Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:34

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
CUR201500135, CUR201500136 en CUR201500137, voorheen BBZ nrs. 74695, 74696 en 74697 van 2012
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht oordeelt dat belanghebbende niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan, waardoor de bewijslast wordt omgekeerd. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat de opgelegde aanslag onjuist is. De Inspecteur heeft de aanslag op een redelijk bedrag vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 maart 2017

BBZ nrs. CUR201500135, CUR201500136 en CUR201500137, voorheen BBZ nrs. 74695, 74696 en 74697 van 2012

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], woonachtig in Curaçao,

Belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Belanghebbende heeft op 8 mei 2013 aangifte inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ gedaan over het jaar 2012 naar een belastbaar en premie inkomen van Naf. 3.273 negatief.

1.2

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 19 september 2014 voor het jaar 2012 aanslagen in de inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ opgelegd naar een belastbaar en premie inkomen van Naf. 70.000.

1.3

Belanghebbende is op 12 november 2014 tijdig tegen de aanslagen in bezwaar gekomen.

1.4

Met dagtekening 22 mei 2015 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen gehandhaafd.

1.5

Belanghebbende is op 9 juli 2015 tijdig in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 31 augustus 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen [ mr. A ]. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een mondelinge behandeling. Ter zitting van de meervoudige kamer van 6 oktober 2016 te Willemstad is namens de Inspecteur verschenen [ mr. B ]. Belanghebbende is, hoewel daartoe op juiste wijze opgeroepen, zonder opgave van redenen, op beide data niet verschenen.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende drijft in 2012 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak (hierna: de eenmanszaak) onder de naam [ Y ]. De activiteiten bestaan uit de verkoop van bouwmaterialen. In het jaar 2012 heeft de eenmanszaak volgens de jaarstukken een omzet gerealiseerd van Naf. 191.957.

2.3

In de aangifte inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ over het jaar 2012 is door belanghebbende een bedrag aan opbrengsten uit bedrijf en beroep aangegeven van Naf. 3.273 negatief, resulterende in een belastbaar en premie inkomen van hetzelfde bedrag.

2.4

De Inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft het belastbaar inkomen aanvankelijk vastgesteld op Naf. 70.000. Als motivering is in de uitspraak op bezwaar – voor zoverre relevant- opgenomen:

“..U heeft niet bewezen hoe u met zo’n laag inkomen in Uw levensonderhoud heeft kunnen voorzien. ..U heeft eennegatief inkomen van fl.3273,- aangegeven. Uw aangegeven inkomen komt neer op een heel laag netto besteedbaar inkomen. U heeft ook een Minimarket & Panaderia waarvan U de verdiensten hiervan niet heeft aangegeven. U inkomen werd geschat op fl. 70.000,- De aanslag wordt gehanhaafd.”

2.5

Bij belanghebbende is eind 2014 een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over 2010 tot en met 2013.

2.6

Naar aanleiding van het boekenonderzoek is door de Inspecteur het belastbaar inkomen en premie inkomen van belanghebbende over 2012 verminderd tot Naf. 58.624 en zijn de aanslagen dienovereenkomstig verminderd.

2.7

In het controlerapport is in § 3.4 over de administratieplicht van belanghebbende het volgende opgenomen:

“Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen onder andere gehouden hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:

1. Omdat een (groot) deel van de omzet per kas wordt ontvangen dient belastingplichtige een sluitende kasadministratie te voeren. Uit de volgende constateringen blijkt dat dit niet het geval is:

 Er wordt geen kasboek bijgehouden door de ondernemer. De administrateur stelt het grootboek kas achteraf op.

 De kas is volgens de verklaring van de boekhouder een sluitpost.

 Er wordt geen kascontrole toegepast.

 Er wordt geen kasadministratie gevoerd.

2. Er wordt geen voorraadadministratie gevoerd.

3. Belastingplichtige heeft een bankrekening op de naam van [ Y ]. Deze bankrekening is bij de [ Z ] onder nummer 24810801. Deze bankrekening is niet opgenomen op de balans van belastingplichtige.

Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband wordt belastingplichtige via de ouders gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast.”

2.8

In § 3.12 van het controlerapport is over de administratie van belanghebbende door de controlerend ambtenaar het volgende opgemerkt:

“Naast de in de onderdelen “ Administratieplicht” en “Bewaarplicht” genoemde bevindingen heb ik het volgende geconstateerd:

  • -

    In het jaar 2013 is geen aansluiting tussen omzet jaarrekening en omzet waarover OB is aangegeven.

  • -

    Gezien de geringe administratie van belastingplichtige is het opstellen van een goederenbeweging niet mogelijk.

  • -

    De kasverantwoording kon niet beoordeeld worden.

  • -

    Er is geconstateerd dat er sprake is van een negatieve brutowinstmarge voor het jaar 2011 van -17% en van zeer laag brutowinstmarge van 4% voor het jaar 2012.

Zie in dit verband ook artikel 30, lid 6 ALL (omkering bewijslast).”

