Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:94

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
AR 78787/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op nalatenschap - Gemeenschap - Persoonlijk eigendom - Vorderingen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2017/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISERES],

woonplaats gekozen hebbende te Curaçao,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. E. Bokkes,

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1],

2. [GEDAAGDE SUB 2], wettelijk vertegenwoordigd door haar bewindvoerder [naam bewindvoerder],

allen wonende in Curaçao,

gedaagden,

gemachtigde: mr. N.B. Haverhoek.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 18 mei 2016 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord met producties van 29 augustus 2016;

- de conclusie van repliek tevens wijziging van eis met producties van 17 oktober 2016;

- de conclusie van dupliek tevens antwoord wijziging eis d.d. 14 november 2016;

- de schriftelijke aantekeningen van de griffier van het op 6 februari 2017 gehouden pleidooi, tevens comparitie van partijen, en het aldaar overgelegde schriftelijke pleidooi van eiseres en de overgelegde pleitaantekeningen van de gemachtigden. Ter comparitie is vastgesteld dat gedaagde sub 2 onder algeheel bewind staat en wettelijk vertegenwoordigd wordt door bewindvoerder. [naam bewindvoerder].

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

Op 4 augustus 2014 is [naam overledene] (hierna: [naam overledene]) overleden. [naam overledene] heeft geen testament opgemaakt. Zijn kinderen, gedaagden, zijn de wettelijke erfgenamen. Gedaagden hebben de nalatenschap van [naam overledene] 1 oktober 2014 onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard. De nalatenschap is (nog) niet vereffend en verdeeld.

2.3.[

[Eiseres] heeft een relatie met [naam overledene] gehad.

2.4.

Op 12 april 2016 heeft [eiseres] ten laste van gedaagden beslag gelegd.

3 Het geschil

3.1.

[Eiseres] vordert, na wijziging van haar eis bij repliek, dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling uit de nalatenschap aan haar van

NAf 337.162,74 conform de overeenkomsten met de erflater;

2. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling uit de nalatenschap aan haar van

de helft van de waarde van de inboedel van de woning aan de [adres] ad NAf 37.500,-;

3. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot teruggave van de persoonlijke

eigendommen van [eiseres], althans betaling van de waarde daarvan ad NAf 20.000,-;

4. primair

gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot volledige medewerking aan teruggave van de in randnummers 40 t/m 42 van de conclusie van repliek genoemde briljant aan haar binnen twee weken na vonnisdatum;

subsidiair

voor recht verklaart dat deze briljant aan haar toekomt;

5. gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot de door haar gemaakte

deurwaarderskosten ad NAf 2.635,45;

een en ander vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2014, kosten rechtens, met inbegrip van de griffiekosten, met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van vonnis.

3.2.

[Eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] was de levenspartner van [naam overledene] en woonde met hem samen als ware zij gehuwd. Zij heeft een aantal vorderingen op de goederen van de nalatenschap van [naam overledene]. Op basis van twee met [naam overledene] gesloten overeenkomsten heeft [eiseres] recht op NAf 68.000,- en NAf 269.162,74. [eiseres] maakt tevens aanspraak op de helft van de waarde van de inboedel van de woning aan de [adres] ad NAf 37.500,-. Voorts is de nalatenschap van [naam overledene] vermengd geraakt met een aantal persoonlijke bezittingen van [eiseres], waarvan de waarde is begroot op NAf 20.000,-.

3.3.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In het midden latend of er sprake is van een schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW en of die schuld gedurende de (nog voortdurende) procedure van vereffening op gedaagden kan worden verhaald, overweegt het Gerecht als volgt.

4.2.

Uit de stellingen van [eiseres] blijkt dat zij haar vorderingen op gedaagden heeft gegrond op respectievelijk twee met [naam overledene] gesloten overeenkomsten, een gemeenschap van goederen met [naam overledene] en haar persoonlijk eigendom. Het Gerecht stelt voorop dat [eiseres], als degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, de stelplicht heeft en, indien daaraan wordt toegekomen, de bewijslast draagt.

De vorderingen op grond van de twee overeenkomsten (3.1. sub 1)

4.3.[

[Eiseres] stelt dat zij op grond van een met [naam overledene] gesloten overeenkomst recht heeft op een vergoeding wegens door haar voor hem ten behoeve van de onderneming Iseeyou N.V., waarvan [naam overledene]enig bestuurder en 100% aandeelhouder was, verrichte werkzaamheden ad NAf 1.000,00 per maand, zijnde NAf 68.000,00 in totaal. Ondanks het gemotiveerde verweer van gedaagden heeft [eiseres] nagelaten de vordering deugdelijk te specificeren, concretiseren en onderbouwen. Zo heeft zij niet gesteld welke werkzaamheden zij concreet en op welke data heeft verricht. Dit had gezien het verweer van gedaagden dat [eiseres]

- slechts - in de periode van maart 2006 tot en met december 2008 af en toe werkzaamheden voor Iseeyou verrichtte, wel op haar weg gelegen. De verwijzing naar de producties volstaat in dit verband niet, nu daarin geen afdoende onderbouwing is te vinden. Dit deel van de vordering is reeds daarom, als onvoldoende onderbouwd, niet toewijsbaar. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De verdere stellingen van partijen op dit onderdeel behoeven geen bespreking.

