Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:295

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
520.00002/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

dood door schuld verkeer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteland],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. E.A. Knoppel en

J.C. Meulens.

De officier van justitie, mr. I.R. Out, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 2 vrij te spreken en hem ter zake van feit 1 te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van één jaar, geheel voorwaardelijk, met de proeftijd van één jaar en de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.

De raadslieden hebben verweer gevoerd. zij hebben primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een voorwaardelijk verzoek tot het verrichten van nader onderzoek gedaan.

Namens de benadeelde partij [benadeelde] is ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding ingediend.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

FEIT 1: PRIMAIR (DOOD DOOR SCHULD)

dat hij op of omstreeks 29 november 2015, althans in of omstreeks de maand november 2015 te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Toyota, model Tundra), daarmede rijdende over de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 2], althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

door toen en aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig hoogst, althans grovelijk, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend te rijden en/of nalatig heeft gedragen,

immers is/heeft hij, verdachte:

  • -

    gereden op een vrijwel (droge) rechte weg met goed zicht;

  • -

    met een (aanzienlijk) hoge snelheid van ongeveer 100 km per uur, althans (veel) hoger dan de aldaar toegestane snelheid van 60 km per uur, althans te hoog voor het veilig verkeer ter plaatse;

  • -

    zonder enig rem- of uitwijksporen op het wegdek achter te laten;

  • -

    met zijn voertuig (geheel of ten dele) gaan rijden op de verkeerde rijbaan, te weten die van het tegemoet komende verkeer;

  • -

    niet, althans niet voldoende, en niet tijdig uitgeweken om een botsing te voorkomen met een voertuig welke geheel en/of grotendeels reed op zijn eigen rijbaan;

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer]

zodanig letsel, heeft bekomen, dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden;

(art. 2:282/2:283 van het Wetboek van Strafrecht)

FEIT 2: (GEVAARLIJK RIJGEDRAG)

dat hij op of omstreeks 29 november 2015, te Curacao, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Toyota, model Tundra daarmee over de weg, te weten de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 2], althans over een weg heeft gereden,

op zodanige wijze dat door verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd,

immers heeft hij verdachte,

- op de verkeerde rijbaan gereden en een ongeval veroorzaakt ;

(art. 21 Wegenverkeersverordening 2000)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Feit 1:

dat hij op of omstreeks 29 november 2015, althans in of omstreeks de maand november 2015 te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Toyota, model Tundra), daarmede rijdende over de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 2], althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

door toen en aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig hoogst, althans grovelijk, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend te rijden en/of nalatig heeft gedragen,

immers is/heeft hij, verdachte:

  • -

    gereden op een vrijwel (droge) rechte weg met goed zicht;

  • -

    met een (aanzienlijk) hoge snelheid van ongeveer 100 km per uur, althans (veel) hoger dan de aldaar toegestane snelheid van 60 km per uur, althans te hoog voor het veilig verkeer ter plaatse;

  • -

    zonder enig rem- of uitwijksporen op het wegdek achter te laten;

  • -

    met zijn voertuig (geheel of ten dele) gaan rijden op de verkeerde rijbaan, te weten die van het tegemoet komende verkeer;

  • -

    niet, althans niet voldoende, en niet tijdig uitgeweken om een botsing te voorkomen met een voertuig welke geheel en/of grotendeels reed op zijn eigen rijbaan;

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, heeft bekomen, dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

1. Proces-verbaal inzake verkeersongeval, met bijlage, mutatienummer 044868/2015, opgemaakt en op 20 september 2016 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 29 november 2015 werd ik door de Centrale Meldkamer gedirigeerd naar de [straatnaam 1] te Curaçao waar kort daarvoor een aanrijding met zware persoonlijke ongelukken had plaatsgevonden. Daar aangekomen constateerde ik dat er op de [straatnaam 1] ter hoogte van de kruising met de [straatnaam 3] en de [straatnaam 4] een aanrijding had plaatsgevonden tussen de door de verdachte bestuurde pick-up van het merk Toyota model Tundra en een lichtgroen gelakte personenauto van het merk Mazda 323. Beide voertuigen hadden zware beschadigingen opgelopen. De bestuurder van de lichtgroen gelakte personenauto, die alleen in de auto was, zat bekneld in zijn auto. De arts dr. A.H.E. Maduro heeft de dood van de bestuurder van de personenauto geconstateerd. Het stoffelijk overschot is door twee broers herkend als dat van wijlen [slachtoffer].

