Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:283

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
500.00226/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

brandstichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [woonplaats].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2017 en

8 december 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw,

mr. A.N. Sulvaran.

De officier van justitie, mr. G. Schoop, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft primair ter zake de feiten 1 primair en subsidiair, 2 en 3 vrijspraak bepleit en subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Feit 4 kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

Feit 1

primair

hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij/in een personenauto van het merk Hyundai Tucson (bouwjaar 2014)(voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]) op een erf van/naast een appartement te [locatie 1], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar opzettelijk brandbaar materiaal en/of brandbare vloeistof op enigerlei vorm of wijze aangebracht / gegoten / geplaatst en/of vervolgens dit materiaal en/of dat vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), tengevolge waarvan de voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar te duchten was voor die zich in of rondom die/dat personenauto/erf bevindende goederen, te weten de daarnaast geparkeerde personenauto, toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto van het merk Hyundai Tucson (bouwjaar 2014)(voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 2

hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, opzettelijk en wederrechtelijk personenauto van het merk Kia Picanto (kenteken [kentekennummer]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 3

hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei2017 te Curaçao, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931 en/of met brandstichting,

immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend brand gesticht aan/bij/in een personenauto van het merk Hyundai Tucson (bouwjaar 2014)(voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]) op een erf van/naast een appartement te [locatie 1], althans handelingen van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 4

hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 102 gram hennep, in elk geval en hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Vrijspraak

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Ter motivering daarvan dient het volgende.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging als bedoeld in artikel 2:255 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, ook gepleegd zou worden. Op 10 mei 2017 is de auto van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) in brand gestoken. Van handelingen voorafgaand aan de brandstichting, waardoor [slachtoffer 1] zich bedreigd heeft kunnen voelen, is niet gebleken. Voorts valt niet in te zien dat er middels de “enkele” brandstichting is gedreigd met het plegen van een ander of toekomstig misdrijf. Dat de brandstichting (achteraf) bedreigend kan zijn overgekomen acht het Gerecht zonder meer voorstelbaar, maar het kwalificeert, naar het oordeel van het Gerecht, onder de gegeven omstandigheden niet tot bedreiging in juridische zin. Derhalve zal de verdachte worden vrijgesproken van bedreiging.

4B. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Feit 1

primair

dat hij op of omstreeks 10 mei 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij/in een personenauto van het merk Hyundai Tucson (bouwjaar 2014)(voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]) op een erf van/naast een appartement te [locatie 1], immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar opzettelijk brandbaar materiaal en/of brandbare vloeistof op enigerlei vorm of wijze aangebracht / gegoten / geplaatst en/of vervolgens dit materiaal en/of dat vloeistof tot ontbranding gebracht en/of laten komen, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), tengevolge ten gevolge waarvan de voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar te duchten was voor die zich in of rondom die/dat personenauto/erf bevindende goederen, te weten de daarnaast geparkeerde personenauto, toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto van het merk Hyundai Tucson (bouwjaar 2014)(voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 2

dat hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto van het merk Kia Picanto (kenteken [kentekennummer]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 3

hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931 en/of met brandstichting,

immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend brand gesticht aan/bij/in een personenauto van het merk Hyundai Tucson (bouwjaar 2014)(voorzien van het kentekennummer [kentekennummer]) op een erf van/naast een appartement te [locatie 1], althans handelingen van gelijke dreigende aard of strekking ;

Feit 4

dat hij op of omstreeks 10 mei 2017, althans in of omstreeks de maand mei 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 102 gram hennep, in elk geval en hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4C. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het dossier inzake het onderzoek [locatie 1] d.d. 7 augustus 2017.

De bewijsmiddelen zijn zoveel mogelijk per feit gegroepeerd, maar waar deze blijkens de inhoud ervan ook betrekking hebben op een ander feit dan waaronder deze zijn opgenomen gelden ze ook voor dat andere feit.

