Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:95

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
AR 70251/2014 en 71455/2014 (gevoegd)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring - Stuiting - Onbevoegde vertegenwoordiging - Ongerechtvaardigde verrijking - Pseudo vertegenwoordiging - Beslag - Proceskosten - Substantiëringsplicht)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2017, afl. 5, p. 310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN GEVOEGDE ZAKEN

in de zaak met rolnummer AR 70251/2014 van:

de naamloze vennootschap

UNITED TELECOMMUNICATION SERVICES N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. D.A. Matroos-Piar,

tegen

1 [GEDAAGDE SUB 1],

2. [ [GEDAAGDE SUB 2],

2. [ [GEDAAGDE SUB 3],

2. [ [GEDAAGDE SUB 4],

2. [ [GEDAAGDE SUB 5],

2. [ [GEDAAGDE SUB 6],

2. [ [GEDAAGDE SUB 7],

2. [ [GEDAAGDE SUB 8],

2. [ [GEDAAGDE SUB 9], en

2. [ [GEDAAGDE SUB 10],

allen woonplaats gekozen hebbende in Curaçao,

gedaagden,

gemachtigde: mr. R.P. Koeijers,

en in de zaak met rolnummer AR 71455/2014 van:

de naamloze vennootschap

UNITED TELECOMMUNICATION SERVICES N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. D.A. Matroos-Piar,

tegen

de stichting

FUNDASHON BÈSHI,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.P. Koeijers.

Partijen zullen hierna ook UTS, [gedaagden] c.s. en de Stichting genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop in de ex artikel 127 Rv gevoegde zaken met rolnummers AR 70251/2014 en AR 71455/2014 blijkt uit:

- het tussenvonnis van dit Gerecht d.d. 26 september 2016 (hierna: het tussenvonnis);

- de schriftelijke aantekeningen van de griffier van de op 31 oktober 2016 gehouden comparitie van partijen, waar partijen en de gemachtigden zijn verschenen;

- de akte na comparitie van UTS d.d. 6 februari 2017, met producties;

- de contra-akte na comparitie van [gedaagden] c.s. en de Stichting d.d. 3 april 2017.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

In de zaak tegen [gedaagden] c.s.

3.1.

UTS heeft ter comparitie gesteld dat haar vordering jegens [gedaagden] c.s. is gegrond op onverschuldigde betaling. [gedaagden] c.s. hebben hiertegen als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering is verjaard. Dit verweer treft doel. Het Gerecht licht dit als volgt toe.

3.2.

Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan (artikel 3:309 BW). Het Gerecht leidt af uit de vaststellingsovereenkomst d.d. 3 oktober 2007 (zie 2.6. van het tussenvonnis) in samenhang bezien met de brief van de belastingadviseur van UTS d.d. 13 september 2007 (zie 2.5. van het tussenvonnis), dat UTS uiterlijk op 3 oktober 2007 bekend is geworden met haar vordering jegens de deelnemers van het spaarfonds. Het was UTS bekend dat er sprake was van een belastingschuld van de afzonderlijke deelnemers. Omdat de hoogte van de belastingschuld toen ook al bekend was (NAf 1.324.053,-) en het haar eigen werknemers betreft, moet UTS op dat moment tevens hebben geweten welke deelnemers het betreft en dus ook dat de vordering onder andere betrekking heeft op [gedaagden] c.s. Dit betekent dat de verjaringstermijn uiterlijk op 3 oktober 2007 is gaan lopen.

3.3.