2. Proces-verbaal bevindingen, met fotobijlage, opgemaakt en op 20 maart 2016 gesloten en ondertekend door [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven

Op 29 november 2015 vond op de [straatnaam 1] een aanrijding met dodelijke afloop plaats tussen een pick-up met kentekennummer [kentekennummer 1] en een personenauto met kentekennummer [kentekennummer 2]. Bij de plaats waar de botsing heeft plaatsgevonden vormt de [straatnaam 1] een kruising met de [straatnaam 3] en de [straatnaam 4]. Het gedeelte van de [straatnaam 1] gelegen ten westen van de kruising bestaat uit drie rijstroken: een rijstrook bestemd voor verkeer komende uit de richting van de Weg naar Westpunt dat door wenst te gaan in de richting de [straatnaam 2] of rechtsaf wenst te slaan de [straatnaam 3] op. Een linker uitrijstrook, bestemd voor het verkeer dat komende uit de richting van de Weg naar Westpunt linksaf wenst te slaan teneinde de [straatnaam 4] op te rijden en een rijstrook die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer. De bestuurder van de pick-up reed op de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 2]. Hij begaf zich naar het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer en botste met de linker voorhoek tegen de linkerzijde van de personenauto die als tegemoetkomend verkeer aan kwam rijden. Door de kracht van de botsing zwaaide de pick-up naar links om het middelpunt en schoof verder naar links de rijbaan af en kwam tot stilstand in een schuine stand op de [straatnaam 1]. De personenauto zwaaide door de kracht van de botsing naar links om het middelpunt en kwam tot stilstand bij de uitmonding van de [straatnaam 4] in nagenoeg zuidelijke richting.

Ter onderbouwing van de toedracht wordt verwezen naar de volgende feiten.

Op de dag van de aanrijding zijn er bij de uitmonding van de [straatnaam 4] cirkelvormige schuif en driftsporen aangetroffen met een ononderbroken verloop. Deze sporen zijn afkomstig van de linker- en rechtervoorband van de pick-up. Het sporenbeeld bestaat uit twee gedeelten. Een gedeelte van het sporenbeeld begint bij de plaats van de botsing op het weggedeelte van de [straatnaam 1] dat is bestemd voor verkeer rijdende in de richting van de weg naar Westpunt. Het sporenbeeld eindigt bij de plaats waar de pick-up tot stilstand is gekomen. Dit gedeelte van het sporenbeeld ligt in het verlengde van de afgelegde weg door de pick-up na de botsing. Het andere gedeelte van het sporenbeeld begint bij de plaats van de botsing op het weggedeelte van de [straatnaam 1] dat is bestemd voor verkeer rijdende in de richting van de weg naar Westpunt en heeft een uitgestrektheid die geconcentreerd is op dit gedeelte van de rijbaan bij zowel het oostelijke als westelijke gedeelte van de uitmonding van de [straatnaam 4] en de onverharde berm gelegen ten oosten en de gedeeltelijk verharde berm gelegen ten westen van de [straatnaam 4]. Dit sporenbeeld is ontstaan door onderdelen en gedeelten van beide voertuigen die door de kracht weg werden geslingerd. Er zijn ook schuif en bandensporen zichtbaar die afkomstig zijn van de personenauto. Door de draaiende beweging die de personenauto als gevolg van de kracht van de botsing had gemaakt zijn er gedeeltes/voorwerpen van de personenauto weggeslingerd die verspreid lagen zowel bij de monding van de [straatnaam 4] als op beide bermen weerszijde van de [straatnaam 4]. Anders dan op de bovenomschreven plaatsen zijn er geen sporen aangetroffen die betrekking hebben op de aanrijding.

