Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:6

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
AR 70021/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst boot, bewijsopdracht, verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER SUB 1]

[EISER SUB 1]-[EISER SUB 2],

wonende te Curaçao,

eisers,

advocaat: mr. O. Saleh-Kostrzewski,

tegen

[GEDAAGDE SUB 1]

[GEDAAGDE SUB 2],

wonende te Curaçao,

gedaagden,

advocaat: mrs. M.G. Woudstra en N.E. Soon.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘eisers’en afzonderlijk als ‘[eiser sub 1]’ en ‘[eiser sub 2]’. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘gedaagden’ en afzonderlijk als ‘[gedaagde sub 1]’ en ‘[gedaagde sub 2]’.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 oktober 2015;

- het proces-verbaal van de enquête van 5 februari 2016;

- het proces-verbaal van de enquête en van de contra-enquête van 31 maart 2016;

- het proces-verbaal van de contra-enquête van 8 september 2016;

- de conclusie na enquête van de zijde van eisers;

- de conclusie na enquête van de zijde van gedaagden.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Ter inleiding geldt het volgende. Eisers en gedaagden hebben in 2013 samen een boot gekocht: de Sea Ray. In 2014 hebben partijen een geschil gekregen over de Sea Ray. Kort samengevat stellen eisers dat gedaagden zich de Sea Ray ten onrechte hebben toegeëigend, terwijl eisers nog altijd mede-eigenaren zijn. Volgens gedaagden is er geen sprake meer van mede-eigendom aangezien gedaagden volgens overeenkomst het aandeel van eisers in de Sea Ray hebben betaald aan [eiser sub 1].

2.2.

Bij tussenvonnis van 19 oktober 2015 zijn gedaagden toegelaten te bewijzen dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot het aandeel van eisers / [eiser sub 2] / [eiser sub 1] in de Sea Ray en dat aan [eiser sub 1] is betaald voor dit aandeel door gedaagden / [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 1] en dat de Sea Ray is geleverd aan gedaagden / [gedaagde sub 2] / [gedaagde sub 1].

2.3.

Gedaagden hebben [getuige 1], [naam getuige 2], [naam getuige 3] en [naam getuige 4] als getuigen doen horen. Eisers hebben [naam getuige A], [eiser sub 1], [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [eiser sub 2] als tegen-getuigen doen horen.

2.4.

Gedaagden zijn niet geslaagd in de bewijsopdracht. Het volgende is redengevend.

2.5.

De verklaringen van eisers [eiser sub 1] en [eiser sub 2] komen er op neer dat er geen nadere koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot de Sea Ray en dat er ook nooit aan hen/[eiser sub 1] is betaald voor het aandeel van eisers in de Sea Ray door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2].

2.6.

Gedaagden voeren in de eerste plaats aan dat de schriftelijke verklaring van 19 december 2013 (productie 9 bij het verzoekschrift en r.o. 2.5. van het tussenvonnis van 19 oktober 2015) bewijs is voor het bestaan van een nadere koopovereenkomst. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben over die verklaring gesteld dat dit slechts een papieren formaliteit betrof om de Sea Ray ingevoerd te krijgen, hetgeen eveneens op 19 december 2013 is geschied. In de conclusie van dupliek stellen gedaagden onder 3.5 meer specifiek dat gedaagde [gedaagde sub 2] en eiseres [eiser sub 2] mondeling een koopovereenkomst zijn aangegaan. Dit wordt vervolgens in de getuigenverhoren echter door geen van die twee getuigen verklaard. [gedaagde sub 2] heeft over de verklaring van 19 december 2013 naar voren gebracht dat [gedaagde sub 1] haar gevraagd had om die op te stellen en te tekenen en dat hij niet zei waarom. Dat [gedaagde sub 2] enerzijds een overeenkomst tot koop/verkoop van het aandeel van eisers in de Sea Ray met [eiser sub 2] zou zijn overeengekomen, terwijl [gedaagde sub 2] zelf daar anderzijds niets van lijkt te weten, valt moeilijk met elkaar te rijmen. Bovengenoemde in samenhang bezien heeft tot gevolg dat de verklaring van 19 december 2013 niet als bewijs kan gelden in het kader van de bewijsopdracht.

2.7.