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

Het proces-verbaal van aangifte, p. 18-20, gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, d.d. 10 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [slachtoffer 1]:

Op 9 mei 2017 heb ik mijn Hyundai Tucson met kenteken [kentekennummer] en bouwjaar 2014 op het erf van mijn appartement te [locatie 1] geparkeerd. In de nacht van 10 mei 2017 hoorde ik een ontploffing buiten. Kort hierna belde mijn buurman om te vertellen dat mijn auto in brand stond. Door de politie patrouille die direct ter plaatse was gekomen, vernam ik dat zij een mannelijk persoon in een witte auto voor de afrastering van de woning van mijn buren hadden aangehouden.

Het proces-verbaal van aangifte, p. 22-24, gesloten en getekend door [verbalisant 2], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, d.d. 12 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [slachtoffer 2]:

Op 10 mei 2017 ging ik naar bed te [locatie 1]. Toen ik wakker werd hoorde ik voetstappen op het grint langs de op het erf geparkeerde auto’s. Ik hoorde dat één of meerdere personen buiten bezig waren. Kort hierna hoorde ik een ontploffing. Ongeveer 5 minuten later kwam mijn buurvrouw [persoon 1] naar mij toe en ik ging vergezeld met haar naar haar woning op de eerste verdieping. Toen ik naar beneden keek, zag ik dat de auto behorende aan mijn buurman [slachtoffer 1] in brand stond. Mijn Kia Picanto met kenteken [kentekennummer] die vlak naast die van [slachtoffer 1] stond geparkeerd had schade opgelopen. Politie heeft op het erf rondgelopen. Bij het rechtervoorwiel van de auto van [slachtoffer 1] zag ik een rode jerrycan liggen. Ik zag dat de auto van [slachtoffer 1] helemaal verbrand was en mijn auto had aan zijn linkerkant brandschade opgelopen.

Het proces-verbaal van bevinding, p. 75-78, inclusief twee foto’s, gesloten en getekend door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, d.d. 16 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 3]:

Tijdens het opnemen van de aangifte bij [slachtoffer 2], liet ze mij twee foto’s zien van de SUV op het moment dat het in brand stond. Op dat moment zag ik op de foto’s dat een rode jerry can aan de rechter zijde van de SUV stond die op dat moment niet helemaal verbrand was.

Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte], p. 290-293, gesloten en getekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], resp. brigadier en agent van politie, d.d. 10 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van genoemde verbalisanten:

Op de [straat 2] ter hoogte van perceel [nummer] te [straat 1], troffen wij een wit gelakte personenauto van het merk Kia, model Rio, voorzien van het kenteken [kentekennummer], aan. In de auto zat achter het stuur een onbekende man die bezig was met zijn telefoon. Wij benaderden de auto ter controle. Tijdens de controle benaderde ons een man met de mededeling dat de auto van de ons bekende [slachtoffer 1] in brand stond. Direct daarna gaven wij de centrale meldkamer door om de brandweer te sturen. Hierna deden wij een grondig onderzoek op de Kia Rio. Wij constateerden dat aan de voorzijde geen kentekenplaat was aangebracht. De kentekenplaat aan de achterzijde had als nummer [kentekennummer]. Deze plaat was op de kentekenplaat [kentekennummer] gehecht. In de auto constateerden wij de aanwezigheid van een penetrante geur gelijkend aan een brandversnellend middel. Bij de zitplaats van de passagier zagen wij op de grond grote natte vlekken. Ik, verbalisant Hooi, zag dat de bestuurder iets van zijn handen wou vegen. Ik liet hem zijn handen opendoen. Ik zag dat de vingertoppen van beide handen van de bestuurder wit waren. Ik liet hem zijn handen op het dak zetten zodat ik hem kon fouilleren.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek en brandoorzaak onderzoek naar aanleiding van een op zondag 10 mei 2017 plaats gehad hebbende brand te [locatie 1], alwaar twee voertuigen door brand werden vernield, p. 1-18, gesloten en getekend door [verbalisant 6], inspecteur bij het Korps Politie Curaçao en gezien door de teamleider Team Forensische opsporing Curaçao, [verbalisant 7], d.d. 15 augustus 2017, voor zover inhoudende de foto’s van de heen- en vluchtweg van de daders en voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 6]:

Naar aanleiding van de feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de daders in de nacht van 9 op 10 mei 2017 het erf van [locatie 1] hadden betreden en een vluchtige ontbrandbare vloeistof hebben aangebracht in of op het voertuig van het merk Hyundai Tucson met het kenteken [kentekennummer] om deze in brand te steken. Gelet hierop kan worden gesproken van brandstichting. De ter plekke aangehouden verdachte werd aangetroffen in een witte Kia Rio. Éen zwart schroefdeksel van een jerrycan lag op het erf van het perceel te [locatie 1]. Bij een brandsporenonderzoek aan de Hyundai Tucson zag ik verbalisant dat het voertuig in zijn geheel was uitgebrand. De verf lak aan de linkerzijde van de Kia Picanto die ernaast stond geparkeerd werd door de zeer hoge warmte intensiteit aangetast. Gezien de situatie ter plekke had de brand kunnen overslaan naar de naast geparkeerde voertuigen en/of gelegen woning. Door de brand, aanwezige dampen en/of rookontwikkeling had er gevaar voor goederen en/of personen kunnen ontstaan in de omgeving van dit door vuur aangetaste voertuig.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 64-70, gesloten en getekend door [verbalisant 8] en [verbalisant 2], hoofdagenten van politie, d.d. 20 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1]:

Ik ken [verdachte]. Wij wonen in dezelfde woonwijk. Ongeveer drie jaren geleden heb ik een auto bij [persoon 2] gekocht. Ik kreeg deze auto met de kentekenplaten [kentekennummer] erop. Toen ik de auto heb verkocht, heb ik de kentekenplaten ervan afgehaald. Ik belde [persoon 2] op om de kentekenplaten op te komen halen. Wij hadden afgesproken dat ik deze kentekenplaten op het erf van mijn woning op de muur van de afrastering voor hem zal achterlaten. De kentekenplaten bleven daar liggen, omdat [persoon 2] deze kentekenplaten niet is komen halen. Vorige week werd ik door [persoon 2] opgebeld en hij vroeg mij naar de kentekenplaten. Toen ik naar het huis van mijn ouders ben gegaan om de kentekenplaten te halen voor [persoon 2], trof ik alleen één kentekenplaat op de grond aan.

Het proces-verbaal van spoedhuiszoeking, p. 305-309, gesloten en getekend door [verbalisant 9], hoofdagent van politie, d.d. 10 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 9]:

Tijdens de huiszoeking te Kwartje 89, de woning van de verdachte, werden twee rode jerrycans en een camouflage rugtas inhoudende twee doorzichtige plastic zakken, beide inhoudende een hoeveelheid op marihuana gelijkend kruid, aangetroffen en inbeslaggenomen.

Het proces-verbaal van verhoor getuige en het proces-verbaal van nader gehoor getuige p. 79-83, en p. 84-87, gesloten en getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], hoofdagenten van politie, resp. d.d. 11 mei 2017 en 16 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2]:

MV (mededeling verbalisant): Gedurende de huiszoeking troffen de politieagenten twee jerrycans aan bij u thuis en u had spontaan verteld dat deze jerrycans uw eigendom zijn. Tevens had u verklaard dat [verdachte] ook een jerrycan heeft. Toen u in het berghok bent gaan zoeken naar de jerrycan van [verdachte] was die nergens te vinden.

VV (vraag verbalisanten): Is dit waar?

AG (antwoord getuige): Ja, [verdachte] heeft een rode jerrycan.

VV Wat ziet u op voornoemde foto?

AG Ik zie een licht van brand. Naast deze zie ik een rood benzinevat lijkend op die van mijn zoon.

