Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:41

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201500255 en CUR201500256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 3 juncto artikel 11 van de landsverordening Inkomstenbelasting 1943 behoren de voordelen die door belanghebbende worden genoten uit aandelen in een vennootschap, tot zijn belastbaar inkomen (inkomen uit aanmerkelijk belang). Uit de feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het Gerecht alleen met betrekking tot het bedrag van de toename van de schuld worden geconcludeerd dat deze het vermogen van ANV in het jaar 2009 definitief heeft verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 maart 2017

BBZ nrs. CUR201500255 en CUR201500256

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] , woonachtig in Curaçao,

Belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 21 juni 2013 voor het jaar 2009 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie AVBZ opgelegd ten bedrage van respectievelijk Naf. 301.325 en Naf. 4.040.

1.2

Belanghebbende is op 20 augustus 2013 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 24 juli 2015 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3

Belanghebbende is op 23 september 2015 in beroep gekomen tegen die uitspraken op bezwaar. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.4

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 2 september 2016 te Willemstad namens belanghebbende [ mr. A] verschenen. De Inspecteur is met bericht niet verschenen.

1.5

Belanghebbende heeft op 26 september 2016 nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is naar de wederpartij verzonden.

1.6

Nadien is de zaak mondeling behandeld ter zitting van 6 oktober 2016, waarbij namens de belanghebbende, [mr. A ] is verschenen, en namens de Inspecteur [mr. B]. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

2 FEITEN

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende is gehuwd en heeft twee minderjarige kinderen. In het jaar 2010 is belanghebbende gescheiden. Belanghebbende is directeur enig-aandeelhouder van [ Y ] Holding N.V. en [ Z ] N.V. Hij is ook directeur en middellijk (via [ Y ] Holding N.V.) voor 100 percent aandeelhouder van [ Z N.V. ] (ZNV).

2.2

De Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) heeft voor de jaren 1996 tot en met 2000 (eerste onderzoek) en daarna voor de jaren 2007 tot en met 2009 (tweede onderzoek) bij ANV een boekenonderzoek verricht. Met betrekking tot de rekening-courantverhouding van belanghebbende met ANV is in het eerste rapport (van 9 januari 2002) het volgende vermeld:

“3.2 Rekening-courant dhr. [ X ]

Deze heer [ X ] heeft met name in de periode vanaf 1996 regelmatig gelden opgenomen vanuit liquide middelen van [Z]. De rekening courant schuld van de heer [ X ] is hierbij opgelopen tot een schuld van ruim Naf. 280.000. Het verloop hiervan is als volgt:

Jaar

Rek. Courant

(#120.000)

Lening u/g

(#120.500)

Totaal opgenomen

1996

39.644

0

39.644

1997

87.613

0

87.613

1998

188.752

0

188.752

1999

2.516

225.000

227.516

2000

63.125

225.000

288.125

De adviseur [ M ] heeft dit ook geconstateerd en heeft de rekening-courantschuld per 31-12-1999 omgezet in een lening u/g. Er is een annuïteitenberekening opgemaakt door de heer [ M ], rekening houdend met een rentepercentage van 6%. Verder is er een achteraf ondertekende schuldbekentenis opgemaakt per 31-12-2000, waarin de heer [ X ] aangeeft een bedrag van f 225.000 schuldig te zijn aan [ Z ].

Er is echter tot op heden niets op afgelost. In het jaar 2000 is er ook geen rente betaald. Er is geen enkele zakelijke zekerheid gesteld ten behoeve van [ Z ] waaruit men de zekerheid heeft dat de lening daadwerkelijk wordt terugbetaald.

Afgesproken is met de heer [ X ] dat:

  1. Er een aflossingsschema zal worden opgemaakt voor wat betreft de lening inclusief zakelijke rente (naar marktwaarde) en er vanaf 1 januari 2002 daadwerkelijk zal worden afgelost.

  2. Er dient een zekerheid te worden gesteld.

  3. Rekening courant mag niet meer oplopen.

Er dient hier aangegeven te worden dat indien de afspraken niet worden nagekomen alsnog de lening als uitdeling zal worden aangemerkt.”

