Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:107

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
Cur 201601418 (voorheen AR 80552/2016)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kwijtschelding - verjaring - onduidelijke leen- en afbetaling constructie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP,

DIENST UITVOERING ONDERWIJS (DUO),

zetelend in Nederland,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,

--tegen--

[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna DUO en [gedaagde] genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift, met producties, op 6 oktober 2016 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord, genomen op 13 februari 2017;

- de conclusie van repliek, met producties, genomen op 28 augustus 2017;

- de conclusie van dupliek, genomen op 25 september 2017;

- de akte uitlating producties 23 oktober 2017.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De vordering en het verweer

2.1.

DUO vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot het betalen van € 13.702,86 (zijnde de hoofdsom ad € 9.788,06 aan achterstallige aflossingstermijnen, vermeerderd met rente tot en met 5 oktober 2016 en 15% incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.788,06 vanaf

6 oktober 2016, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

2.2.

DUO legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] het gevorderde bedrag op grond van de Wet op de Studiefinanciering 2000 verschuldigd is.

Leah LaBelle.

2.3. [

gedaagde] heeft de vordering ontkend en heeft betoogd dat – kort gezegd en naar het Gerecht begrijpt – de omvang van de schuld onvoldoende is onderbouwd en indien de schuld zou bestaan deze is verjaard, dan wel dient te worden kwijtgescholden.

2.4.

DUO heeft de verweren van [gedaagde] gemotiveerd bestreden.

2.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling van het geschil

3.1. [

gedaagde] heeft niet weersproken dat hij studiefinanciering heeft ontvangen en evenmin gesteld dat hij deze geheel heeft terugbetaald. Wel stelt hij maandelijks een bedrag van NAf 125,- op de schuld af te lossen. De schuld bestaat dus.

3.2. [

gedaagde] betwist de omvang van de gevorderde schuld. Het ontbreken van onderliggende stukken betreffende de genoten studiefinanciering (van de rechtsvoorganger van DUO) in de periode 1982 tot 1986 is, zonder nadere toelichting door [gedaagde], onvoldoende om de schuld te betwisten. In 2005 is [gedaagde] reeds geïnformeerd over het bestaan en de omvang van die schuld en waartegen [gedaagde] geen bezwaar heeft aangetekend. In diezelfde brief is [gedaagde] ook geïnformeerd over de lening die is opgebouwd vanaf oktober 1986 tot en met augustus 1989 (lening 1); alsmede over de ten onrechte c.q. te veel ontvangen studiefinanciering, welke schuld in 1996 is omgezet in een rentedragende lening (lening 2). Van beide leningen zijn onderliggende stukken overgelegd die het ontstaan en opeisbaarheid van de schuld onderbouwen. [gedaagde] had na de veelheid van (door DUO, maar ook door hem zelf overgelegde) bescheiden die het bestaan en de omvang van de schuld aantonen, bij conclusie van dupliek niet mogen volstaan met een niet onderbouwde ontkenning van de juistheid van die bescheiden.

3.3.

Voorts volgt uit de brief van 9 mei 2005 dat voor [gedaagde] sedert 1 februari 1996 een terugbetalingsverplichting jegens DUO geldt. In de onderhavige procedure vordert DUO de achterstallige aflossingstermijnen over de periode januari 2007 tot en met februari 2011. Uit de jaarlijkse Berichten Terugbetalen blijkt dat het maandelijks verschuldigde aflossingsbedrag dient ter aflossing van lening 1 en lening 2. Uit de aanmaningen volgt dat de aflossingstermijnen over de periode voornoemd, niet (tijdig) zijn voldaan. Het gevorderde bedrag wordt dus voor juist gehouden.

3.4.

Voor zover [gedaagde] de betrouwbaarheid van de verschillende betrokken rechtspersonen in twijfel trekt, merkt het Gerecht het volgende op. Het Gerecht verwijst naar de artikelen XX en XXI, lid 1, van de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank en wijziging diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Financiën van 2 november 2010, nr. 249000, houdende instelling van de baten-lastendienst Dienst Uitvoering Onderwijs “Instellingsbesluit baten-lastendienst Dienst Uitvoering Onderwijs”.

3.5.

