Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:28

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
82142 / 2017
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Interregionaal bevoegdheidsrecht. Geen rechtsmacht Curaçaose rechter tot verlenen verlof voor conservatoir beslag in Nederland.

Wetsverwijzingen
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/195
RBP 2017/59
JOR 2017/246 met annotatie van mr. R.B. van Hees
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 maart 2017

Zaaknummer: 82142 / 2017

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

op het verzoek van:

PANADERO BUSINESS B.V.,

gevestigd te Bonaire,

verzoekster,

gemachtigden: mrs. S.I. da Costa Gomez en C.A. Peterson,

--tegen—

[VERWEERDER 1],

en

[VERWEERSTER 2],

beiden wonende te Curaçao,

verweerders.

1 Het procesverloop

1.1

Bij beslagrekest van 1 maart 2017 heeft verzoekster verlof tot conservatoire beslaglegging verzocht ten laste van verweerders. Het verzoek ziet op beslagen op onroerende zaken te Curaçao en in Nederland, alsmede op een (repeterend) derdenbeslag onder een in Nederland gevestigde bankinstelling.

1.2

Verlof voor beslag op de onroerende zaak te Curaçao is reeds bij afzonderlijke beschikking verleend, met begroting van de vordering op EUR 754.000 en onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak wordt ingesteld binnen vier weken na beslaglegging.

1.3

De beslissing op het verzoek beslag te mogen leggen in Nederland is aangehouden tot heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Verzoekster vraagt de rechter te Curaçao verlof voor conservatoire beslaglegging in Nederland. Het gaat om verhaalsbeslag op onroerende zaken te Bergambacht en onder een bankinstelling te Amsterdam. Dit doet de vraag rijzen naar de interregionale bevoegdheid en rechtsmacht van de Curaçaose beslagrechter. Er zijn (niet-gepubliceerde) gevallen geweest waarin de Curaçaose (eerder: Nederlands-Antilliaanse) beslagrechter verlof verleende voor een dergelijk beslag, maar ook (niet-gepubliceerde) gevallen waarin die beslagrechter zich niet bevoegd achtte. Omgekeerd zijn er ook gevallen bekend waarin door de deurwaarder alhier op basis van een Nederlands beslagverlof conservatoir beslag werd gelegd op zaken en onder derden te Curaçao. Beslaglegging geschiedt dan zonder tussenkomst van de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of de derde zich bevindt, op de voet van artikel 40 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden:

‘Vonnissen, door de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten gewezen, en bevelen, door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke akten, aldaar verleden, kunnen in het gehele Koninkrijk ten uitvoer worden gelegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land, waar de tenuitvoerlegging plaats vindt.’

2.2

De vordering tot verzekering van verhaal waarvan verlof wordt verzocht betreft een vordering tot levering en/of schadevergoeding terzake een koopovereenkomst met betrekking tot een te Curaçao gelegen onroerende zaak. Verweerders wonen bovendien alhier. Behoudens een afwijkende forumkeuze, waarvan niet is gebleken, kan derhalve worden aangenomen dat het Gerecht te Curaçao bevoegd is kennis te nemen van de eis in de hoofdzaak. Het Gerecht was ook bevoegd verlof te verlenen voor beslag op de onroerende zaak te Curaçao.

2.3

Een door de Curaçaose rechter te verlenen verlof tot beslaglegging in Nederland zou aldaar derhalve ten uitvoer kunnen worden gelegd. De Curaçaose rechter is voorts bevoegd kennis te nemen van de eis in de hoofdzaak en ook de daarop te nemen beslissing zou in Nederland zonder meer ten uitvoer kunnen worden gelegd.

2.4

Met dit alles is echter niet gezegd dat de Curaçaose rechter bevoegd is conservatoire maatregelen toe te staan die moeten worden getroffen buiten zijn rechtsgebied. Artikel 700 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering luidt:

‘Voor het leggen van conservatoir beslag is verlof vereist van de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied zich een of meer van de betrokken zaken bevinden, dan wel, indien het beslag niet op zaken betrekking heeft, de schuldenaar of degene of een van degenen onder wie het beslag gelegd wordt, woonplaats heeft.’