In verband met de aanrijding werden videobeelden verkregen van een camera die gemonteerd is op het gebouw “[bedrijfsnaam 1]”. De videocamera is voorzien van een digitale klok die de datum en het tijdstip vermeld. In de tijdsperiode tussen 07:37:13 uur en 07:37:16 uur is op de videobeelden te zien dat een lichtgroene personenauto van het merk Mazda 323 over de [straatnaam 1] reed over het weggedeelte dat bestemd is voor verkeer rijdende in de richting van de Weg naar Westpunt. Op de videobeelden is duidelijk het silhouet van een manspersoon te zien. Om 07:37:23 uur is het geluid als dat van een aanrijding te horen gevolgd door een tweede geluid als dat van een aanrijding, gevolgd door een geluid van banden die over de rijbaan aan het schuiven zijn. De lichtgroene personenauto van het merk Mazda 323 met kentekennummer [kentekennummer 2] komt qua merk, kleur, vorm en achterzijde overeen met de lichtgroene personenauto die enkele seconden voor de aanrijding in beeld was op de camera van de zaak “[bedrijfsnaam 1]”. Zowel kort voor als kort nadat de lichtgroene personenauto op de camera in beeld was, waren er geen andere voertuigen op de camerabeelden te zien die hetzelfde merk en dezelfde kleur en vorm en achterzijde hadden als de lichtgroene personenauto.

3. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 mei 2017 november 2016 afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 29 november 2015 als bestuurder van een auto betrokken ben geweest bij een ongeval op de [straatnaam 1]. De weg waarop ik reed was recht. Ik kan mij niet herinneren dat ik een andere auto heb gezien toen ik daar reed.

4C. Bewijsoverwegingen

Ter zitting heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Aan de bepleite vrijspraak heeft de verdediging ten gronde gelegd dat de feitelijke situatie zoals die is beschreven in het door het Korps Politie Curaçao opgemaakte dossier en onjuiste weergave bevat van zowel de situatie ter plaatse als van de sporen en de vermoedelijke toedracht van het ongeval waarbij verdachte en het slachtoffer wijlen [slachtoffer] betrokken waren. Naar zeggen van de raadslieden van verdachte zijn de gegevens zoals verzameld en weergegeven door de betrokken opsporingsambtenaren niet correct en is de politie, en in navolging daarvan het Openbaar Ministerie bij het presenteren van het bewijs, ten onrechte uitgegaan van een tegemoetkomende auto terwijl die, gezien de rijrichting van verdachte, van rechts kwam. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de lezing van de feiten zoals weergegeven in het door de politie opgemaakte dossier gevolgd waarbij hij heeft gesteld dat de verklaring van de getuige [getuige 1], opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen, buiten beschouwing gelaten zou moeten worden. De verdediging heeft ter zitting subsidiair een voorwaardelijk verzoek tot het verrichten van nader onderzoek gedaan.

Teneinde te komen tot de waarschijnlijke toedracht van het ongeval zal het Gerecht primair moeten beoordelen of hetgeen de verdediging heeft aangevoerd noopt tot het uitgaan van andere feiten en omstandigheden dan opgenomen in het dossier zoals dat tot het moment van de behandeling ter zitting bestond. De raadslieden van verdachte hebben ter zitting, als bijlage bij de pleitnota, onder meer overgelegd een rapport van CRS. Met betrekking tot de stelling van de verdediging ten aanzien van het dossier opgemaakt door de politie en het overgelegde rapport is het Gerecht van oordeel dat in het dossier van de politie aan de stellingen en de toedracht feiten en omstandigheden ten gronde zijn gelegd. Bij het overgelegde CRS-rapport ontbreekt elke onderbouwing in die zin dat weliswaar de toestand van de weg wordt beschreven maar de conclusie/beschrijving van de toedracht is op geen enkele wijze onderbouwd, ook niet door verwijzing naar aangetroffen sporen die het verloop van het ongeval verklaren. Anders dan door de verdediging is gesteld, is het rapport van CRS slechts een summiere beschrijving van de kennelijk bij de opsteller ontstane indruk. Daar komt bij dat de beschrijving van bepaalde factoren in het rapport van CRS niet strookt met de tegelijk door de verdediging overgelegde foto’s. Daar waar de verdediging stelt dat het politiedossier niet correct is ten aanzien van, bijvoorbeeld, het wegdek (droog), geldt dat evenzeer voor het rapport van CRS (nat). Uit de tegelijk overgelegde foto’s blijkt dat het wegdek gedeeltelijk droog en gedeeltelijk nat is. Als de stelling van de verdediging wordt gevolgd dat reeds om deze constateringen het politiedossier niet gebruikt zou mogen worden, geldt dat evenzeer voor het rapport van CRS. Indien daarbij in ogenschouw wordt genomen dat het politiedossier wel een (nauwkeurige) beschrijving van aangetroffen sporen en de duiding die daaraan kan worden gegeven bevat terwijl het rapport van CRS dat ontbeert, bestaat er geen aanleiding uit te gaan van de onjuistheid van het politiedossier, althans is er geen aanleiding om de toedracht zoals in het rapport van CRS vervat, als (enig) juiste te beschouwen. Het Gerecht kan en zal daarom uitgaan van het politiedossier.