2.3

De SBAB heeft tijdens het tweede onderzoek geconstateerd dat de schuld van belanghebbende aan ANV is toegenomen en dat de door ANV berekende en verwerkte rente over de rekening-courantverhouding hoger moet zijn. Het saldo van de schuld moet volgens de SBAB ultimo 2009 worden becijferd op Naf. 607.433. De SBAB heeft op basis van deze vaststellingen geconcludeerd dat belanghebbende zich niet heeft gehouden aan de afspraken over de rekening-courantverhouding zoals die zijn weergegeven in het eerste rapport. Aan de Inspecteur is geadviseerd om het volledige saldo van de schuld van belanghebbende (Naf.607.433) aan te merken als winstuitdeling. Daarnaast heeft de SBAB aan de Inspecteur voorgesteld om de bij ANV voor het onderhavige jaar gedane omzetcorrectie van Naf. 2.534 als winstuitdeling bij belanghebbende te belasten. In het rapport is hierover het volgende vermeld:

4.3.1. Opbrengstgegevens van derden

Hierna volgt een vergelijking van de gegevens welke zijn verzameld bij derden met de inkomsten zoals vermeld in de jaarrekening van belastingplichtige.

2007

2008

2009

Aangegeven opbrengsten

356.414

400.599

359.570

Gegevens derdenonderzoek

369.104

407.585

362.104

Verschil

12.690

6.986

2.534

Belastingplichtige kon het berekende verschil desgevraagd niet verklaren. De omzetcorrectie behoort niet meer tot het vermogen van belastingplichtige, met andere woorden het saldo heeft het vermogen van belastingplichtige definitief verlaten. Omdat de heer [ X ] binnen belastingplichtige alle beslissingen neemt, is het onder de gegeven omstandigheden het meest waarschijnlijk dat de heer [ X ] de gelden in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder heeft ontvangen. Omdat de heer [ X ] tevens de vertegenwoordiger van belastingplichtige is, moet ook belastingplichtige zich van deze bevoordeling van haar aandeelhouder bewust zijn geweest. Ik stel dan ook voor om bovengenoemde omzetcorrectie aan te merken als een uitdeling van winst door belastingplichtige aan de heer [ X ] gezien het feit dat de heer [ X ] middellijk aandeelhouder is via [ Y ] Holding. De aangegeven omzet dient met de berekende verschillen te worden gecorrigeerd.”

2.4

De Inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd overeenkomstig de door de SBAB voorgestelde bedragen aan correcties: Naf. 609.967 (Naf.607.433 +/+ Naf. 2.534). Het belastbaar inkomen is daarbij vastgesteld op Naf. 804.847, waarop het progressieve tarief is toegepast.

2.5

Uit de stukken van het geding blijkt het verloop van de rekening-courantschuld als volgt te zijn: 2002: Naf. 92.434, 2003: Naf. neg. 19.008, 2004: Naf.12.161, 2005: Naf. 65.864, 2006: Naf 108.025, 2007: Naf 198.645. In het jaar 2008 was de rekening-courantschuld ruim 4 ton. In dat jaar is de rekening-courantschuld tezamen met het nog openstaande bedrag van de eerste lening (Naf. 129.970) omgezet in een nieuwe lening (Naf. 532.028). Met betrekking tot deze lening is een aflossingschema afgesproken en een rente van 6 percent. Het saldo van de rekening-courantschuld (Naf 53.136) is in het jaar 2009 ook toegevoegd aan de lening. De lening bedroeg ultimo 2009, Naf. 585.164. In het jaar 2010 is met het saldo van de rekening-courantschuld in het jaar 2010 dezelfde handelswijze (toevoeging aan lening) toegepast. In het jaar 2012 is de lening gecedeerd aan [ Y ] Holding NV.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of het bedrag van de winstuitdeling juist is.

De vraag of ter zake van de schuld van belanghebbende aan ANV sprake is van een winstuitdeling is niet meer in geschil nu de gemachtigde van belanghebbende desgevraagd ter zitting heeft verklaard dit niet meer te bestrijden. Ook zijn partijen het er over eens dat de winstuitdeling moet worden belast naar een inkomstenbelastingtarief van 19,5 percent.

3.2

Belanghebbende stelt samengevat:

Primair: dat het bedrag van de winstuitdeling gelijk is aan de totale opname in het onderhavige jaar ten bedrage van Naf. 53.136 eventueel vermeerderd met de correctie van Naf. 2.534;

Subsidiair: dat het bedrag van de winstuitdeling gelijk is aan de totale jaarlijkse opnames van belanghebbende (Naf. 585.164) minus de bedragen die als rente met betrekking tot de rekening courant zijn berekend (Naf. 60.951). Belanghebbende becijfert de winstuitdeling alsdan op Naf. 524.213 eventueel vermeerderd met de correctie van Naf. 2.534.