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil de hoogte van het belastbaar inkomen en premie inkomen voor de inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ over het jaar 2012.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag verminderd dient te worden omdat de Inspecteur ten onrechte heeft gesteld dat hij in 2012 inkomsten uit de Panaderia en de Mini- markt heeft genoten. De Inspecteur stelt dat gelet op de bevindingen van het boekenonderzoek het belastbaar en premie inkomen vastgesteld moet worden op Naf. 58.624.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

De premies AOV/AWW en AVBZ

4.1

Ten aanzien van het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de premieheffingen heeft het volgende te gelden. Ingevolge artikel 39, tweede lid van de Algemene Ouderdomsverzekering, artikel 40, tweede lid van de Landsverordening Algemene Weduwen en Wezenverzekering en artikel 39, tweede lid van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten doet de Inspecteur indien de feiten en omstandigheden die in geding zijn tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, op een bezwaarschrift betreffende de premieheffing eerst uitspraak nadat de aanslag in de inkomstenbelasting onherroepelijk is komen vast te staan. In het voorliggende geval zijn voor de premieheffing dezelfde feiten en omstandigheden in geding als voor de inkomstenbelasting. De Inspecteur heeft vroegtijdig uitspraken gedaan omdat toen zij de uitspraken deed de aanslag in de inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk vast stond. In zoverre is het beroep gegrond.

Inkomstenbelasting

4.2

Artikel 43 lid 2 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna ALL) schrijft voor dat administratieplichtigen, zijnde natuurlijke personen die een bedrijf of beroep uitoefenen, gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf of beroep op zodanige wijze een administratie te voeren dat ten allen tijden hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Artikel 30, lid 6 ALL schrijft voor dat indien het bezwaar is gericht tegen een belastingaanslag met betrekking tot welke ten onrechte niet is voldaan aan de verplichting ingevolge artikel 43 ALL de belastingaanslag wordt gehandhaafd, tenzij gebleken is dat, en zo ja in hoeverre deze onjuist is.

4.3

Gelet op hetgeen de controlerende ambtenaar geloofwaardig en onvoldoende bestreden heeft opgemerkt ten aanzien van de administratie heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn administratieplicht. Er is immers geen sluitende kas- administratie, geen voorraadadministratie, een onverklaarbaar laag brutowinst- percentage en er kan geen goederenbeweging worden opgesteld. In dat geval schrijft artikel 30, lid 6 ALL voor dat de aanslag dient te worden gehandhaafd tenzij belanghebbende overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre deze onjuist is. Daarin is belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet geslaagd. De omstandigheid dat de Inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar ten onrechte gesteld heeft dat belanghebbende in 2012 inkomsten uit de Panaderia en de Mini- markt heeft genoten, brengt het Gerecht niet tot een ander oordeel.

4.4

In dat geval bestaat voor de Inspecteur evenwel de verplichting om de aanslagen in redelijkheid vast te stellen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het belastbaar en premie inkomen dat als grondslag dient voor de aanslagen vastgesteld moet worden op Naf. 58.624. De Inspecteur heeft zich bij het vaststellen van het inkomen op dat bedrag gebaseerd op een door haar opgestelde privé-vermogensvergelijking.

Hierbij heeft de Inspecteur als uitgangspunt gehanteerd dat van het inkomen belanghebbende, zijn familie in Curaçao (vader en moeder) en deels zijn broer in Nederland afhankelijk zijn. Dit uitgangspunt is niet door belanghebbende bestreden. De informatie voor het opstellen van de privé-vermogensvergelijking is afkomstig van de moeder van belanghebbende en belanghebbende zelf. De door de Inspecteur opgestelde privé-vermogensvergelijking is als volgt.

Netto-Privé berekening 2012

Belastbaar bedrag /IB -3.273

Benoemde posten:

Schoolgeld bel.plichtige China $5.000 p/jaar 9.100

Studie broer Holland €3.000 p/jaar 6.840

Overige kosten $100 p/maand 2.184

Reiskosten bel. plichtige China $5.000 p/jaar 9.100

Hypotheek aflossing ANG 2.604 p/maand 0

Levensverzekering pand 300 p/maand

Vader:

Reiskosten vader $5.000 p/jaar 9.100

Aqualectra woonhuis ouders ANG 550 p/maand 6.600

Autokosten:

Bezine (diesel) ford pickup ANG 25 p/week 1.300

Verzekering ANG 2.000 p/jaar 2.000

Brandverzekering ANG 400 p/jaar 400

46.624

Netto privé ouders en 1 broer ANG 1.000 p/maand (eten & drinken) 12.000

Curaçao ANG 12.000

Inkomen moet minimaal zijn 58.624

Aangegeven op aangifte IB -3.273

Correctie inkomen 61.897

4.5

Het Gerecht is van oordeel dat de door de Inspecteur opgestelde netto privé berekening waarbij is uitgegaan van een netto privé van Naf. 1.000 per maand redelijk is. De Inspecteur is met het vaststellen van het inkomen op Naf. 58.624 naar het oordeel van het Gerecht erin geslaagd de aanslagen in redelijkheid vast te stellen. Het Gerecht handhaaft het belastbaar inkomen op dat bedrag.

4.6

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

5 BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep inzake de aanslagen in de inkomstenbelasting en premies AOV/AWW en AVBZ voor het jaar 2012 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- handhaaft de aanslag inkomstenbelasting zoals die ambtshalve is verminderd, tot een naar een belastbaar inkomen van Naf. 58.624.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen, en mr. G.J. van Muijen, leden van het Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).