Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2018:10

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
19-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
CUR201601503 (AR 80422/2016)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Val op natte vloer kelderluikcriteria tegenbewijs betreffende waarschuwingsbord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,

tegen

de naamloze vennootschap

Rif Resort Hotel N.V.,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.M. Noordhoek.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Rif Hotel genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 26 september 2016 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de mondelinge behandeling op 3 oktober 2017 alwaar partijen en hun gemachtigden zijn verschenen en waar de gemachtigden onder meer aan de hand van pleitnota’s het woord hebben gevoerd (van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt).

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[Eiseres] heeft vanaf 2003 als masseuse gewerkt in het Curaçao Marriott Beach Resort and Emerald Casino dat door Rif Hotel werd geëxploiteerd. [Eiseres] werkte niet in dienstverband maar was als onafhankelijk ‘vendor’ werkzaam. Het hotel maakte afspraken met gasten voor massages en [eiseres] kreeg een percentage van het aan de gast in rekening gebrachte bedrag, eventueel aangevuld met een fooi.

2.2.

Op 9 maart 2012 is [eiseres] ten val gekomen toen zij onderweg was naar een gast/klant doordat zij uitgleed op de tegelvloer van een gang in het hotel, waaraan de fitnessruimte waar [eiseres] haar massages uitvoerde is gelegen. Op het moment dat [eiseres] viel stond de betreffende klant, [naam klant], op haar te wachten ter hoogte van de fitnessruimte.

2.3.

[Eiseres] viel op haar rechterschouder, waar zij sindsdien last van heeft. [eiseres] is door diverse medici onderzocht. Onder meer zijn er foto’s genomen en is een echo gemaakt van haar schouder. De conclusie van de echo is door dr. K.M. Schipper in zijn brief van 12 maart 2012 als volgt verwoord: preëistente bursitis subdeltoidea, thans getraumatiseerd. Partiële ruptuur van de musculus supraspinatus. [Eiseres] is doorverwezen naar een fysiotherapeut. Blanken, een door [eiseres] ingeschakelde revalidatie-arts, schrijft op 20 juni 2013 dat er sprake is van blijvende functionele invaliditeit van tussen de 4% en 6% van de gehele persoon en dat [eiseres] blijvend beperkt is ten aanzien van alle de rechterschouder belastende activiteiten. Op 9 september 2016 schrijft Blanken dat de blijvende functionele invaliditeit tussen de 7% en 9% bedraagt en dat er in de afgelopen tijd een toename is opgetreden in pijnklachten en bewegingsbeperking.

2.4.

Op 9 april 2012 is [eiseres] weer begonnen met het geven van massages. Dit heeft zij gedaan tot 8 september 2016. Op die datum sloot het hotel de deuren nadat het door Rif Hotel was verkocht.

2.5.

Nadat [eiseres] zelf per brief van 29 augustus 2012 Rif Hotel had aangeschreven over de val en daaruit voortvloeiende schade, heeft haar gemachtigde per brief van 13 november 2012 Rif Hotel aansprakelijk gesteld.

2.6.

Per brief van 7 december 2012 is namens Rif Hotel aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[Eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Rif Hotel tot betaling van NAf 236.500,-, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten van NAf 6.943,-, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten, waaronder beslagkosten.

3.2.

[Eiseres] legt aan de vordering, die hoofdzakelijk bestaat uit gederfde inkomsten, ten grondslag dat Rif Hotel jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd door het laten bestaan van een gevaarlijke situatie, die heeft geleid tot het ongeval.

3.3.

Rif Hotel heeft verweer gevoerd. Zij bestrijdt dat er sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. Voorts betwist zij dat [eiseres] schade zou hebben geleden. Volgens Rif Hotel ontbreekt er bovendien causaal verband en is er sprake van eigen schuld aan de zijde van [eiseres].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover in dit stadium van het partijdebat van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag is of Rif Hotel in het licht van de omstandigheden van het geval een situatie in het leven heeft geroepen die bij niet inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is. Bij de beoordeling van die vraag dienen de kelderluikcriteria in aanmerking te worden genomen: in hoeverre is niet inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk, hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn en in hoeverre is het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk. (zie HR 5 november 1965, NJ 1966, 136).

4.2.

[Eiseres] naar voren gebracht dat de vloer nat was, waardoor ze ten val kwam. Ze heeft verder toegelicht dat de vloer net gedweild was. Ze zag namelijk iemand van house-keeping in de gang en haar klant [naam klant] heeft tegen haar had gezegd dat ze niet snapte dat ze dweilen en geen bord neerzetten. Hier tegenover is in feite alleen naar voren gekomen van de zijde van Rif Hotel dat over de feitelijke situatie ten tijde van de val niet uit eigen wetenschap kan worden verklaard.

4.3.

Rif Hotel heeft daardoor niet in voldoende mate bestreden dat de vloer nat was toen [eiseres] viel en dat dat de oorzaak was van haar val. Evenmin heeft Rif Hotel in voldoende mate bestreden dat de vloer net gedweild was voordat [eiseres] viel. In rechte wordt daarom aangenomen dat [eiseres] viel terwijl de vloer, die net gedweild was, nat was.