Indien daaruit slechts het sporenbeeld bruikbaar zou zijn, zou dat het risico in kunnen houden dat afgegaan moet worden op de duiding die de verbalisant – ervaren als behandelaar van verkeersongevallen en analyse daarvan – daaraan geeft. Indien dat het enige bewijs zou zijn moet daarmee zeer terughoudend worden omgegaan. In het dossier bevindt zich echter meer informatie. Daaronder de verklaringen van getuigen en bewegende beelden zoals vastgelegd door een camera bij het bedrijf [bedrijfsnaam 1]. Deze camerabeelden zijn voorzien van een geprojecteerde tijd en van audio. De verdediging heeft gesteld dat er aan deze beelden getwijfeld kan worden nu de (stilstaande) beelden van een andere camera een ander tijdstip bevatten. Voorts bestrijdt de verdediging het gebruik van de (bewegende) beelden omdat de uitleg dat daarop de auto van wijlen [slachtoffer] te zien zou zijn strijdig is met de lezing in het CRS-rapport en de verklaring van de getuige [getuige 2] dat hij eerder de haar [slachtoffer] had zien rijden over de [straatnaam 3]. De verklaring van deze getuige is echter niet zodanig exact dat daarmee uitgesloten kan worden dat de heer [slachtoffer] vanaf de [straatnaam 3] eerst naar rechts is gereden en daarna, gezien vanaf de [straatnaam 3], toch naar links is gereden. Het tijdverloop is onvoldoende exact om dat uit te sluiten. De vergelijking van de camerabeelden zoals de verdediging die ten gronde wil leggen aan het bestrijden van de bewegende beelden als bruikbaar bewijsmiddel, kan geen stand houden. Er heeft immers op geen enkele wijze een vergelijking plaatsgevonden. Daardoor is niet vast te stellen of de geprojecteerde/opgenomen tijd voor beide camera’s dezelfde is. Het enkele ter zitting overleggen van zogeheten stills kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat op de bewegende beelden niet de auto van de heer [slachtoffer] te zien is. Uit die beelden en in het bijzonder het daarbij te horen geluid, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen, lijkt te volgen dat de auto die zichtbaar is, kort na het passeren van de camera bij een aanrijding betrokken is. Noch uit de beelden noch overigens uit het dossier blijkt dat kort voor of na de op de beelden vastgelegde auto een soortgelijke auto de betreffende camera is gepasseerd. Uit het dossier is voorts niet aannemelijk geworden dat een soortgelijke auto zeer kort voor of zeer kort na het ongeval ter plaatse van het ongeval is geweest. Indien daarbij wordt gevoegd de informatie dat er slechts enkele seconden verstrijken tussen het moment van het passeren van de auto bij de camera en het geluid van een aanrijding én de constatering dat de auto die door beeld rijdt qua merk, vorm en achterzijde overeenkomt met het type Mazda dat door de heer [slachtoffer] op dat moment werd bestuurd, kan de stelling dat het om een andere auto zou gaan zonder nadere motivering geen stand houden. Het feit dat er twee aanrijding te horen zijn waarop de verdediging heeft gewezen is verklaarbaar doordat de auto’s van verdachte en de heer [slachtoffer] de eerste aanrijdingsgeluiden veroorzaakten, waarna de auto van verdachte in aanrijding is gekomen met een lichtmast.