OV (opmerking verbalisanten) Aan getuige werd foto met inbeslaggenomen deksel getoond

VV Lijkt dit deksel op hetgeen behoort tot de jerry can van [verdachte]?

AG Ja het lijkt op die behorende aan [verdachte]. Het is een dood gewoon zwart deksel.

Het poces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon, p. 99-108, gesloten en getekend door [verbalisant 10], buitengewoon agent van politie, d.d. 16 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 10]:

De telefoon die onder de verdachte in beslag werd genomen, werd uitgelezen. In de “searched history” en in de “web history” van de telefoon werd de naam van de aangever [slachtoffer 1] aangetroffen. De gebruiker van de telefoon die onder [verdachte] in beslag werd genomen heeft op 27 april 2017 met die telefoon gezocht naar de naam [slachtoffer 1] en naar informatie over de plaats waar hij woonachtig zou zijn. Vervolgens zijn enkele pagina’s bezocht die vermoedelijk door deze zoektermen werden gesuggereerd. Daarbij is ook het Facebook-profiel van aangever bezocht.

Het proces-verbaal van bevindingen II uitlezen telefoon, p. 114-117, gesloten en getekend door [verbalisant 10], buitengewoon agent van politie, d.d. 24 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 10]:

De mobiele telefoon van de verdachte [verdachte] werd op 11 mei 2017 inbeslaggenomen en vervolgens onderzocht. Uit de internetgeschiedenis is gebleken dat de URL van het privé account van de aangever [slachtoffer 1] is bezocht. Ik heb de afbeeldingen in het geheugen van de telefoon doorgenomen. Ik zag verschillende afbeeldingen waarop de aangever [slachtoffer 1] te zien was. Ik herkende twee foto’s afkomstig van het Facebook-profiel van de aangever.

Ten aanzien van feit 4

Het proces-verbaal weging, testen en opsturen monster naar het laboratorium van in beslag genomen verdovende middelen, p. 150-152, gesloten en getekend door [verbalisant 11], hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao, d.d. 10 mei 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 11]:

Op 10 mei 2017 heb ik twee doorzichtige plastic zakjes, elk inhoudende een geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid, overgenomen. Bij weging van de twee doorzichtige plastic zakjes bleken de twee zakjes een gezamenlijk brutogewicht van 102 gram te hebben. Bij het testen van een geringe hoeveelheid van het op hennep gelijkend kruid, trad een positieve kleurreactie op. Hierdoor mocht worden aangenomen dat het geteste op hennep gelijkend kruis vermoedelijk hennep bevatte.

De verklaring van de verdachte, op 8 december 2017, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:

In mijn slaapkamer is hennep aangetroffen. Ik weet dat het bezit van hennep strafbaar is.

4D. Bewijsoverweging(en)

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte daadwerkelijk op een of andere wijze betrokken is geweest bij de brandstichting. Hierdoor kan hij ook niet worden veroordeeld voor de vernieling van de andere auto als gevolg daarvan. In deze zaak kan slechts worden gesproken van “circumstantial evidence”.

Het Gerecht verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt als volgt. Op

10 mei 2017 is de auto van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) in brand gestoken, met als gevolg dat de auto van [slachtoffer 2], die ernaast stond geparkeerd, ook werd beschadigd door de brand. Direct bewijs dat verdachte de brand heeft gesticht ontbreekt. De vraag die voorligt is of zich in het dossier voldoende indirect bewijs bevindt dat in onderlinge samenhang en verband een bewezenverklaring van de tenlastegelegde brandstichting en vernieling kan dragen. Het Gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend.

