Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:99

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201500247 t/m CUR201500250, voorheen 75604 t/m 75607
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes - belanghebbende niet voldaan aan administratieplicht - sprake van een redelijke schatting door Inspecteur- verzwijgen omzet - voorwaardelijke opzet - opgelegde vergrijpboetes passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 27 juli 2017

BBZ nrs. CUR201500247 t/m CUR201500250, voorheen 75604 t/m 75607

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

(h.o.d.n. Restaurant Y)

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 23 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2009 opgelegd en zijn op 30 juni 2015 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2010, 2011 en 2012. Tegelijkertijd met de aanslagen zijn bij beschikking vergrijpboetes opgelegd.

1.2

Belanghebbende is 10 februari 2015 (2009) respectievelijk 30 juni 2015 (2010 tot en met 2012) tegen de naheffingsaanslagen en de boetes in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 21 juli 2015 ( 2009 tot en met 2011) respectievelijk 13 augustus 2015 (2012) heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen en de boetes verminderd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar 11 september 2015 in beroep gekomen. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.4

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 2 september 2016 en op 1 december 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A en B, op 1 december 2016 bijgestaan door mr. C. Namens belanghebbende is verschenen D. Op 1 december 2016 zijn de zaken gelijktijdig behandeld met de inkomstenbelasting- en premieheffingzaken over 2013, bekend onder de nummers CUR201500702 tot en met CUR 201500704.

1.5

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende drijft sinds 2002 in de vorm van een eenmanszaak een restaurant. Het restaurant is van maandag tot en met zaterdag geopend van 12.30 uur tot 22.00 uur. Belanghebbende heeft geen personeel in dienst.

2.2

De Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) heeft op 17 en 29 maart en op 2 april 2014 waarnemingen ter plaatse (wtp‘s) uitgevoerd bij belanghebbende. Hiervan is op 27 oktober 2014 een rapport opgemaakt, dat tot de gedingstukken behoort. In het rapport staat, voor zover hier van belang, vermeld:

“2.2.1 Ontvangstverantwoording

Ik heb geconstateerd dat er één kassa aanwezig is. De verkopen worden op de kassa aangeslagen. De klant ontvangt een kassabon. Belastingplichtige verklaarde dat hij dagelijks een Z-afslag uitdraait. Deze zijn bewaard gebleven.

2.2.2 Dagverantwoording waarneming ter plaatse

Tijdens de waarneming ter plaatse heb ik de volgende omzetten exclusief OB geregistreerd:

Datum Z-afslag Dagomzet

17 maart 2014 0330 279

29 maart 2014 0341 433

2 april 2014 0344 269

Totaal 981

Gemiddelde 981/3 327

(…)

3. AFSPRAKEN

Ik heb het volgende met de belastingplichtige afgesproken:

-

(…)

-

Belastingplichtige dient een kasboek bij te houden. In dit kasboek dienen de dagelijkse ontvangsten en uitgaven en de dagelijkse kassaldi vastgelegd te worden.”

2.3

De SBAB heeft in 2014 voor de jaren 2009 tot en met 2012 bij belanghebbende een boekenonderzoek inzake (onder andere) de omzetbelasting verricht. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft SBAB op 30 oktober 2014 een rapport met bevindingen uitgebracht. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken.

2.4

In dit rapport is over de omzetbelasting - voor zover van belang – het volgende vermeld:

“3 ADMINISTRATIE

(…)

3.2 Financiële administratie

(…)

De dagelijkse administratie bestaat uit:

  • -

    omzetstaten over de jaren 2008 tot en met 2012 waarop de totale dagelijkse omzet wordt geregistreerd;

  • -

    de dagelijkse kassastroken van de periode 16 januari 2008 tot en met 24 november 2008;

  • -

    de dagelijkse kassastroken van één en twee januari 2009;

  • -

    de dagelijkse kassastroken van de perioden 14 juni tot en met 30 juni 2010 en van één en twee juli 2010;

  • -

    de dagelijkse kassastroken van 30 mei 2011;

  • -

    de dagelijkse kassastroken van 29 september 2012;

  • -

    inkoopfacturen over de jaren 2008 tot en met 2012 welke jaarlijks in een map zijn opgeborgen;

  • -

    kostenfacturen over de jaren 2008 tot en met 2012 welke jaarlijks in een map zijn opgeborgen.

