Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:91

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-06-2017
Datum publicatie
24-07-2017
Zaaknummer
KG 82572/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rectificatie - Ongefundeerde beschuldigingen - Dwangsom ondanks faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

[eiser],

wonend in Curaçao,

eiser,

gemachtigden: mrs. A.N. Sulvaran en S.I. Da Costa Gomez,

--tegen--

[gedaagde],

wonend te Curaçao,

gedaagde,

niet verschenen.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Eiser heeft op 24 april 2017 een verzoekschrift met producties ingediend en op 30 mei 2017 een akte vermeerdering van eis. Gedaagde heeft bij e-mail van 30 mei 2017 aan het Gerecht bericht dat hij een rectificatie heeft geplaatst. Eiser heeft op 31 mei 2017 aanvullende producties ingediend. Gedaagde heeft bij e-mail van 31 mei 2017 aan het Gerecht bericht dat hij op 27 mei 2017 gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot rectificatie en op 31 mei 2017 aan het verzoek om 11 personen te taggen, dat hij zich vanwege zijn faillissement niet door een advocaat kan laten vertegenwoordigen, dat hij verhinderd is om op de zitting van 1 juni 2017 om 09.00 uur te verschijnen omdat hij die dag een afspraak heeft om 10.30 uur en dat hij verzoekt om een nieuwe datum van behandeling. Op 1 juni 2017 heeft vervolgens de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij eiser en zijn gemachtigden zijn verschenen en gedaagde niet is verschenen. Het aanhoudingsverzoek van gedaagde is ter zitting besproken en afgewezen. Eiser en zijn gemachtigden hebben vervolgens het woord gevoerd. De gemachtigden hebben hun pleitnotities en een volledige uitdraai van productie 4 bij het verzoekschrift overgelegd.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Eiser is werkzaam als politiek adviseur.

2.2.

Gedaagde, ook bekend als ‘[gedaagde’ [achternaam gedaagde], heeft op 17 april 2017 om 05:43 PM een openbaar (‘public’) bericht op zijn Facebookpagina/[Naam facebook]) geplaatst. Het bericht bevat de volgende beschuldigingen aan het adres van eiser (vertaald uit het Papiaments):

  1. eiser is in het bezit van een vals Mexicaans paspoort;

  2. eiser heeft geen bewijs van goed gedrag van geen enkel land;

  3. eiser heeft geen Nederlands paspoort en er moet aan de autoriteiten worden gevraagd hoe hij op Curaçao is;

  4. eiser was opgesloten in Libanon omdat ze hem hebben aangehouden met een koffer vol cocaïne vanuit Colombia; eiser heeft het justitieel systeem van Libanon in de maling genomen door te doen alsof hij ziek is waardoor hij is ontsnapt;

  5. eiser wordt in Libanon gezocht wegens verraad;

  6. eiser is zijn Libanese paspoort daardoor kwijtgeraakt en kan nooit meer terug naar Libanon;

  7. eiser heeft op Curaçao Eunice Martin, directeur secundair onderwijs, opgelicht;

  8. eiser houdt zich bezig met de illegale import / verkoop van sigaretten en alcohol;

  9. eiser heeft de basisschool niet afgemaakt en zijn diploma van de [naam] University door iemand online laten maken omdat hij zelf de capaciteiten niet heeft;

  10. op Curaçao is er een klacht door de ex van eiser ingediend wegens mishandeling.

Het bericht vermeldt voorts (vertaald uit het Papiaments): Voor degenen die nog twijfelen. We hebben bewijs van dit alles in ons bezit. Alles zal bij het OM worden ingediend. We dagen [persoon 1] en deze oplichter [eiser] of [eiser] om al deze beschuldigingen te weerleggen.

In het bericht zijn 20 personen ‘getagged’, waaronder een journalist en een aantal politici. Onder het bericht is een foto van (onder meer) eiser geplaatst.

Het bericht is 63 keer gedeeld en 153 keer ‘geliked’.

2.3.