UTS heeft gesteld dat de verjaring is gestuit door erkenning van de schuld bij brief van de Stichting aan UTS d.d. 15 februari 2012. Deze brief is echter niet aan te merken als een erkenning van de schuld van (de Stichting namens) [gedaagden] c.s. in de zin van artikel 3:318 BW. Het moet gaan om een handeling of gedraging van (een vertegenwoordiger van) de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent. De brief van 15 februari 2012 heeft betrekking op het bedrag van 1.3 miljoen dat UTS aan de Stichting heeft gefactureerd. De Stichting concludeert in die brief dat zij 584K schuldig is aan UTS en verzoekt om de resterende ‘administratieve schuld op Beshi’ kwijt te schelden. De brief gaat aldus nadrukkelijk uit van een vordering van UTS op de Stichting. In de brief is bijvoorbeeld niet aangegeven dat de Stichting dit standpunt in of na overleg met [gedaagden] c.s. heeft ingenomen. Uit de brief blijkt bijvoorbeeld ook niet dat de Stichting door de afzonderlijke deelnemers (in dit geval [gedaagden] c.s.) was ingeschakeld voor deze specifieke kwestie. UTS kan uit deze brief derhalve niet het vertrouwen ontlenen dat [gedaagden] c.s. zich van de vordering van UTS bewust waren en dat zij de vordering erkenden. De enkele omstandigheid dat de Stichting de spaarbedragen van [gedaagden] c.s. beheert en administreert, rechtvaardigt niet dat haar erkenning van een eigen schuld aan UTS als een erkenning aan [gedaagden] c.s. wordt toegerekend. De verjaring is dus niet gestuit door de brief van 15 februari 2012.

3.4.

UTS heeft voorts gesteld dat de verjaring is gestuit omdat zij zich mede jegens de deelnemers haar rechten tot nakoming heeft voorbehouden, namelijk bij brief aan de voorzitter van de Stichting d.d. 4 mei 2012. Het Gerecht volgt haar niet in deze stelling. Ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW moet het gaan om een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, dat wil zeggen een – voldoende duidelijke – waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. In de brief van 4 mei 2012 doet UTS aan de Stichting een voorstel om de kwestie samen op te lossen. Dat voorstel houdt in dat

1) UTS de Stichting verzoekt om, zakelijk weergegeven, de bij uitbetaling verschuldigde belastingen achter te houden en aan UTS over te dragen, 2) UTS de Beshi gerelateerde belastingen van de ex werknemers zal verzamelen en 3) UTS bij uitvoering van punt 1 ‘its claim on Beshi’ zal verminderen tot 1.3 miljoen. Deze brief gaat uitdrukkelijk uit van een schuld van de Stichting op UTS. UTS heeft zich daarbij niet beroepen op de nakoming van de verbintenissen van [gedaagden] c.s. noch ondubbelzinnig haar recht op nakoming ten opzichte van [gedaagden] c.s. voorbehouden. De verjaring van de vordering jegens [gedaagden] c.s. is dus niet gestuit door de brief van 4 mei 2012.

3.5.

UTS heeft ten slotte gesteld dat het beroep op verjaring door [gedaagden] c.s. niet te goeder trouw is, omdat de deelnemers bekend zijn, althans bekend worden geacht, met hun belastingschuld en steeds door de Stichting op de hoogte zijn gehouden van alle ontwikkelingen ‘gelet op het feit dat het hun spaartegoeden betreft’. Een beroep op verjaring kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, doch dat zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen. Daarbij dienen alle omstandigheden in aanmerking genomen te worden. Van belang is dat UTS, als werkgever van [gedaagden] c.s., als professionele partij is aan te merken. UTS heeft op geen enkele wijze zelf, rechtstreeks met haar werknemers ([gedaagden] c.s.) gecommuniceerd over de belastingschuld en de ontstane problematiek. Niet is gesteld noch is gebleken dat UTS daartoe in de onmogelijkheid verkeerde. Dat er (desondanks) sprake was van wetenschap van de deelnemers, kan - indien juist - niet tot de conclusie leiden dat door toedoen van [gedaagden] c.s. geen vordering jegens hen kon of hoefde te worden ingesteld. Het is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van UTS om haar rechten jegens [gedaagden] c.s. te bewaken en, als het onderhandelingsproces met de Belastingdienst en/of de Stichting te lang duurde, de verjaring jegens hen te stuiten. Het Gerecht acht het beroep op verjaring dan ook niet onaanvaardbaar.