4.4.[

[Eiseres] stelt dat zij op grond van een met [naam overledene] gesloten overeenkomst recht heeft op reclameopbrengsten met betrekking tot de website www.liveincuracao.com ad NAf 269.162,74. Volgens [eiseres] heeft zij de domeinnaam met website van Iseeyou N.V. overgedragen gekregen, is zij verantwoordelijk voor de betaling van de domeinnaam en hosting en werden de reclameopbrengsten geïnd door Iseeyou N.V. en de ondernemingen Keycomp Computer Systems N.V. en/of Keycomp International N.V., waarvan [naam overledene] enig bestuurder 100% aandeelhouder was. Overeengekomen is dat de geïnde reclameopbrengsten bij Iseeyou en Keycomp zouden blijven, doch bij overlijden van [naam overledene] zouden alle geïnde reclameopbrengsten inclusief de wettelijke rente na 27 oktober 2009 uit de nalatenschap aan haar uitbetaald worden, aldus [eiseres]. Gedaagden hebben onder meer betwist dat Iseeyou/Keycomp vanaf 27 oktober 2009 reclameopbrengsten voor liveincuracao.com hebben geïnd. Volgens gedaagden heeft [eiseres] de website www.liveincuracao.com in oktober 2010 offline gehaald. Ondanks dit verweer heeft [eiseres] nagelaten haar stellingen voldoende te onderbouwen. Zo is niet gesteld welke reclamewerkzaamheden er, op welke data, zijn verricht. De verwijzing naar de nota d.d. 13 juni 2015 en productie 9B volstaat in dit verband niet, nu daarin slechts respectievelijk een periode (oktober 2009-oktober 2014) en een lijst van adverteerders met het soort advertentie en bedrag is vermeld. Daaruit valt niet af te leiden dat er reclameopbrengsten zijn gemaakt en zo ja, welke reclameopbrengsten er zijn gemaakt. Dat een specifieke omschrijving van de bedrijven en reclameopbrengsten voor [naam overledene] en [eiseres] niet nodig was omdat zij wisten ‘waarom het ging’, zoals [eiseres] heeft gesteld, doet niet af aan de stelplicht die zij in deze procedure tegenover gedaagden heeft. Uit de omstandigheid dat de website nog actief is, zoals [eiseres] voorts heeft gesteld, kan niet worden afgeleid dat er reclameopbrengsten zijn noch dat deze NAf 269.162,74 bedragen, zoals gedaagden hebben betoogd. Deze vordering is derhalve - als onvoldoende onderbouwd - evenmin toewijsbaar. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De verdere stellingen van partijen op dit punt behoeven geen bespreking.

De vordering betreffende de inboedel (3.1. sub 2)

4.5.[

[Eiseres] stelt dat zij recht heeft op de helft van de waarde van de inboedel die zich in de woning van [naam overledene] te [adres] bevond. Zij heeft deze waarde begroot op NAf 75.000,00 en vordert daarom NAf 37.500,00 van gedaagden. Ondanks het gemotiveerde verweer van gedaagden heeft [eiseres] nagelaten de vordering deugdelijk te specificeren, concretiseren en onderbouwen. Zo heeft zij niet specifiek aangegeven welke goederen gemeenschappelijk zijn noch welke goederen zij heeft betaald, hetgeen gezien het verweer van gedaagden wel op haar weg had gelegen. Voorts is de waarde van de inboedel, zo deze al gemeenschappelijk zou zijn, niet af te leiden uit de stellingen van [eiseres] en de door haar overgelegde producties. Deze vordering is derhalve eveneens, als onvoldoende onderbouwd, niet toewijsbaar. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De verdere stellingen van partijen op dit onderdeel behoeven geen bespreking.

De vordering betreffende persoonlijke eigendommen (3.1. sub 3)

4.6.[

[Eiseres] vordert teruggave van de in productie 16 bij het verzoekschrift genoemde persoonlijke eigendommen. Ondanks het verweer van gedaagden op dit punt, heeft [eiseres] nagelaten (per goed) te onderbouwen dat de bedoelde goederen haar in eigendom toebehoren. De enkele stelling de (alle) goederen aan [eiseres] toebehoren dan wel door haar zijn betaald, is tegenover het verweer van gedaagden onvoldoende. [Eiseres] heeft ook onvoldoende onderbouwd dat de briljant haar in eigendom toebehoort. Nu de briljant in het kantoor van [naam overledene]is aangetroffen en gedaagden hebben betwist dat deze aan [eiseres] toebehoort, had het op haar weg gelegen haar stelling nader, voldoende te onderbouwen. De enkele stelling dat [naam overledene] de briljant op de verjaardag van [eiseres] in 2013 aan haar heeft gegeven en vervolgens onder zich heeft gehouden om deze te laten verwerken in een ring en die ring op haar volgende verjaardag, in 2014, aan haar te geven, is in dit verband onvoldoende, nu daaruit niet blijkt dat de briljant aan [eiseres] is overgedragen. Uit die stelling volgt eerder dat van een eigendomsoverdracht (nog) geen sprake was, zoals gedaagden hebben betoogd. De vordering van [eiseres] is op dit onderdeel derhalve eveneens, als onvoldoende onderbouwd, niet toewijsbaar. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De verdere stellingen van partijen op dit punt behoeven geen bespreking.

Proceskosten

4.7.

Nu [eiseres] in het ongelijk is gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, tot aan deze uitspraak bepaald op NAf 6.000,00 aan salaris van de gemachtigde (2 punten à tarief NAf 3.000,00) en het forfaitaire bedrag ad NAf 250,00 aan nakosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst de vorderingen van [eiseres] af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op NAf 6.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in opgemeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2017.