In de tweede plaats wordt beoordeeld of er voldoende bewijs is geleverd voor de stelling dat gedaagden hebben betaald voor het aandeel van eisers in de Sea Ray. [naam getuige 4], [getuige 1] en [naam getuige 3] hebben daar niet over verklaard. Afgezien van de partijgetuigen is alleen de getuigenverklaring van [naam getuige 2] relevant. [naam getuige 2] heeft verklaard - in de kern - dat hij er bij aanwezig was toen [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 1]
€ 18.000,- heeft overhandigd, ergens in mei 2014, terwijl hij ([naam getuige 2]) begreep dat dit te maken had met de boot. Deze verklaring is evenwel niet betrouwbaar. [naam getuige 2] heeft eerder, zo heeft hij zelf verklaard, op verzoek van [gedaagde sub 1] een verklaring opgesteld. Deze verklaring van 2 november 2014 maakt als productie 3 bij de conclusie van antwoord deel uit van het dossier. [naam getuige 2] heeft, nog voordat deze verklaring ter zitting werd voorgelezen, naar voren gebracht dat op papier zou staan zoals hij het net heeft verklaard tegenover de rechter. Dit is echter niet het geval. In de verklaring van 2 november 2014 staat immers dat de betaling te maken had met het betalen van de salarissen en hypotheek van ’t Hofje (de onderneming van eisers). Er staat niets over een betaling in verband met de Sea Ray / de boot. Op de zitting verklaarde [naam getuige 2] echter dat de betaling te maken had met de boot. [naam getuige 2] maakte een zenuwachtige indruk toen over dit verschil werd doorgevraagd. Bovendien bleef hij vaag over het gesprek waarvan hij getuige was geweest, blijkende uit zijn verklaring dat hij maar ‘half naar het gesprek had geluisterd’ en dat het ‘hem niet voor 100% aan ging’. Tenslotte heeft te gelden dat [naam getuige 2] de compagnon is van [gedaagde sub 1], zodat zijn positie niet objectief is.

2.8.

De partijgetuigenverklaring van [gedaagde sub 1] – die er op neerkomt dat hij € 18.000,- aan [eiser sub 1] heeft betaald – staat tegenover de partijgetuigenverklaring van [eiser sub 1], inhoudende dat hij niet is betaald voor de Sea Ray door [gedaagde sub 1] in welke vorm dan ook. Om deze reden legt de verklaring van [gedaagde sub 1] geen afzonderlijk gewicht in de schaal.

2.9.

Het door gedaagden overgelegde met de hand geschreven overzicht van kosten over het jaar 2013 betreffende de Sea Ray (productie 4 bij de conclusie van antwoord) kan evenmin als bewijs voor betaling gelden. Op genoemd overzicht staat aan de rechterkant de zin: “[naam gedaagde sub 1] aan [naam eiser sub 1] gegeven € 18.000,- contant voor salarissen en kredit aanvullingen.”. Maar het dossier bevat een vrijwel identiek document dat door eisers is overgelegd (produktie 10 bij het verzoekschrift) waarop genoemde zin niet staat. Van de kant van [eiser sub 1] is gesteld dat [gedaagde sub 1] dit er later, buiten zijn aanwezigheid, bij heeft geschreven. Van de zijde van gedaagden is geen bewijs geleverd dat genoemde zin in aanwezigheid van en met instemming van [eiser sub 1] is opgeschreven.

2.10.

Gezien het voorgaande bestaat er geen redelijke mate van zekerheid omtrent de juistheid van de door gedaagden gestelde feiten betreffende de beweerdelijke overeenkomst en de betaling. De bewijsopdracht voor zover deze betrekking heeft op de levering is niet meer relevant, zodat nadere beoordeling daarvan achterwege blijft. De slotsom is dat het bewijs door gedaagden niet is geleverd.

2.11.

De vorderingen liggen derhalve voor toewijzing gereed. De Sea Ray dient verdeeld te worden. In beginsel zal dit geschieden op de wijze, zoals primair is gevorderd, door toedeling van de Sea Ray aan [gedaagde sub 2] met veroordeling van [gedaagde sub 2] tot het betalen van de helft van de waarde aan eisers. Subsidiair is gevorderd dat de Sea Ray wordt verkocht met verdeling van de netto opbrengst bij helfte. [gedaagde sub 2] heeft in haar getuigenverklaring onder meer naar voren gebracht: De boot staat niet meer op mijn naam. Nu mede door die opmerking van [gedaagde sub 2] niet duidelijk is op welke wijze de Sea Ray verdeeld dient te worden zal het Gerecht gedaagden in de gelegenheid stellen om een akte te nemen waarin zij met inachtneming van artikel 3: 185 BW zo concreet mogelijk dienen aan te geven op welke wijze - en eventueel tevens tegen welke waarde - de Sea Ray verdeeld moet worden. Eisers worden daarna in de gelegenheid gesteld om daar per antwoord-akte op te reageren.

2.12.

In afwachting van het bovenstaande worden verder alle beslissingen aangehouden.

3 Het geschil

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 20 februari 2017 voor akte na tussenvonnis zijdens gedaagden P1 zoals is weergegeven onder r.o. 2.11;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.