3.6.

Nu niet is gesteld noch gebleken dat de verjaring op enigerlei andere wijze (tijdig) is gestuit, is de conclusie dat de vordering van UTS op [gedaagden] c.s. op 3 oktober 2012 is verjaard. De vordering van UTS jegens [gedaagden] c.s. is derhalve niet toewijsbaar.

3.7.

Omdat het verjaringsverweer doel treft, behoeft het verdere verweer van [gedaagden] c.s. geen bespreking.

3.8.

UTS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] c.s. gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 1.500,00 aan gemachtigdensalaris (1,5 punt x NAf 1.000,00). Omdat de gemachtigde ter comparitie voor zowel [gedaagden] c.s. als de Stichting is opgetreden, wordt voor die handeling een halve punt toegekend. De akte na comparitie was noodzakelijk, omdat tot dan toe niet voldoende aan de substantiëringsplicht was voldaan. Voor die handeling zal derhalve geen punt worden toegekend. Het niet voldoende voldoen aan de substantiëringsplicht vormt tevens aanleiding om aan te haken bij een lager tarief, namelijk tarief 4 à NAf 1.000,00.

In de zaak tegen de Stichting in conventie

3.9.

De Stichting heeft als verweer aangevoerd - onder verwijzing naar artikel 13 van de statuten - dat zij niet bevoegd was om de schuld van de deelnemers te voldoen en dus ook niet om de vaststellingsovereenkomst d.d. 3 oktober 2007 met UTS aan te gaan en dat UTS daar ook niet op heeft kunnen vertrouwen. Dit verweer treft doel. Het Gerecht licht dit als volgt toe.

3.10.

In artikel 13 van de statuten van de Stichting is bepaald dat het bestuur niet bevoegd is tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt. UTS heeft gesteld dat de Stichting als (mede)schuldenaar bij de tussen partijen gesloten vaststellings-overeenkomst is aan te merken, omdat zij zich zelfstandig heeft verbonden tot voldoening van de belastingschuld. Partijen zijn het er in feite dus over eens dat de vaststellingsovereenkomst is aan te merken als een overeenkomst in de zin van artikel 13 van de statuten. Het bestuur van de Stichting was op grond van genoemd artikel niet bevoegd om die overeenkomst te sluiten.

3.11.

Het Gerecht is met de Stichting van oordeel dat haar onbevoegdheid aan UTS kan worden tegengeworpen. Bij raadpleging van het handelsregister had UTS daarmee immers bekend kunnen zijn. Niet is gesteld noch is gebleken dat UTS hiernaar onderzoek heeft verricht. Zij moest derhalve zonder eigen onderzoek van de beperking van de bestuursbevoegdheid op de hoogte zijn (vgl. artikel 2:10 lid 3 onder a BW). Dit betekent dat de Stichting in haar relatie tot UTS niet gebonden is aan de onbevoegd gesloten vaststellingsovereenkomst. Indien namens een stichting onbevoegd wordt gehandeld, is de daaruit voortvloeiende rechtshandeling namelijk nietig. De primaire, op nakoming van de vaststellingsovereenkomst gegronde, vordering van UTS is dus niet toewijsbaar.

3.12.

Daarmee komt het Gerecht toe aan de beoordeling van de subsidiaire stelling van UTS, inhoudende dat de Stichting ongerechtvaardigd is verrijkt en verplicht is de schade van UTS te vergoeden tot het bedrag van de verrijking. Volgens UTS is de Stichting verrijkt, omdat UTS bedragen in het spaarfonds heeft gestort zonder de wettelijk verplichte inhoudingen van belastingen en premies toe te passen en het vermogen van de Stichting daardoor meer is geworden dan het zou zijn geweest als de inhoudingen wel waren gedaan. Deze stelling gaat niet op. Als UTS de spaarbedragen ten onrechte onbelast in het spaarfonds stort en de Stichting het teveel onder zich houdt, kan dat hooguit een verrijking van de Stichting ten koste van de deelnemers opleveren; niet ten koste van UTS.

