voorlopig vast te stellen op NAf 500.000.

3.14

Het Gerecht zal het voorschot op de kosten voorlopig vaststellen op NAf 100.000. Het Gerecht verwijst voorts naar het e-mailbericht van de rechter-commissaris in faillissementen aan de Centrale Bank van 19 juli 2016 over de verantwoording en vaststelling van kosten bij noodregelingen (onder de LTBK, maar voor de LTV geldt hetzelfde):

“Zoals u weet is de rol van de rechter te Curaçao bij noodregelingen zeer beperkt. De rechter beslist op het verzoek tot toepassing van de noodregeling, maar komt vervolgens nog slechts in beeld voor de vaststelling van de kosten. Anders dan in Nederland, kent onze wet geen toezicht door en verslaglegging aan een rechter-commissaris. Het toezicht is geheel toevertrouwd aan de Centrale Bank, met een uitzondering dus voor de kosten.

(…)

In alle dossiers worstelen de RC's met het feit dat zij zonder zicht op de uitvoering van de noodregeling invulling moeten geven aan hun wettelijke taak de kosten (marginaal) te toetsen. Ik verwijs in het bijzonder naar de aangehechte brief van RC mr. Hoppers van 5 augustus 2003.

Ik zou willen voorstellen dat in het vervolg bij verzoeken ex art. 35 LTBK ten behoeve van de RC een informatief verslag wordt bijgevoegd, vergelijkbaar met de openbare verslagen zoals curatoren in faillissementen die gewoon zijn in te dienen. Dit zoveel mogelijk met inachtneming van de Faillissementsrichtlijnen 2012 en de daarbij gevoegde modellen, te vinden op de website van het Hof: (…)

Voor de cijfermatige onderbouwing van verzoeken om kostenvaststelling zou voorts standaard op zijn minst een overzicht moeten worden bijgevoegd van de betaalde facturen van externe deskundigen, met vermelding van de namen van de betrokkenen, de basis waarop wordt gedeclareerd (uur/dag), het afgesproken tarief en de aard van de werkzaamheden, alsmede een overzicht van de interne kosten van de Centrale Bank (door wie, wat, wanneer, hoeveel tijd, hoe berekend).

En uiteraard dient na vaststelling van een voorschot (…) steeds een afrekening te volgen.”

3.15

Bepaald zal worden dat de Centrale Bank een eventueel nader verzoek om vaststelling van kosten vergezeld dient te laten gaan van een verslag en overzichten als hier bedoeld.

4 Beslissing


Het Gerecht:

4.1

spreekt uit de noodregeling als bedoeld in artikel 60 LTV ten aanzien van ieder van verweersters;

4.2

machtigt de Centrale Bank conform het bepaald in artikel 60 lid 2 LTV ten aanzien van al de onder de noodregeling geplaatste verweersters;

4.3

stelt het bedrag van de kosten van de noodregeling, ingevolge artikel 69 LTV, voorlopig vast op NAf 100.000 en bepaalt dat de Centrale Bank een eventueel nader verzoek om vaststelling van kosten vergezeld dient te laten gaan van een verslag en overzichten als hiervoor onder 3.14 en 3.15 bedoeld.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier mr. A.B. Bennett.