Op 27 mei 2017 om 7:43 PM is een bericht op de Facebookpagina [freelance journalist] geplaatst, waarin een niet bij naam genoemd persoon meedeelt, vertaald uit het Papiaments, dat hij niet liegt en geen onzin spreekt, dat het zijn uitgangspunt is om de mensen bewust te maken van wie wie is in het parlement, dat hij dit doel heeft bereikt en dat hij in de zaak van [eiser] of [eiser] de onder het bericht vermelde rectificatietekst moet publiceren.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert - na vermeerdering van zijn eis bij akte - dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal veroordelen om binnen 24 uur, althans enige andere door het Gerecht te bepalen termijn, nadat het verzochte vonnis zal zijn gewezen, althans zal zijn betekend, zonder enig commentaar van zijn kant daarbij te plaatsen:

a. de in het verzoekschrift in het petitum onder 1 nader omschreven rectificatie op zijn Facebookpagina te (doen) plaatsen en wel dusdanig dat deze 30 dagen lang bovenaan zijn Facebookpagina zichtbaar blijft;

b. de foto van eiser en de daarbij geplaatste tekst (zoals omschreven in het verzoekschrift in het petitum onder 2 en hiervoor onder 2.2. weergegeven) van zijn Facebookpagina te verwijderen en permanent verwijderd te houden;

c. met bepaling dat gedaagde voor iedere dag die zal aanvangen nadat het te geven vonnis aan hem zal zijn betekend en hij niet aan een der daarin aan hem gegeven bevelen zal hebben voldaan ten gunste van eiser een dwangsom van NAf 10.000,= zal verbeuren en, voor zover hij alsdan nog steeds in faillissement zal verkeren, door eiser, op zijn kosten, gegijzeld zal mogen worden totdat hij aan deze beide bevelen zal hebben voldaan, althans voor de door het gerecht te bepalen termijn in gijzeling genomen mag worden door eiser;

d. met bepaling dat gedaagde bij het plaatsen van de rectificatie de volgende personen dient te ‘taggen’:

l. [persoon]

3. [ persoon]

4. [ persoon]

5. [ persoon]

6. [ persoon]

7. [ persoon]

8. [ persoon]

9. [ persoon]

10. [ persoon]

11. [ persoon]

12. [ persoon]

13. [ persoon]

14. [ persoon]

15. [ persoon]

16. [ persoon]

17. [ persoon]

18. [ persoon];

e. met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.2.

Eiser heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd, zakelijk weergegeven. Gedaagde heeft 10 ernstige beschuldigingen aan het adres van eiser op zijn Facebookpagina geplaatst. Eiser is zonder enige vorm van onderbouwing beschuldigd van het plegen van (ernstige) strafbare feiten en andere voor zijn eer, goede naam, faam en aanzien ernstige, ongefundeerde, zeer beledigende, smadende en belasterende verwijten. Nu voor de beschuldigingen geen enkele grond bestaat, zijn deze als onrechtmatig jegens eiser aan te merken. Eiser lijdt hierdoor reputatie- en imagoschade, aldus nog steeds eiser.

3.3.

Gedaagde heeft in zijn e-mail van 31 mei 2017 het verweer gevoerd dat hij op 27 mei 2017 gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot rectificatie en de door eiser verzochte tekst heeft overgenomen en dat hij op 31 mei 2017 gevolg heeft gegeven aan het verzoek om 11 personen te ‘taggen’.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de vordering en de daaraan ten grondslag liggende stelling, inhoudende dat de uitlatingen van gedaagde eiser schaden.

4.2.

Het Gerecht stelt het volgende voorop. Een bevel tot rectificatie vormt een beperking van het in artikel 10 eerste lid EVRM gewaarborgde recht van vrijheid van meningsuiting. Dat recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen (artikel 10 tweede lid EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagde onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van de goede naam - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van eiser is dat hij niet mag worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het belang van gedaagde is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend of waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag moet geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de ernst van de beschuldigingen, van de inbreuk op de goede naam en - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak wil stellen, alsmede de mate waarin de beschuldigingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal.