(…)

3.3 Administratieplicht

(…)

Tijdens dit onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven (administratie, gerecht) verplichting:

  1. Omdat de omzet per kas wordt ontvangen dient belastingplichtige een sluitende kasadministratie te voeren. Uit de volgende constatering blijkt dat dit niet het geval is:

  2. Er wordt geen kasboek bijgehouden.

  3. Privé-stortingen en privé-opnames worden niet bijgehouden.

  4. Naast de bij onderdeel 3.2. genoemde kassastroken heeft belastingplichtige een aantal kassastroken, welke niet netjes “opgerold” waren, in een grote vuilniszak overgelegd.

  5. Over de jaren 2009 tot en met 2011 is er geen aansluiting tussen de aangegeven omzet op de verlies- en winstrekening en de omzet volgens de aangiften omzetbelasting.

  6. Er wordt geen voorraadadministratie gevoerd.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering van de bewijslast.

Reactie van belastingplichtige met betrekking tot het kasboek (…)

Belastingplichtige gaat niet akkoord met punten één, twee en drie waarin wordt gesteld dat er geen kasboek wordt bijgehouden. Belastingplichtige stuurt als bewijsstuk een uitdraai van de grootboekrekening ‘Kas’.

Mijn reactie

Door belastingplichtige dient een deugdelijke kasadministratie te worden bijgehouden . Uit de kasadministratie dienen de dagelijkse ontvangsten en-uitgaven alsmede de dagelijkse kassaldi te blijken. In de grootboekrekening ‘Kas’ zijn geen dagelijkse kassaldi, dagontvangsten, daguitgaven en kas stortingen en -opnames bijgehouden. De totale omzet per maand wordt aan het eind van de maand geboekt in de grootboekrekening ‘Kas’.

(…)

3.5 Oordeel administratie

Naast de in de onderdelen “Administratieplicht” en “Bewaarplicht” genoemde bevindingen heb ik het volgende geconstateerd:

- In de jaren 2008 tot en met 2012 zijn de aangegeven brutowinstpercentages onverklaarbaar wisselend. De aangegeven brutowinstpercentages (exclusief privé verbruik) bedragen:

2008 2009 2010 2011 2012

Aangegeven BW% 95% 148% 162% 112% 163%

  • -

    Bij de aansluiting van de omzet in de jaren 2008 en 2012 volgens de jaarrekening met de omzet volgens de omzetstaten zijn verschillen van 11.577 respectievelijk 11.086 geconstateerd. De geconstateerde verschillen (…) zijn niet als omzet verantwoord.

  • -

    In het jaar 2012 zijn negatieve kassaldi geconstateerd in de grootboekrekening “Kas”. Het hoogste negatieve kassaldo is geconstateerd op 27 juni 2012 en bedraagt 2.370.

  • -

    (…) in de jaren 2008 en 2012 is sprake van een laag netto privé. (…)

2008 (…) 2012

Netto privé 3.012 (…) 4.781

4.2.2 Contante ontvangsten

Tijdens het boekenonderzoek is geconstateerd dat de contante ontvangsten in de jaren 2008 tot en met 2012 niet volledig zijn aangegeven. (…). Ter correctie van de aangegeven omzet heb ik een theoretische minimum omzet berekend aan de hand van de uitgevoerde wtp’s d.d. 17 en 29 maart en twee april 2014. Voor de berekening van de theoretische minimale omzet heb ik rekening gehouden met de volgende punten:

  1. Een gemiddelde dagomzet van 327 (…) en 313 werkdagen. Het aantal werkdagen van 313 is gebaseerd op het feit dat belastingplichtige op zondag gesloten is (365 – 52 = 313).

  2. Naar aanleiding van de reactie van belastingplichtige heb ik rekening gehouden met de geldende prijsindexcijfers ter berekening van de dagomzet. (…).

Berekening gemiddelde dagomzet gedurende controletijdvak:

Gemiddelde dagomzet 2008: 109/123 * 327 = 290;

Gemiddelde dagomzet 2009: 111/123 * 327 = 295;

Gemiddelde dagomzet 2010: 114/123 * 327 = 303;

Gemiddelde dagomzet 2011: 117/123 * 327 = 311;

Gemiddelde dagomzet 2012: 121/123 * 327 = 322.