Verdachte is onder verdachte omstandigheden, rond het tijdstip van de brand en op een afstand van ongeveer 25 meter van de plaats delict, aangetroffen. De verdachte zat in zijn auto in welke een benzinelucht hing en waarin natte vlekken werden gezien. Voorts was op het originele kenteken aan de achterzijde van de auto een andere kentekenplaat met nummer [kentekennummer] geplaatst, hetgeen doet vermoeden dat de verdachte de bij de auto behorende kentekenplaat wilde verhullen en daarmee, via het niet kunnen linken van de auto aan zijn persoon, zijn aanwezigheid. Hierbij komt dat de betrokken verbalisant bij verdachte witte vingertoppen constateerde welke hij probeerde af te vegen. Voor de genoemde omstandigheden heeft verdachte geen afdoende en /of verifieerbare verklaring afgelegd. Zijn verklaring dat hij eerder die dag een jerrycan met benzine heeft vervoerd waarbij hij benzine gemorst heeft in de auto, is, bij gebrek aan nadere gegevens, niet verifieerbaar. Zijn verklaring over de dubbele kentekenplaat, inhoudende dat hij daarvan niet wist en dat het wellicht een kwajongensstreek is geweest, roept eerder vragen op nu de plaat als laatste in bezit was van de voor verdachte bekende persoon, [persoon 3], met wie hij op school heeft gezeten en die bij hem in de wijk woont, maar van wie verdachte in eerste instantie heeft verklaard dat hij hem niet kende. Met betrekking tot de geconstateerde witte vingertoppen heeft verdachte verklaard dat hij bij zijn aanhouding met zijn handen tegen een (witte) muur moest staan. Echter, in het proces-verbaal van aanhouding wordt daarover niet gerept. Uit het proces-verbaal is juist af te leiden dat de constatering van de witte vingertoppen al tijdens de controle is gedaan en dat verbalisanten verdachte bij zijn aanhouding zijn handen op het dak van de politie-auto lieten zetten. Daarbij zijn op de foto’s van de heen- en vluchtweg van de daders, pagina 11 en 12 van het proces-verbaal van sporenonderzoek, witte (lage) muren te zien waaraan vastgehouden zou kunnen zijn. Naast voormelde verdachte omstandigheden is op de plaats delict een rode jerrycan gezien en een zwart deksel / zwarte dop van een jerrycan aangetroffen. Twee soortgelijke jerrycans werden tijdens de huiszoeking op het adres van de verdachte in een slaapkamer in de klerenkast aangetroffen en inbeslaggenomen. Ten aanzien daarvan heeft de moeder van de verdachte reeds tijdens haar eerste verhoor verklaard dat haar zoon ook zo’n jerrycan heeft. Toen zij in het berghok is gaan zoeken, was de jerrycan van haar zoon niet te vinden. Verder heeft de moeder van verdachte ten aanzien van de op foto getoonde zwarte dop verklaard dat deze lijkt op het deksel dat hoort bij de jerrycan van haar zoon en dat het een doodgewone zwarte dop betreft. Gelet hierop wordt de verklaring die de moeder van de verdachte naderhand heeft afgelegd over het alsnog aantreffen van de jerrycan van de verdachte in het berghok, maar nu met een rode dop, als ongeloofwaardig ter zijde gesteld.

Van groot belang acht het Gerecht verder dat met de telefoon van de verdachte is gezocht naar de naam en het adres van [slachtoffer 1] en dat er foto’s van [slachtoffer 1] in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen. De verdachte hierover ondervraagd weet niet meer te verklaren dan dat zijn telefoon ook door anderen is gebruikt. Vervolgens weet hij de namen van die anderen niet te noemen of wil hij deze niet noemen en geeft hij ter zitting aan geen reden te hebben gezien om zelf daarnaar onderzoek in te stellen. Onder de gegeven omstandigheden acht het Gerecht de verklaring van verdachte met betrekking tot de aantroffen zoekopdrachten en foto’s in zijn telefoon volstrekt onvoldoende en daarmee ongeloofwaardig. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien kan de tenlastegelegde (opzettelijke) brandstichting en vernieling (via de variant van de voorwaardelijke opzet) wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat bij een eventuele bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde het leerstuk van de eendaadse samenloop van toepassing is, nu deze feiten slechts één feitencomplex opleveren. De tenlastegelegde vernieling hangt in alle nauwheid samen met de tenlastegelegde brandstichting. Hierdoor kan niet anders worden overwogen dan dat het een en ander zich op dezelfde tijd en plaats heeft voorgedaan en dat de vernieling dus een direct gevolg van de brandstichting is geweest. Door de toepassing van het leerstuk van de eendaadse samenloop kan de verdachte met toepassing van één strafbepaling slechts voor het onder 1 primair tenlastegelegde worden veroordeeld. Ten aanzien van het overige dient vrijspraak c.q. ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