4.4.

[Eiseres] betrekt verder de stelling dat de tegels van de vloer spekglad worden als deze nat is. Zij wijst er in dat verband op dat meer valpartijen hebben plaatsgevonden rondom de periode dat zij zelf viel. [Eiseres] heeft naar voren gebracht dat ook nog een andere gast was gevallen in de gang op dezelfde dag dat zij viel. Deze gast kreeg om die reden een week gratis verblijf van Rif Hotel. Voorts heeft [eiseres] gewezen op weer een andere gast die in dezelfde week was gevallen, die compensatie kreeg op haar membershipcard. Die gast heeft aan [eiseres] blauwe plekken laten zien. Tenslotte brengt [eiseres] naar voren dat er ook een keer iemand van house-keeping is gevallen, die vervolgens een jaar thuis heeft gezeten. Rif Hotel heeft ook deze stelling over de vloer die glad is als deze nat is waardoor mensen vallen, die specifiek en gedetailleerd is, niet voldoende weersproken. Rif Hotel volstaat immers met de stelling dat zij niet bekend is met aan haar gerapporteerde valpartijen. Daarom wordt ook deze stelling van [eiseres] als vaststaand aangenomen.

4.5.

Vorenstaande in samenhang beschouwd geeft aanleiding om de vloer van de gang in het hotel als deze net gedweild is als een gevaarlijke situatie aan te merken, mede in verband met de waarschijnlijkheid van niet inachtneming van oplettendheid/voorzichtigheid (gelet op meerdere valpartijen). Voorts is algemeen bekend dat de gevolgen van een valpartij op een tegelvloer ernstig kunnen zijn. In verband met de genoemde kelderluikcriteria is het in deze zaak vervolgens de vraag in hoeverre het bezwaarlijk is voor Rif Hotel om veiligheidsmaatregelen te nemen.

4.6.

[Naam directrice], de directrice van Rif Hotel, heeft naar voren gebracht dat de schoonmaak normaal gesproken altijd verliep volgens ‘international standards’, waaronder het plaatsen van een waarschuwingsbord na het dweilen. Kennelijk is het nemen van de veiligheidsmaatregel bestaande uit het plaatsen van een waarschuwingsbord niet bezwaarlijk.

4.7.

Bovenstaande leidt tot de tussenconclusie dat Rif Hotel op grond van onrechtmatig daad aansprakelijk is voor eventueel door [eiseres] geleden schade door de val, als komt vast te staan dat er geen waarschuwingsbord op de vloer stond in de gang ten tijde van de val door [eiseres]. Aangezien er volgens [eiseres] geen bord stond en volgens Rif Hotel wel, komt het er dus op aan of dat bord er stond.

4.8.

[Eiseres] heeft op onderbouwde wijze een consistent en gedetailleerde feitelijke toedracht geschetst van de val. Onderdeel van die toedracht is dat er volgens [eiseres] geen waarschuwingsbord was geplaatst toen zij die ochtend viel. Zij heeft daarover verder toegelicht dat zij al jaren in het hotel werkzaam was en dat ze het gewend was dat er normaal gesproken als er was gedweild wel een bordje werd geplaatst. Haar klant van die ochtend, [naam klant], heeft blijkens een verklaring van 6 augustus 2012, eveneens opgemerkt dat er geen bordje stond. Zij schrijft: I was waiting for her when she fell in front of my nose on a wet Floor (without a sign!!).

4.9.

Daar staat tegenover dat Rif Hotel in het algemeen stelt dat er wel een waarschuwingsbord heeft moeten staan omdat dat onderdeel uitmaakte van het schoonmaakprotocol. Rif Hotel heeft bewijs aangeboden van deze stelling, door naar voren te brengen dat [naam] of schoonmaakpersoneel van destijds gehoord kunnen worden.

4.10.

Gezien voornoemde stellingen gaat het Gerecht er voorshands vanuit dat [eiseres] het bewijs heeft geleverd van de stelling dat er geen waarschuwingsbord was geplaatst in de gang waar zij ten val kwam. Rif Hotel zal in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren.

4.11.

Afhankelijk van bewijslevering en bewijswaardering zal al dan niet aansprakelijkheid worden aangenomen. Als aansprakelijkheid wordt aangenomen zullen daarna de overige onderwerpen waarover partijen debat voeren verder worden beoordeeld. Als [eiseres] uiteindelijk (toch) niet slaagt in de op haar rustende bewijslast ten aanzien van het ontbreken van een waarschuwingsbord zal de vordering worden afgewezen.

4.12.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- draagt Rif Hotel op tegenbewijs te leveren tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling van [eiseres] dat er geen waarschuwingsbordje was geplaatst in de gang van het Rif Hotel waar zij is gevallen op 9 maart 2012;

- verwijst de zaak naar de rol van 5 maart 2018 voor opgave getuigen (Rif Hotel) en verhinderdata ([eiseres] en Rif Hotel) voor de periode mei, juni en juli 2018;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2018.