(…)

De theoretische minimale omzet over de jaren 2008 tot en met 2012 bedraagt als volgt:

2008 2009 2010 2011 2012

Gemiddelde dagomzet 290 295 303 311 322

Aantal werkdagen 313 313 313 313 313

Theoretische omzet excl. 90.770 92.335 94.839 97.343 100.786

privé verbruik goederen

aangegeven omzet excl. 56.474 65.288 66.428 71.681 66.540

privé verbruik goederen

Omzetverschil 34.296 27.047 28.411 25.662 34.246

(…)

6 OMZETBELASTING

(…)

6.2 Aansluiting tussen de omzet jaarrekening en de omzet waarover OB is aangegeven

(…)

Correctie 2009 2010 2011

Aansluiting jaarrekening 305 304 306

6.3 Verschuldigde OB over omzetcorrectie

(…)

Correctie 2009 2010 2011 2012

Totaal meer omzet 27.047 28.411 25.662 34.246

Nog af te dragen OB 5/105 1.288 1.353 1.222

Nog af te dragen OB 6/106 1.938

(…)

Totaal naheffing OB (6.2 + 6.3, Gerecht) 1.593 1.657 1.528 1.938

(…)

8 BOETES

(…)

8.2 OB

(…)

6.3 Verschuldigde OB in verband met omzetcorrecties

Uit de uitgevoerde WTP ’s en vanuit informatie van derden is gebleken dat de omzet niet volledig is verantwoord. Het is van algemene bekendheid dat bovengenoemde vergoedingen in de heffing moeten worden betrokken. Als gevolg hiervan is te weinig OB aangegeven en afgedragen. Ik ben dan ook van mening dat door deze onjuiste handelwijze sprake is van (voorwaardelijke) opzet van belastingplichtige.

Op grond van artikel 21 ALL juncto artikel 7, lid 2 MBAB stel ik u voor gelijktijdig met de naheffingsaanslagen OB over de jaren 2008 tot en met 2012 zoals vermeld in het hoofdstuk 7 van het rapport een vergrijpboete op te leggen van:

  • -

    25% over onderdeel 6.3 (…) in verband met pseudo-samenloop;

  • -

    25% over onderdeel 6.2 (…).”

2.5

De Inspecteur heeft overeenkomstig de voorstellen in het controlerapport naheffingsaanslagen omzetbelasting en boetes over de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegd. In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslagen en boetes verminderd. Daarbij is uitgegaan van 312 werkdagen in plaats van 313 (nieuwjaarsdag gesloten) en tevens is voor de indexering van de omzet uitgegaan van de indexcijfers van het Centraal Bureau van Statistiek. Bovendien werden de boetes over de aansluitingsverschillen verminderd naar nihil en de boetes met betrekking tot de omzetcorrecties verminderd naar 12,5%. Dit heeft geleid tot de navolgende verschuldigde bedragen:

2009 2010 2011 2012

Verschuldigde OB 1.267 1.420 1.409 1.903

Boete 120 139 138 238

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

Tussen partijen is in geschil de vraag of de Inspecteur terecht naheffingsaanslagen omzetbelasting en boetes heeft opgelegd. De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend. Hij heeft gesteld dat belanghebbende niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan zodat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende is er volgens de Inspecteur niet in geslaagd om aan te tonen dat de opgelegde aanslagen onjuist zijn. De Inspecteur is verder van mening dat de boetes terecht zijn opgelegd nu, voor wat betreft de omzetcorrecties sprake is van voorwaardelijke opzet.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de boekhouding juist is en dat er geen omzet verzwegen is. Volgens belanghebbende is de controle niet juist aangepakt. Er is volgens belanghebbende wel degelijk een kasboek en een kasadministratie. Bovendien is belanghebbende van mening dat, als er al omzetcorrecties zouden zijn, deze niet gebaseerd kunnen worden op maar drie wtp’s die in 2014 hebben plaatsgevonden, waarbij ten onrechte is uitgegaan van een ongewogen gemiddelde en ten onrechte geen rekening is gehouden met indexering.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Het Gerecht stelt vast dat de opgelegde naheffingsaanslagen deels het gevolg zijn van omzetcorrecties (zie 6.3 controlerapport) en deels van aansluitingsverschillen (zie 6.2 controlerapport). Die aansluitingsverschillen zijn ontstaan omdat belanghebbende over het privé gebruik van goederen geen omzetbelasting heeft afgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting beaamd dat ter zake van het privé gebruik geen omzetbelasting is afgedragen en hij heeft geen bezwaren geuit tegen de heffing die daaruit voortvloeit, zodat in zoverre de naheffingsaanslagen in stand blijven. Voor zover de naheffingsaanslagen zien op omzetcorrecties overweegt het Gerecht het volgende.