Met betrekking tot de omzetcorrectie van Naf. 2.534 die bij belanghebbende als winstuitdeling wordt aangemerkt wordt aangevoerd dat deze niet significant is ten opzichte van de totale omzet van ANV. De correctie moet daarom achterwege blijven.

3.3

De Inspecteur voert primair aan dat de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Subsidiair voert zij aan dat het bedrag van Naf. 360.164 (Naf. 585.164 minus het bedrag van de oorspronkelijke lening van Naf. 225.000 ) moet worden aangemerkt als winstuitdeling. De omzetcorrectie van Naf 2.534 is volgens de Inspecteur terecht bij belanghebbende als winstuitdeling aangemerkt.

3.4

Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Gerecht naar de gedingstukken.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

AVBZ

4.1

Met betrekking tot het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de AVBZ oordeelt het Gerecht als volgt. Ingevolge artikel 39, tweede lid van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten doet de Inspecteur indien, zoals hier, de feiten en omstandigheden die in geding zijn tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, op een bezwaarschrift betreffende de premie AVBZ eerst uitspraak nadat de aanslag in de inkomstenbelasting onherroepelijk is komen vast te staan. De Inspecteur heeft vroegtijdig uitspraak gedaan omdat toen zij de uitspraak deed de aanslag in de inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk vast stond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de AVBZ is derhalve gegrond.

Inkomstenbelasting

4.2

Ingevolge artikel 3 in verbinding met artikel 11 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 behoren de voordelen die door belanghebbende worden genoten uit aandelen in ANV, tot zijn belastbaar inkomen (inkomen uit aanmerkelijk belang). Tussen partijen is niet in geschil dat het volledige bedrag van de opnames als winstuitdeling moet worden aangemerkt. De rentecorrecties zijn daarom niet aan de orde. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag welk bedrag in het onderhavige jaar als winstuitdeling moet worden aangemerkt. Volgens de Inspecteur is dat het hele bedrag van de lening of een deel daarvan (Naf. 360.164). Zij baseert deze stelling in de eerste plaats op de onder 2.3 vermelde afspraken met betrekking tot de lening die volgens haar niet zijn nagekomen. Ook heeft zij onweersproken aangevoerd dat het besteedbaar inkomen en het vermogen van belanghebbende gedurende de gehele looptijd van de lening ontoereikend waren om deze af te lossen. Belanghebbende bestrijdt dat de afspraken met betrekking tot de lening niet zijn nagekomen en betoogt dat op de lening is afgelost en dat deze in een bepaald jaar zelf negatief was. Volgens belanghebbende is jaarlijks sprake van een winstuitdeling ter grootte van de opnames die in dat betreffende jaar hebben plaatsgevonden. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt. De stelling van de Inspecteur dat belanghebbende zich niet heeft gehouden aan de afspraken en dat daarom het bedrag van de lening in het jaar 2009 als uitdeling moet gelden dient te worden verworpen. Partijen zijn immers over het tijdstip van het stellen van de winstuitdeling niets overeengekomen. Ook leidt een redelijke uitleg van de afspraken in samenhang met hetgeen belanghebbende over de nakoming daarvan heeft aangevoerd het Gerecht niet tot het oordeel dat de Inspecteur gelijk moet krijgen. Uit de feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het Gerecht alleen met betrekking tot het bedrag van de toename van de schuld worden geconcludeerd dat deze het vermogen van ANV in het jaar 2009 definitief heeft verlaten. In het jaar 2009 heeft enkel de toename van de schuld van belanghebbende daarom te gelden als onttrekking. Op dit punt is het gelijk derhalve aan de zijde van belanghebbende.

4.3

Met betrekking tot het bedrag aan correctie van Naf. 2.534 heeft belanghebbende tegenover het verweer van de Inspecteur (controlerapport) geen feiten en omstandigheden ingebracht die tot het oordeel moeten leiden dat het bedrag aan winstuitdeling moet vervallen. Deze correctie blijft in stand. Het gelijk is op dit punt derhalve aan de Inspecteur.

5 BESLISSING

Het Gerecht

  • -

    verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslagen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting tot een naar een belastbaar inkomen van Naf. 250.550, waarbij over een bedrag van Naf. 55.670 het tarief van 19,5% wordt toegepast.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, mr. drs. M.M. de Werd en mr. G.J. van Muijen, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).