4.3.

De beschuldigingen van gedaagde aan het adres van eiser houden in (kort samengevat) dat eiser verschillende strafbare feiten heeft gepleegd. Het betreft beschuldigingen die een ernstige inbreuk vormen op de goede naam van eiser. Voor dergelijke beschuldigingen zal genoegzame grond moeten zijn. Gedaagde heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de beschuldigingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. De beschuldigingen zijn derhalve ongefundeerd. Het uiten van deze ongefundeerde beschuldigingen is onrechtmatig jegens eiser. Het is in het belang van eiser noodzakelijk dat een en ander wordt rechtgezet. Rectificatie is daartoe een adequaat en proportioneel middel.

4.4.

Gedaagde heeft aangevoerd dat hij de door eiser verzochte rectificatietekst reeds heeft overgenomen. Naar aanleiding hiervan is ter zitting de Facebookpagina van gedaagde bezocht. Daarop is de bedoelde rectificatietekst niet waargenomen. Dat gedaagde op 31 mei 2017 de bedoelde 11 personen heeft ‘getagged’, zoals hij voorts heeft aangevoerd, is evenmin waargenomen. Het bericht op de Facebookpagina Freelance journalist] I (zoals hiervoor onder 2.3. vermeld) is niet aan te merken als een (deugdelijke) rectificatie, omdat onduidelijk is van wie het bericht afkomstig is en daarin wordt gesuggereerd dat de publicatie - ondanks de rectificatie - toch waar is. Eiser heeft derhalve nog voldoende belang bij rectificatie.

4.5.

In de rectificatie kan worden volstaan met de tekst dat de beschuldigingen niet juist zijn, een en ander zoals hieronder nader bepaald. De rectificatie zal binnen 10 dagen, in het Papiaments en zonder enig commentaar van de kant van gedaagde moeten worden geplaatst, op zo’n manier dat het bericht een week lang bovenaan de Facebookpagina van gedaagde zichtbaar blijft (‘pinnen’ genoemd).

4.6.

De vordering van eiser om het bericht en zijn foto van de Facebookpagina van gedaagde te verwijderen en verwijderd te houden zal als niet weersproken worden toegewezen, zoals hieronder nader bepaald.

4.7.

Het Gerecht zal aan het bevel een dwangsom verbinden. Het faillissement van gedaagde vormt geen aanleiding om de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toe te staan, omdat vooralsnog niet aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel (de dwangsom) onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van eiser toepassing daarvan rechtvaardigt. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd tot redelijk geachte bedragen, een en ander zoals in het dictum nader is bepaald.

4.8.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van eiser worden begroot op NAf 437,95 aan explootkosten, NAf 450,00 aan griffierecht en NAf 1.000,00 aan gemachtigdensalaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

- beveelt gedaagde om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis:

a) op zijn Facebookpagina (https://www.facebook.com/roliperretgentil) de volgende rectificatie in het Papiaments te plaatsen, zonder enig commentaar van zijn kant:

RECTIFICATIE inzake [eiser]

Op 17 april 2017 heb ik een bericht op mijn Facebookpagina geplaatst, waarin ik verschillende beschuldigingen jegens [eiser] heb geuit. Bij vonnis van 16 juni 2017 heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao geoordeeld dat deze beschuldigingen ongefundeerd zijn en dat mijn bericht dan ook onrechtmatig is jegens [eiser].”; en

b) daarbij de hiervoor onder 3.1. sub d. vermelde 18 personen te ‘taggen’; en

c) het bericht van 17 april 2017 om 05:43 PM (zoals in het verzoekschrift in het petitum onder 2 geciteerd) en de daaronder geplaatste foto van eiser van zijn Facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden;

op straffe van verbeurte van een dwangsom van NAf 100,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van NAf 2.000,00;

- veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiser begroot op NAf 1.887,95;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op

9 juni 2017.