4.2

Artikel 43 lid 2 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna ALL) schrijft voor dat administratieplichtigen, zijnde natuurlijke personen die een bedrijf of beroep uitoefenen, gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf of beroep op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

4.3

Gelet op de door de controlerend ambtenaar geconstateerde gebreken in de administratie (zie 2.3) heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet voldaan aan zijn administratieplicht. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de omzet per kas wordt ontvangen. In dat geval is het van wezenlijk belang dat een correcte en sluitende kasadministratie gevoerd wordt. Een dergelijke administratie ontbreekt echter. Immers, privé stortingen en privé-opnames worden niet bijgehouden, de ontvangsten worden niet dagelijks maar slechts maandelijks geboekt, en dagelijkse kassaldi ontbreken. Hierdoor is de kasadministratie niet sluitend en controleerbaar. Het grootboek, waarin maandelijks ontvangsten geboekt worden, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat kassarollen aanwezig zijn leidt het Gerecht, alleen al vanwege het feit dat niet alle kassarollen beschikbaar zijn en dat ze niet per dag in de boekhouding verwerkt zijn, evenmin tot een ander oordeel. Naast de omstandigheid dat er geen sluitende kasadministratie is, ontbreekt ook een voorraadadministratie. Bovendien zijn er jaarlijks aanzienlijke verschillen geconstateerd in brutowinstpercentages, waarvoor belanghebbende geen verklaring heeft kunnen geven. Ook zijn er in het jaar 2012 negatieve kassaldi aangetroffen en is het netto privé in dat jaar onaanvaardbaar laag. Gelet op dit alles heeft belanghebbende niet voldaan aan de in artikel 43, lid 2 ALL neergelegde administratieplicht.

4.4

In dat geval schrijft artikel 30, lid 6 ALL voor dat de aanslagen dienen te worden gehandhaafd tenzij belanghebbende overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre deze onjuist zijn. Daarin is belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet geslaagd.

4.5

Het voorgaande ontslaat de Inspecteur evenwel nog niet van de verplichting om bij het opleggen van de naheffingsaanslagen uit te gaan van een redelijke schatting. De Inspecteur heeft zich bij de berekening van de gemiddelde dagomzet gebaseerd op de uitkomsten van drie wtp’s die in 2014 bij belanghebbende gehouden zijn. Daarbij heeft zij rekening gehouden met de prijsindexcijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek, waardoor in de voorliggende jaren van lagere dagomzetten is uitgegaan dan de gemiddelde dagomzet die tijdens de wtp’s is geconstateerd. Het Gerecht acht dit een redelijke benadering, ook al betreft het maar een steekproef van drie dagen die heeft plaatsgevonden in een later gelegen jaar. Het Gerecht overweegt daarbij dat belanghebbende geen omstandigheden heeft genoemd, anders dan de prijsontwikkeling, die een omzetverschil tussen het jaar van de wtp’s en de controlejaren zouden kunnen rechtvaardigen. Daarnaast heeft de Inspecteur de berekende dagomzet vermenigvuldigd met 312 dagen, daarbij rekening houdend met nieuwjaarsdag en met het feit dat belanghebbende op zondag gesloten is. Belanghebbende stelt dat hij niet alleen op nieuwjaarsdag gesloten is, maar ook op andere feestdagen. Hij schat het aantal feestdagen dat hij dicht is op 10, maar op de vraag ter zitting welke dagen dat dan geweest zijn moest (de gemachtigde van) belanghebbende het antwoord schuldig blijven. Het Gerecht acht de benadering van de Inspecteur redelijk. Gelet op al het voorgaande wordt het beroep van belanghebbende, voor zover het de naheffingsaanslagen betreft, verworpen.

4.6

De Inspecteur heeft met betrekking tot het deels niet aangeven van de omzet het standpunt ingenomen dat daarbij sprake is van (voorwaardelijke) opzet. Het Gerecht volgt de Inspecteur in dat standpunt. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende bewust een deel van de omzet verzwegen en dat levert (voorwaardelijke) opzet op. In verband met pseudo-samenloop heeft de Inspecteur de boete gehalveerd tot 25% hetgeen het Gerecht juist acht. In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de boetes teruggebracht naar 12,5%. Het Gerecht acht deze boetes passend en geboden en acht daarbij voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van de omkering van de bewijslast. Het beroep van belanghebbende met betrekking tot de boetes wordt verworpen.

4.7

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

5 BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen en mr. W.C.E. Winfield, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, In afwezigheid van de Voorzitter

tekent mr. D.J. Jansen,

Afschriften zijn per post/per e-mail op …………………………………. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).