Het Gerecht verwerpt dit verweer. Elk gevolg dient, naar het oordeel van het Gerecht, een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving op te leveren. Derhalve is van eendaadse samenloop geen sprake.

De raadsvrouw heeft ten slotte aangevoerd dat de verdachte bij een eventuele veroordeling voor de brandstichting niet als medepleger van het feit kan worden aangemerkt, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij het in brand steken van de auto. Verder kan hij niet als dader worden aangemerkt omdat er indicaties zijn dat de daders in andere personen moeten worden gezocht, gelet op het NFI-rapport en de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden.

Het Gerecht is met de raadsvrouw van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor medeplegen van brandstichting. De stelling dat er indicaties zijn dat verdachte juist niet de dader is, deelt het Gerecht niet. Dat het dna-onderzoek heeft opgeleverd dat op de onderzochte pet en handschoenen, aangetroffen op de plaats delict, onvolledige dna-profielen van een onbekende man A en B aanwezig zijn, betekent niet dat niet verdachte maar onbekende man A en B de daders zijn. Daarbij is van belang dat petten en handschoenen goederen zijn die gemakkelijk worden overgedragen en verplaatst waardoor deze in handen kunnen zijn geweest van meerdere personen die niet de daders hoeven te zijn. De stelling van de raadsvrouw dat de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden indicaties opleveren dat de daders in andere personen moeten worden gezocht, behoeft naar het oordeel van het Gerecht geen reactie, nu deze stelling op geen enkele manier is onderbouwd.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen.

feit 4:

Handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder B van de Opiumlandsverordening 1960.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. De verdachte heeft de auto van [slachtoffer 1] in brand gestoken, met als gevolg dat de auto die ernaast stond geparkeerd ook door de brand werd beschadigd. Het Gerecht is van oordeel dat sprake is van een ernstig feit waarbij gevaar voor goederen te duchten is geweest. Als gevolg van de brand hebben de eigenaars van de auto’s financiële schade opgelopen. Verdachte mag van geluk spreken dat de brand niet is overgeslagen naar de appartementen op het erf waar de auto’s stonden geparkeerd. Verder moet, door de ontkenning van verdachte, [slachtoffer 1] in het ongewisse blijven over het motief van de daad, hetgeen voor hem zeer verontrustend moet zijn (geweest) nu er gericht op zijn naam en adres is gezocht en er foto’s van hem in de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen. Dit alles rekent het Gerecht verdachte zeer aan. De verdachte heeft zich naast brandstichting en vernieling ook schuldig gemaakt aan bezit van hennep. Hennep is een stof die bij gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit is.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf acht het Gerecht geïndiceerd.

Bij de oplegging van de straf heeft het Gerecht acht geslagen op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het Gerecht houdt bij de oplegging van de straf voorts rekening met de straffen die voor het plegen van dit soort strafbare feiten worden opgelegd. Het Gerecht heeft kennis genomen van de inhoud van de over verdachte opgemaakte rapportages. In de enkele omstandigheid dat verdachte werk heeft, ziet het Gerecht onvoldoende aanleiding om af te wijken van de aard en duur van de straf die het Gerecht in casu passend en geboden acht.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur. Het Gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan een misdrijf schuldig te maken.

8 Beslag

8.1

Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De teruggave zal worden gelast van de inbeslaggenomen auto en het jachtgeweer aan de verdachte, nu deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde artikelen, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:62, 1:224, 2:98 en 2:334 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumlandsverordening 1960.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4B omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie (3) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen auto en het jachtgeweer;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 21 december 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.