Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:123

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
CUR201801048
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet, vertrouwelijke bedrijfsgegevens in handen van werknemer, schuld aan worstelpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURACAO

BESCHIKKING

[VERZOEKSTER],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. X.C.G. Bakhuis,

tegen

de besloten vennootschap

OPRA PROMO PROS B.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mr. S.A. Hortencia,

Partijen zullen hierna [verzoekster] en OPP genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    het verzoekschrift met producties van 10 april 2018;

  • -

    de aanvullende producties van [verzoekster];

  • -

    de producties van OPP;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek;

  • -

    de behandeling ter zitting van 10 april 2018;

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

verzoekster] is op 1 april 2016 in dienst getreden van OPP. Laatstelijk was zij werkzaam in de functie van productontwikkelaar tegen een bruto maandsalaris van NAf 2.150.

2.2.

Op 6 november 2017 heeft OPP bij de directeur van SOAW een ontslagvergunning aangevraagd met betrekking tot [verzoekster] in verband met bedrijfseconomische omstandigheden.

2.3.

Op 22 november 2017, op een moment dat SOAW nog niet op de vergunningaanvraag had beslist, heeft zich een incident voorgedaan. Op die dag heeft de directeur van OPP documenten bij de printer gezien die in haar ogen vertrouwelijke gegevens bevatten met betrekking tot de situatie van de onderneming. Desgevraagd heeft [verzoekster] bevestigd dat zij die documenten had geprint. Op de werkkamer van [verzoekster] is vervolgens een duw- en trekpartij ontstaan, waar ook de vader van de directeur – tevens in dienst van OPP als bode – bij betrokken is geraakt. Daarbij is [verzoekster] door de vader van de directeur in het gezicht geraakt en is de computer van [verzoekster] op de grond gevallen en kapot gegaan.

2.4.

Bij brief van 28 november 2017 heeft OPP [verzoekster] op staande voet ontslagen. In deze brief wordt gerefereerd aan het feit dat [verzoekster] beschikte over vertrouwelijke financiële gegevens van de onderneming, mede gelet op de omstandigheid dat [verzoekster] in maart 2017 al een waarschuwing had gekregen met betrekking tot inzage van vertrouwelijke documenten, alsmede het feit dat [verzoekster] de directeur bij het handgemeen op 22 november 2017 heeft mishandeld en de computer heeft vernield.

2.5.

Bij brief van 1 december 2017 heeft [verzoekster] OPP gesommeerd om haar in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te hervatten onder doorbetaling van haar salaris. [verzoekster] heeft in die brief aangevoerd dat in haar ogen het gegeven ontslag op staande voet nietig is.

3 Het geschil

3.1. [

verzoekster] verzoekt, samengevat, dat het gerecht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    [verzoekster] toestemming geeft om kosteloos te procederen;

  • -

    OPP veroordeelt tot betaling van de opzegtermijn, van het achterstallig loon, van niet genoten vakantiedagen en van de ingehouden schadevergoeding voor de computer;

  • -

    OPP veroordeelt tot doorbetaling van het salaris totdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden;

  • -

    OPP veroordeelt de in de proceskosten.

3.2.

OPP voert gemotiveerd verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

3.3.

OPP verzoekt dat het gerecht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst ontbindt voor zover die nog bestaat, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Volgens vaste rechtspraak moet de rechter bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een ontslag op staande voet de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang beschouwd, in aanmerking nemen. Het gaat daarbij om de aard en ernst van de dringende reden die de werkgever aanleiding tot het ontslag gaf en om de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Stelplicht en bewijslast rusten bij de werkgever.

4.2.

Naar het oordeel van het gerecht is geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Ter toelichting overweegt het gerecht als volgt.

4.3.

