Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:67

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
EJ 81655/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3088
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESCHIKKING

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: EJ 81655/2017

Datum beschikking: 2 maart 2017

in de zaak van

[verzoekster],

wonend te Curaçao,

verzoekster,

advocaat: mr. N.V.R. Doekhie,

tegen

de naamloze vennootschap Golden Gate Bridge N.V.,

zetelend te Curaçao,

verweerster,

advocaat: mr. A.V.G. Rooijer.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en GGB genoemd worden.

1 Verloop van de procedure en het geschil

1.1.

Bij inleidend verzoekschrift met bewijsstukken, dat op 11 januari 2017 ter griffie is binnengekomen, heeft [verzoekster] verzocht om:

-het ontslag nietig te verklaren;

-GGB te veroordelen om het salaris vanaf 17 mei 2016 door te betalen vermeerderd met de vertragingsrente en wettelijke rente;

-GGB te veroordelen om [verzoekster] een ontslagvergoeding uit te keren gelijk aan drie maanden salaris;

-GGB te veroordelen in de proceskosten.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 februari 2017. Op voorhand is per brief van 7 februari 2017 van de zijde van GGB een vijftal getuigenverklaringen toegezonden. Bij de behandeling van de zaak waren aanwezig [verzoekster] en haar gemachtigde enerzijds en de directeur van GGB [directeur](verder [directeur]) en de gemachtigde van GGB anderzijds.

1.3.

De gemachtigden hebben gepleit aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen. Voorts hebben [verzoekster] en GGB het woord gevoerd. GGB heeft verzocht, voorzover het Gerecht zou oordelen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat, deze te ontbinden zonder toekenning van enige vergoeding aan [verzoekster].

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Feiten

2.1. [

verzoekster] was in dienst van GGB sinds 8 januari 2015 als kokkin en verdiende
NAf 1.704,60 per maand.

2.2.

Op 14 mei 2016 heeft zich een incident afgespeeld tussen [verzoekster] en [directeur], waarna [verzoekster] door [directeur] is ontslagen.

2.3. [

verzoekster] heeft per brief van 18 juli 2016 de nietigheid van dat ontslag ingeroepen.

2.4.

GGB heeft op 22 juli 2016 een ontslagvergunning aangevraagd bij SOAW. Toestemming van SOAW tot ontslag is verleend op 1 september 2016. Een opzegging van de arbeidsovereenkomst door GGB is daarna uitgebleven.

2.5.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft GGB per brief van begin november 2016 gewezen op het recht van doorbetaling van het loon van [verzoekster].

2.6.

GGB heeft per brief van 25 november 2016 aan de gemachtigde van [verzoekster] medegedeeld dat het ontslag op staande voet wordt gehandhaafd omdat [verzoekster] zich grof heeft uitgelaten tegen de directeur in bijzijn van collega’s.

3 Beoordeling

Ontslag op staande voet

3.1.

Volgens [verzoekster] ontbrak een dringende reden voor ontslag. Volgens GGB was er wel een dringende reden.

3.2.

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is nodig dat sprake is van een dringende reden. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van een werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 1615p lid 1 BW). Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.

3.3.

GGB heeft aangevoerd dat [verzoekster] vaker brutaal gedrag vertoonde op de werkvloer doordat ze zich onbeschoft gedroeg tegenover anderen. Volgens [directeur] was [verzoekster] al drie keer eerder naar huis gestuurd als gevolg van dat gedrag en hebben hij en zijn broer Luis ongeveer twee maanden voorafgaand aan het ontslag op staande voet op 14 mei 2016, een gesprek daarover gehad met [verzoekster]. In dat gesprek had [verzoekster] beloofd zich in de toekomst niet meer zo te gedragen en om die reden vond [directeur] het goed dat zij haar werk vervolgde.

Op 14 mei 2016 heeft [verzoekster] zich in de ochtend weer onbeschoft gedragen tegenover [directeur]. Nadat [directeur] haar meerdere keren een vraag stelde in verband met een mogelijk lekkende kraan en [verzoekster] meerdere keren weigerde te antwoorden, heeft zij volgens [directeur] in brutale bewoordingen gezegd dat ze niet met hem wilde praten en dat hij zelf maar naar die kraan moest gaan kijken. Vervolgens heeft [directeur] haar ontslagen. [verzoekster] weigerde te vertrekken en gaf aan dat zij alleen door Luis kon worden ontslagen. Dit klopt niet aangezien hij, [directeur], de directeur is, aldus nog steeds [directeur].

3.4. [

verzoekster] heeft op haar beurt bestreden dat zij vaker is gewaarschuwd voor onbeschoft gedrag. Voorts heeft zij over het incident op 14 mei 2016 aangegeven dat [directeur] die ochtend “sera smoel (/ hou je bek”) tegen haar had gezegd naar aanleiding van een opmerking van [verzoekster] over het niet voorhanden hebben van kip. Toen hij haar enige tijd later vragen ging stellen over een kraan heeft zij dus haar mond gehouden, zoals [directeur] haar zelf had opgedragen. Zij heeft hardop tegen haar collega Aracelys en in het bijzijn van [directeur] uitgesproken dat ze niet met hem zou praten. Vervolgens vertelde [directeur] haar dat ze was ontslagen. [verzoekster] wilde evenwel wachten op Luis, aangezien hij een keer had gezegd dat als er iets zou zijn, zij zich tot hem moest richten. Om 15.00 uur is [verzoekster] naar huis gegaan, aldus nog steeds [verzoekster].