De verdediging heeft voorts foto’s overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de aanrijding, anders dan de politie heeft geconcludeerd, zijdelings (side impact) heeft plaatsgevonden. Ook dit onderdeel kan niet leiden tot de conclusie die de verdediging daaraan verbonden wil zien. Onbekend is wie de betreffende foto’s heeft gemaakt en onder welke omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat de maker van de foto’s ervaring heeft met het objectief vastleggen van verkeerssituaties. Voorts is niet duidelijk hoe de opstelling van de voertuigen tot stand is gekomen, in het bijzonder niet of deze zijn geplaatst met de bedoeling van deze hoek te fotograferen. Daar komt bij dat deze foto’s zijn gemaakt nadat bij de verdediging zeer vermoedelijk de in het rapport CRS geschilderde situatie, inclusief het verloop van het ongeval, bekend was waarbij echter onduidelijk is of bij het maken van de opnamen ook rekening is gehouden met de op/aan/in het wegdek aangetroffen sporen. Derhalve kan op basis van deze foto’s niet worden aangenomen dat de inhoud van het politiedossier onjuist is. Nu ook de andere onderdelen, zoals hiervoor omschreven, die conclusie niet kunnen dragen, leidt dit ertoe dat het Gerecht van oordeel is dat er onvoldoende gemotiveerde aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen is beschreven in het proces-verbaal zoals opgemaakt door de Unit Verkeer van het KPC. Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging dient, nu dit onderzoek niet noodzakelijk is gelet op de inhoud van het dossier afgezet tegen hetgeen de verdediging daartegen naar voren heeft gebracht te worden afgewezen. Daar komt echter ook bij dat het verzoek tardief is gedaan waardoor een deel van het nadere onderzoek mogelijk niet meer uit te voeren is terwijl er ruimschoots tijd was een dergelijk onderzoek eerder te entameren.

De verklaring van de getuige [getuige 1] zal het Gerecht, evenals door de officier van justitie en de verdediging verzocht, buiten beschouwing laten nu daaraan (op onderdelen) getwijfeld kan worden. Het Gerecht hecht eraan om te melden dat de theorie van de verdediging dat [getuige 1] opzettelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd voor eigen gewin, niet wordt onderschreven.

Het voorgaande in ogenschouw genomen, dient vervolgens te worden beantwoord de vraag of verdachte op zodanige wijze heeft gereden dat daardoor het ongeval is veroorzaakt en dat het overlijden van de heer [slachtoffer] als gevolg daarvan ook te wijten is aan de schuld van verdachte. Van de aan verdachte ten laste gelegde onderdelen van het rijgedrag, acht het Gerecht niet bewezen dat verdachte (ongeveer) 100 kilometer per uur heeft gereden. Op grond van het gedetailleerd beschreven sporenbeeld, de eindpositie van de voertuigen en het schadebeeld aan de voertuigen acht het Gerecht wel wettig en overtuigend bewezen dat het voor verdachte bestuurde voertuig op de rijbaan voor het hem tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen en dat daar de aanrijding met de door de heer [slachtoffer] bestuurde Mazda heeft plaatsgevonden. Nu verdachte geen enkele verklaring kan of wil geven over de wijze waarop hij is gereden of welke (stuur)handelingen hij heeft verricht, is er geen reden om te twijfelen aan de vastgestelde sporen en de duiding die daaraan wordt gegeven. Bij het ontbreken van een technische of andere oorzaak die het rijden naar en op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer kan verklaren, kan het niet anders zijn dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet hebben gereden. Gelet op het ontbreken van rem- of uitwijksporen en gelet op de verklaring van verdachte dat hij zich geen andere auto kan herinneren, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte de Mazda in het geheel niet heeft gezien. Het Gerecht hecht eraan hierbij te vermelden dat, hoewel niet aannemelijk, zelfs indien de Mazda uit de [straatnaam 3] zou zijn gekomen, de plaats van de vermoedelijke aanrijding zo is dat verdachte dan wel op een deel van de weg reed dat niet voor hem bestemd was. Daarenboven geldt ook in die situatie dat bij het ontbreken van rem- of uitwijksporen en verdachtes verklaring dat hij zich in het geheel geen auto kan herinneren, de vaststelling moet zijn dat verdachte niet heeft opgelet nu ook indien een auto gedeeltelijk aan het zicht zou kunnen zijn onttrokken door het formaat van (de neus en spiegels van) de door verdachte bestuurde pick-up, het niet zo is dat verdachte, rijdend over een weg moet goed uitzicht op verkeer dat hem tegemoet komt en verkeer dat vanuit de [straatnaam 3] linksaf zou willen slaan, een auto gedurende de gehele tijd niet heeft gezien en ook niet heeft kunnen zien. Dat betekent dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest en hij tenminste een verkeersfout heeft gemaakt door te gaan of gedurende enige tijd blijven rijden op een niet voor hem bestemd weggedeelte.
Nu daardoor en daarbij de aanrijding met de Mazda is ontstaan, treft verdachte wel schuld aan het plaatsgevonden ongeval. Gelet op de constateringen in het dossier is ook wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] door de letsels opgelopen bij dit ongeval de heer [slachtoffer] is overleden. Het Gerecht acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de dood van de heer [slachtoffer] te wijten is aan de schuld van verdachte.