De directe aanleiding voor het in 2.3 beschreven incident lijkt te zijn de constatering van de directeur dat [verzoekster] stukken had geprint die in de ogen van de directeur bedrijfsvertrouwelijk waren. [verzoekster] heeft gesteld dat het stukken betrof die zij van SOAW toegestuurd had gekregen, tegelijk met de repliek van de OPP in het kader van de ontslagvergunningsprocedure. Het betreft de door de OPP aan SOAW toegestuurde bijlagen bij die repliek, aldus [verzoekster]. In de onderhavige procedure is niet komen vast te staan hoe de stukken bij [verzoekster] terecht zijn gekomen. Naar het oordeel van het gerecht kan dat echter in het midden blijven. Ook als juist is dat [verzoekster] niet op correcte wijze aan die stukken zou zijn gekomen, dan nog had OPP dit niet zonder meer ten grondslag mogen leggen aan het ontslag op staande voet. Vast staat dat het stukken betreft die betrekking hebben op de bedrijfseconomische situatie van OPP en dus mede van belang zijn voor de beoordeling van het ontslagverzoek dat door OPP bij SOAW was ingediend. Vast staat ook dat aan [verzoekster] nog gelegenheid was geboden om haar zienswijze bij SOAW in te dienen. In beginsel vergt het gerechtvaardigd belang van [verzoekster] bij behoud van haar arbeidsovereenkomst dat zij in dat kader de beschikking heeft over de gegevens die de OPP aan het ontslagverzoek ten grondslag heeft gelegd. Dit zou wellicht anders zijn als de stukken dermate bijzonder van inhoud zijn dat zij (toch) niet bij [verzoekster] bekend mogen worden. Dat is echter niet gesteld en kan uit de door [verzoekster] in het geding gebrachte stukken ook niet worden afgeleid. Al met al valt dus niet in te zien om welke reden aan het bezit van die stukken zo zwaar getild zou moeten worden dat mede daarin een dringende reden voor ontslag op staande voet is gelegen.

4.4.

Verder is voor de beoordeling van het ontslag op staande voet van belang de verdere gang van zaken na de ontdekking van de stukken. Het komt erop neer dat er tussen de directeur en [verzoekster] een handgemeen is ontstaan, omdat de directeur [verzoekster] wilde verhinderen haar computer af te sluiten, met welk handgemeen ook de bode tevens vader van de directeur zich heeft bemoeid. Naar het oordeel van het gerecht rechtvaardigen ook deze gebeurtenissen geen ontslag op staande voet. Zonder twijfel valt het te betreuren dat op het desbetreffende moment de emoties kennelijk zo hoog opliepen dat er een worsteling is ontstaan, maar dit valt aan beide partijen toe te rekenen. [verzoekster] had de directeur niet moeten verhinderen op haar computer te kijken – het betreft immers de werk-PC en de directeur is haar leidinggevende – maar de directeur had het niet zover moeten laten escaleren, waarbij aan OPP valt toe te rekenen dat een derde, die ook nog eens de vader van directeur is, zich met de worsteling ging bemoeien.

4.5.

Een en ander moet leiden tot de slotsom dat OPP niet bevoegd was om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] zonder toestemming van SOAW te beëindigen. Het ontslag op staande voet is dus nietig. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst is blijven voortduren en dat OPP verplicht is het salaris vanaf 22 november 2017 door te betalen. Daartoe zal OPP worden veroordeeld. Aan veroordeling van OPP tot betaling van een opzegtermijn, vakantiegeld en vakantiedagen komt het gerecht niet toe, nu immers de arbeidsovereenkomst nog bestaat. In haar verzoekschrift spreekt [verzoekster] van de vertragingsrente in de zin van artikel 7A:1614q BW, maar zij heeft daaraan geen vordering verbonden. Bij de veroordeling van OPP blijft die vertragingsrente dan ook buiten beschouwing.

4.6.