3.5.

In de eerste plaats staat voor het Gerecht op basis van de in het geding gebrachte getuigenverklaringen alsmede de verklaringen van [verzoekster] en [directeur] het volgende in voldoende mate vast. Op 14 mei 2016 stelde [directeur] meerdere keren een vraag aan [verzoekster] over een kraan. [verzoekster] negeerde [directeur] waarna zij hem op brutale wijze en in aanwezigheid van andere werknemers heeft geantwoord. [verzoekster] vroeg zich immers eerst hardop, in zijn bijzijn terwijl zij zich richtte naar een collega, af waarom [directeur] aan haar vragen stelde / waarom hij tegen haar praatte. Vervolgens heeft zij tegen [directeur] gezegd dat hij zelf maar moest gaan kijken (naar die kraan). Ook staat vast dat [directeur] [verzoekster] vervolgens ontslag heeft aangezegd en dat [verzoekster] hieraan feitelijk pas later gevolg gaf, aangezien zij nadien nog enige uren op de werkplek is gebleven.

3.6.

In de tweede plaats is niet komen vast te staan dat [directeur] die ochtend “sera smoel” tegen [verzoekster] had gezegd. [verzoekster] heeft dit voor het eerst ter zitting naar voren gebracht. [directeur] heeft de stelling beargumenteerd bestreden. Die stelling wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel, noch is dit bewijs aangeboden.

3.7.

Ten derde heeft te gelden dat hoewel [verzoekster] betwist dat zij vaker is gewaarschuwd voor brutaal gedrag, dit toch in voldoende mate vast staat. De stelling daarover van de werkgever vindt steun in de getuigenverklaringen en in de brief van 17 mei 2016 gericht aan mw. Francisca (productie 6 bij verzoekschrift).

3.8.

Voorgaande betekent dat in voldoende mate vast staat dat [verzoekster] vaker is gewaarschuwd voor onbeschoft gedrag op de werkvloer en dat zij zich hieraan vervolgens wederom schuldig heeft gemaakt op 14 mei 2016. [verzoekster]’s gedragingen hebben tot gevolg dat van GGB redelijkerwijze niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] voort liet duren. Het is immers ondoenlijk om te werken met een werknemer die zich bij herhaling brutaal gedraagt en geen aanwijzingen opvolgt van de werkgever. Het ontslag op staande voet is derhalve niet nietig en de arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd per 14 mei 2016.

3.9. [

verzoekster] werpt nog op dat er de getuigenverklaringen 16 mei 2016 noemen als dag van het incident terwijl dit in feite op 14 mei 2016 heeft plaatsgevonden. Namens GGB is ter zitting naar voren gebracht dat er mogelijk sprake is geweest van een vergissing in de data maar dat het duidelijk is dat de getuigen en [directeur]e spreken over hetzelfde feitencomplex, dat heeft plaatsgevonden op 14 mei 2016. Hiermee is dit verschil in data in voldoende mate verklaard.

3.10.

Tenslotte voert [verzoekster] tevergeefs aan dat het gegeven dat GGB een ontslagvergunning heeft aangevraagd een bevestiging vormt van het gegeven dat zij geen grond had om [verzoekster] op staande voet te ontslaan. Naar het oordeel van het Gerecht is het niet relevant dat en waarom GGB een ontslagvergunning heeft aangevraagd na het reeds verleende ontslag. De vraag of het ontslag op staande voet al dan niet nietig is wordt niet beïnvloed door het al dan niet - kennelijk voor de zekerheid - aanvragen van een ontslagvergunning nadien.

Ontbinding arbeidsovereenkomst

3.11.

GGB heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk - voor het geval het ontslag op staande voet geacht wordt ten onrechte te zijn gegeven - te ontbinden.

3.12.

Op grond van hetgeen in 3.7 is overwogen is er een gewichtige reden voor (voorwaardelijke) ontbinding (artikel 1615w lid 2 BW). Het verzoek in voorwaardelijke zin zal derhalve worden toegewezen.

Tenslotte

3.13.

In de omstandigheden van het geval vindt het Gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren ten aanzien van beide vorderingen.

3.14.

Gelet op het door [verzoekster] ingebrachte bewijs van onvermogen, zal zij worden toegelaten om kosteloos te procederen.

4 Beslissing

Het Gerecht

terzake de vorderingen van [verzoekster]

4.1.

laat [verzoekster] toe kosteloos te procederen;

4.2.

wijst af het door [verzoekster] gevorderde;

4.3.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

terzake het zelfstandig tegenverzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.4.

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 2 maart 2017, voor zover in kracht van gewijsde in rechte komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op 14 mei 2016 is geëindigd;

4.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

terzake beide vorderingen

4.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.