Voornoemde wettelijke bepalingen regelen dat de Staat der Nederlanden de taken en bevoegdheden van de IBG heeft overgenomen en welke uitvoerende taken aan de Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn toegekend. Voorts is ook vastgesteld dat DUO in opdracht van deze Ministerie als baten-lastendienst, met onder andere als taak het innen van lesgelden- en studieschulden, onderwijswetten- en regelingen uitvoert. Dat DUO in haar aanmaningen niet refereert aan haar rechtsverhouding tot eerst IBG en nadien de Staat der Nederlanden of ter zake geen logo’s verwerkt op het briefpapier doet niet af aan de wettelijke bevoegdheid van de Staat der Nederlanden om studieschulden te innen. De stellingen van [gedaagde] worden derhalve verworpen.

3.6. [

gedaagde] baseert haar verjaringsverweer op het feit dat hij de aanmaningen niet zou hebben ontvangen. Volgens DUO heeft [gedaagde] de aanmaningen ontvangen en is de verjaring van de vordering rechtsgeldig gestuit.

3.7.

Artikel 3:307, lid 1, BW luidt als volgt:

“Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit de overeenkomst tot een geven of doen verjaard door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.”.

Artikel 3:317, lid 1, BW luidt:

“De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeisers zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.”.

3.8.

Met de schriftelijke aanmaning is bedoeld een aanmaning zoals geregeld in artikel 6:81 en 6:82 BW. Niet vereist is dat de aanmaningsbrieven aangetekend verzonden dienen te worden. Vereist is wel, ingevolge artikel 3:37 lid 3 BW, dat de tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Conform vaste jurisprudentie betekent dit dat DUO moet aantonen dat de aanmaningsbrieven naar het juiste adres zijn verzonden.

3.9.

Naar uit de overgelegde bescheiden blijkt, is [gedaagde] door DUO vanaf 22 januari 2008 tot en met 22 maart 2012 twee keer per jaar aangemaand tot betaling van de in dit geding gevorderde aflossingstermijnen. Deze aanmaningsbrieven zijn allemaal geadresseerd aan [adres]. Ook de incassogemachtigde van DUO heeft ten name van [gedaagde] op 24 juli 2012 een aanmaning en op 28 september 2012 en 21 juli 2016 een sommatie exploot aan dit adres verzonden. [gedaagde] heeft niet gesteld dat DUO de aanmaningsbrieven niet heeft verzonden. Ook heeft hij niet gesteld dat hij ten tijde van verzending van de aanmaningsbrieven en sommatie exploten niet aan dit adres woonachtig was. Vaststaat dat [gedaagde] na correct te zijn opgeroepen aan het adres [adres] in rechte is betrokken en ook is verschenen. Het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering wordt dus verworpen.

3.10.

Voor zover [gedaagde] heeft verwezen naar zijn maandelijkse aflossing van NAf 125,-, volgt uit het dossier dat hij er eerder op is gewezen dat het bedrag te laag is om tot een tijdige aflossing van de schuld te komen. Voorts geldt dat de reeds verrichte betalingen op de voet van art. 6:44 BW eerst achtereenvolgens op oudere verschuldigde aflossingstermijnen, kosten en vervallen renten in mindering gebracht dienen te worden.

3.11.

Een onvermogen tot betaling, zo daar al sprake van is, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg en is evenmin in strijd met de rechten van de mens. De toewijsbaarheid van de vordering heeft immers een wettelijke basis. Aan kwijtschelding van de schuld wordt daarom evenmin toegekomen. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een draagkrachtmeting aan te vragen, waarmee hij op die manier toekomstige terugbetalingsverplichtingen zou kunnen verlagen.

3.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het Gerecht van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] de schuld zoals is gevorderd nog verschuldigd is. Het Gerecht zal de vordering daarom toewijzen. De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke, zullen worden toegwezen, nu deze niet betwist zijn, op de wet gebaseerd zijn en deze het Gerecht niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.

3.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] veroordeeld worden in de aan de zijde van DUO gemaakte proceskosten. Deze worden als volgt begroot. Als gemachtigdensalaris zal een bedrag gelijk aan 2,5 punt van liquidatietarief 4 (NAf 1.000,-) worden toegekend en NAf 1.106,97 aan verschoten, waarvan NAf 339,47 aan oproepingskosten, NAf 750,- aan griffierechten en NAf 17,50 aan afroepingskosten.

4 De beslissing

Het Gerecht:

  • -

    veroordeelt [gedaagde] om aan DUO te betalen het bedrag van € 13.702,86, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlands-Antilliaanse courant tegen de, op de dag van betaling geldende koers, vermeerderd met de wettelijke rente over € 9.788,06 vanaf 6 oktober 2016 tot en met de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding aan de zijde van DUO tot aan deze uitspraak gevallen en begroot op NAf 2.500,- aan gemachtigdensalaris en NAf 1.106,97 aan verschotten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.