4D. Vrijspraak feit 2

Nu het meerdere (dood door schuld) bewezen is verklaard, zal de verdachte worden vrijgesproken van feit 2, aangezien dit hetzelfde feitelijke voorval maar een minder zwaar misdrijf, te weten gevaarlijk rijgedrag, betreft.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij is met zijn auto op het weggedeelte van het tegemoetkomend verkeer terechtgekomen, waardoor hij in botsing is gekomen met een andere auto. De bestuurder van die auto is als gevolg van het ongeval komen te overlijden. Het leed dat door de ernstige verkeersfout van de verdachte is aangericht, is voor de nabestaanden onherstelbaar en het Gerecht is zich ervan bewust dat geen enkele straf of maatregel dit leed zal kunnen wegnemen. Het Gerecht heeft ook acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarbij komt ook betekenis toe aan de omstandigheid dat niet is vastgesteld dat verdachte, hoewel het ongeval aan zijn schuld te wijten is, meerdere of grove verkeersfouten heeft gemaakt of zich ernstig heeft misdragen als bestuurder.

Naast de grote gevolgen voor de nabestaanden van het overleden slachtoffer is aannemelijk geworden dat het ongeval ook op de verdachte grote impact heeft gehad en dat hij er alles voor over zou hebben om de noodlottige gevolgen ongedaan te maken. De verdachte zal moeten leven met de omstandigheid dat hij, door zijn rijgedrag, een medemens het leven heeft benomen. Het Gerecht is ervan overtuigd dat de impact hiervan op verdachte nog lange tijd zal nawerken. Verder heeft het Gerecht acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte. Tenslotte heeft het Gerecht geconstateerd dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie. Het Gerecht laat deze feiten en omstandigheden in strafmatigende zin meewegen.

Alles tegen elkaar afwegende is het Gerecht van oordeel dat op het onderhavige feit overeenkomstig de door de officier van justitie gedane vordering dient te worden beslist.

8 Vordering benadeelde partij

Ter terechtzitting hebben mrs. Henriquez en Kostrzewski namens de nabestaanden van de heer [slachtoffer] een vordering ingediend strekkende tot – kort gezegd – vergoeding van de kosten van de uitvaart en daarmee samenhangende kosten. De raadsvrouw van verdachte, mr. Knoppel, heeft daarop gereageerd zeggend dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat “iedereen een keer doorgaat”. Dit standpunt op deze wijze verwoord is niet slechts ongepast en grievend voor de nabestaanden maar ook juridisch onjuist. Deze kosten komen volgens vaste jurisprudentie wel voor vergoeding in aanmerking, voor zover bewezenverklaring volgt.

In casu is echter ter zitting gesteld dat de schade waarvan vergoeding werd gevorderd reeds was vergoed door de verzekeraar. Desgevraagd kon geen van de betrokkenen daarover nog ter zitting schriftelijke informatie overleggen. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdediging het Gerecht stukken toegezonden waaruit blijkt dat de gevorderde schade is uitgekeerd. Hoewel formeel juridisch in dat geval de verdediging om heropening van het onderzoek had moeten verzoeken, zal het Gerecht thans een beslissing nemen zonder heropening. Tot deze beslissing komt het Gerecht nu enerzijds de aard van de zaak het zeer wenselijk maakt dat alle betrokkenen op de vastgestelde dag van de uitspraak uitsluitsel krijgen en anderzijds omdat het juridische karakter van (de behandeling van) de vordering van de benadeelde partij civiel van aard is.

Indien de kwestie in civlibus zou zijn behandeld was intrekking van de vordering tot het moment van uitspraak mogelijk geweest. Gelet op deze combinatie van factoren en gelet op het feit dat door de ingebrachte stukken verdachte niet in enig belang kan worden geschaad, zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:45, 1:46 en 2:284 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 3 van de Verordening van de 20ste april 1932, houdende enige regelingen van burgerrechtelijke aard bij botsing, aan- of overrijding met motorrijtuigen en houdende regeling van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (P.B. 1957, no. 48).

10 Beslissing

Het Gerecht:

spreekt de verdachte vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde zoals in rubriek 4D omschreven;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van tweehonderd (200) uren. Bij het niet of naar behoren verrichten van deze taakstraf zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van honderd (100) dagen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van één (1) jaar;

bepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van één (1) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J.J.J. Schols en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 8 juni 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.