3.13.

UTS heeft meer subsidiair gesteld dat de Stichting zich heeft voorgedaan als gevolmachtigde van de deelnemers en als pseudo-gevolmachtigde schadeplichtig is en dient in te staan voor het bestaan en omvang van de volmacht die zij stelde te hebben, wegens schending van haar garantieverbintenis. Deze stelling wordt eveneens verworpen. Op grond van het toepasselijke artikel 3:70 BW is een pseudo-gevolmachtigde niet jegens de wederpartij aansprakelijk als de wederpartij wist of behoorde te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbrak. Uit hetgeen hiervoor onder 3.11. is overwogen volgt dat UTS (in ieder geval) behoorde te begrijpen dat de Stichting niet als gevolmachtigde van de deelnemers de overeenkomst kon sluiten. Derhalve kan geen aansprakelijkheid van de Stichting uit hoofde van artikel 3:70 BW worden aangenomen.

3.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van UTS jegens de Stichting niet kan worden toegewezen.

3.15.

UTS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van de Stichting gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 1.500,00 aan gemachtigdensalaris (1,5 punt x NAf 1.000,00). Omdat de gemachtigde ter comparitie voor zowel de Stichting als [gedaagden] c.s. is opgetreden, wordt voor die handeling een halve punt toegekend. De akte na comparitie was noodzakelijk omdat tot dan toe niet voldoende aan de substantiëringsplicht was voldaan. Voor die handeling zal derhalve geen punt worden toegekend. Het niet voldoende voldoen aan de substantiëringsplicht vormt tevens aanleiding om aan te haken bij een lager tarief, namelijk tarief 4 à NAf 1.000,00.

In de zaak tegen de Stichting in reconventie

3.16.

De Stichting vordert dat het beslag wordt opgeheven. Naar het Gerecht begrijpt betreft dit het beslag dat UTS op 6 november 2012 heeft gelegd wegens een vordering van NAf 1,7 miljoen op de Stichting (NAf 1.324.053,00 aan hoofdsom vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten, rente en overige kosten). Deze vordering (althans de hoofdsom) wordt, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, bij dit vonnis afgewezen. De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag kan echter - gelet op de mogelijkheid van hoger beroep tegen het vonnis - niet zonder meer worden toegewezen. Ook in geval de vordering tot verzekering waarvan het beslag is gelegd, is (of zoals hier: wordt) afgewezen, dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. Ook in een geval als hier bedoeld ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het beslag vordert, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd (vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074). De Stichting heeft dat laatste niet gedaan. Zij heeft bij conclusie van eis slechts gesteld dat UTS geen vordering jegens haar heeft of de vordering is verjaard. Bij repliek heeft de Stichting voorts gesteld dat het beslag moet worden opgeheven aangezien de statuten beslaglegging op haar vermogen verbieden. Tegenover het verweer van UTS acht het Gerecht deze stellingen van de Stichting onvoldoende om aannemelijk te achten dat de vordering van UTS ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. De vordering van de Stichting zal derhalve, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

3.17.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van UTS gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 500,00 aan gemachtigdensalaris (1 x NAf 500,00). Gelet op de samenhang met de vordering in conventie wordt het aantal punten gematigd tot 1 punt en wordt aangehaakt bij een lager tarief, namelijk tarief 3 à NAf 500,00.

3 De beslissing

Het Gerecht:

in de zaak tegen [gedaagden] c.s.

- wijst de vordering af;

- veroordeelt UTS in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] c.s., tot op heden begroot op NAf 1.500,00;

in de zaak tegen de Stichting in conventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt UTS in de proceskosten aan de zijde van de Stichting, tot op heden

begroot op NAf 1.500,00;

in de zaak tegen de Stichting in reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt de Stichting in de proceskosten aan de zijde van UTS, tot op heden

begroot op NAf 500,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

24 juli 2017.