In haar vordering heeft [verzoekster] tevens verwerkt het bedrag van NAf 500 dat OPP kennelijk op het salaris van [verzoekster] in mindering heeft gebracht in verband met de schade aan de computer. OPP heeft dat niet betwist, zodat dit vast staat. Uit het verzoekschrift moet worden afgeleid dat [verzoekster] zich op het standpunt stelt dat OPP dit bedrag ten onrechte bij [verzoekster] in rekening heeft gebracht. Dit standpunt is juist. Schade door de werknemer toegebracht aan eigendommen van de werkgever komt slechts dan voor rekening van de werknemer indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7A:1615da BW). Daarvan is geen sprake. Uit het feit dat de computer is beschadigd geraakt bij de worsteling van [verzoekster] met de directeur van OPP kan geen opzet of bewuste roekeloosheid worden afgeleid. OPP behoort die schade dan ook zelf te dragen. Dit zal in het dictum worden opgenomen.

4.7.

Gelet op het oordeel omtrent de geldigheid van het ontslag op staande voet, heeft OPP belang bij haar voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Hieromtrent overweegt het gerecht als volgt.

4.8.

Van een dringende reden die grond is voor ontbinding is geen sprake. Het gerecht verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor is overwogen.

4.9.

Wel is sprake van gewijzigde omstandigheden die moeten leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De gebeurtenissen op 22 november 2017 hebben er onmiskenbaar toe geleid dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat een vruchtbare voortzetting van de samenwerking niet meer denkbaar is. Dit rechtvaardigt dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, voor zover vereist.

4.10.

Het gerecht is van oordeel dat beide partijen een verwijt kan worden gemaakt van de verstoring van de arbeidsrelatie. Het gerecht verwijst naar het overwogene in 4.3 en 4.4. Voor wat betreft de vraag of aan [verzoekster] een vergoeding moet worden toegekend, is met name van belang dat zij geen goede reden kunnen geven voor het feit dat zij niet direct duidelijkheid heeft gegeven op de vraag van de directeur waar zij de desbetreffende documenten vandaan had. Dat aldus het wantrouwen van OPP is gewekt heeft [verzoekster] dus zelf over zich afgeroepen. Ook valt [verzoekster] te verwijten dat zij geen ruimte heeft gegeven aan haar directeur toen deze te kennen gaf de computer van [verzoekster] te willen zien. Gelet op deze omstandigheden en op het feit dat [verzoekster] inmiddels al geruime tijd haar werkzaamheden niet verricht terwijl zij wel aanspraak heeft op salaris, ziet het gerecht geen aanleiding om aan [verzoekster] nog een ontbindingsvergoeding toe te kennen.

4.11.

OPP heeft nog gesteld dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek ten aanzien van de directeur van [verzoekster]. Aan dit verweer komt het gerecht niet toe, nu uit het verzoekschrift niet kan worden afgeleid dat dit zich mede richt tegen de directeur. Onvoldoende is dat in het verzoekschrift wordt gesteld dat de directeur met OPP moet worden vereenzelvigd, wat die stelling ook zij.

4.12.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal OPP worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 50 aan in debet gesteld griffierecht en op NAf 1.000 aan salaris.

4.13.

De verzochte toestemming om kosteloos te procederen is voldoende onderbouwd en zal daarom worden verleend.

5 De beslissing

Het gerecht:

5.1.

verleent [verzoekster] toestemming om kosteloos te procederen;

5.2.

veroordeelt OPP tot betaling aan [verzoekster] van het overeengekomen salaris van NAf 2.150 bruto vanaf 22 november 2017 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

5.3.

verstaat dat de schade aan de computer van NAf 500 niet voor rekening van [verzoekster] komt;

5.4.

veroordeelt OPP in de proceskosten van [verzoekster], tot op heden begroot op NAf 1.000 aan salaris;

5.5.

veroordeelt OPP tot betaling van het in debet gestelde griffierecht van NAf 50 aan de griffier van dit gerecht;

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2018 voor zover deze niet eerder rechtsgeldig is geëindigd;

5.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.