Uit deze bepaling en de overige bepalingen van titel 4 - Middelen tot bewaring van zijn recht - alsmede uit de van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen van Boek 2 - De gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten - moet worden geconcludeerd dat de wetgever beslaglegging en executie als tot het eigen rechtsgebied van de rechter beperkte aangelegenheden heeft beschouwd en die rechter geen bevoegdheid heeft toegekend bewarende maatregelen te vergunnen buiten dat rechtsgebied. In die zin ook: Rechtbank Amsterdam, 26 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2221 (Herman Jansen Beverages vs Di Fiorito), Rechtbank Amsterdam, 28 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:424 (Buitenlands chalet) en de in Curaçao goeddeels gevolgde Nederlandse Beslagsyllabus, versie augustus 2016 onder G3:

‘Het beslagverlof heeft, gelet op de territoriale werking van het conservatoire beslag, in beginsel alleen betrekking op zaken die zich in Nederland bevinden (…). Gaat het om derdenbeslag dan wordt daarbij wel aanvullend als eis gesteld dat de derdebeslagene in Nederland woonachtig of gevestigd is, althans een bijkantoor of filiaal, dus enige aanwezigheid heeft’.

2.5

De wet bevat geen bepalingen waaruit een bevoegdheid tot het verlenen van verlof voor beslaglegging in Nederland blijkt. Artikel 38 lid 3 Statuut bepaalt dat omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard bij rijkswet regelen kunnen worden gesteld. Een dergelijke rijkswet is echter nog niet tot stand gebracht. Bij gebreke van een wettelijke regeling zal de bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard moeten worden bepaald door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die voor hem gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht (zie ook HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063; en R.F. van den Heuvel in Bij een honderdste verjaardag: over rechtsmacht van de burgerlijke rechter in de Cariben op grond van de regel ‘distributie is attributie’, Caribisch Juristenblad 2016, p. 179-187). Dergelijke voor het onderhavige verzoek relevante internationaal privaatrechtelijke bepalingen bestaan er voor Curaçao echter evenmin, behoudens behoudens artikel 429ba Rv, dat luidt:

‘Aan de rechter komt geen rechtsmacht toe, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer hier te lande heeft.’

2.6

Naar het oordeel van het Gerecht kan, bij gebreke van een verdragsrechtelijke of wettelijke regeling, de bevoegdheid tot het verlenen door de Curaçaose rechter van verlof voor beslag in Nederland niet worden aangenomen. Zoals gezegd is de regeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van het beslag- en executierecht zich beperkt tot het territoir van de rechter. Daarbij komt dat voor beslaglegging in Nederland wel steeds een rechter in Nederland bevoegd zal zijn op een beslagrekest te beslissen. Dat lijkt ook in de onderhavige zaak het geval, nu verzoekster de beslagen waarvoor thans verlof wordt gevraagd reeds eerder heeft gelegd met verlof van de rechter in Nederland. De stelling van verzoekster in haar beslagrekest dat zij het zekere voor het onzekere wenst te nemen omdat niet met zekerheid kan worden aangenomen dat de Nederlandse rechter de bevoegdheid had om toestemming voor de gelegde beslagen te verlenen, kan, gelet op het bepaalde in artikel 700 lid 1 Rv Ned, niet gevolgd worden. De eis in de hoofdzaak kan na een in Nederland verkregen beslagverlof bovendien ook naar Nederlands recht worden ingesteld voor een bevoegde buitenlandse (Curaçaose) rechter, zodat ook daarin bezwaar is gelegen tegen het voorleggen van een beslagrekest aan de Nederlandse voorzieningenrechter.

2.7

Een (andere) aanvaardbare internationale of interregionale grondslag voor rechtsmacht in dezen ziet het Gerecht evenmin, mede gezien de bijzondere aard van een beslagverlof. Die bijzondere aard blijkt ook uit de uitzondering die onder het EEX-verdrag (dat weliswaar niet geldt voor Curaçao, maar wel voor Aruba) wordt aangenomen voor rechterlijke beslissingen waarbij voorlopige of bewarende maatregelen worden toegestaan die gegeven worden zonder dat de partij tegen wie zij zijn gericht is opgeroepen te verschijnen en waarvan de tenuitvoerlegging plaats heeft zonder voorafgaande betekening (zogenaamde beslissingen ex parte). Dergelijke beslissingen komen onder het EEX-verdrag niet in aanmerking voor erkenning en tenuitvoerlegging (HvJ EG van 21 mei 1980, 125/79, Jur. 1980, p. 1553, NJ 1981/184, Denilauler/Couchet Frères). Die bijzondere aard maakt ook dat, niettegenstaande de aanknopingspunten van de onderliggende zaak met de Curaçaose rechtssfeer, de Curaçaose rechter wat betreft het verzoek om verlof voor beslaglegging in Nederland moet worden beschouwd als een ‘forum non conveniens’ in de zin van artikel 429ba Rv.

2.8

Slotsom is dat de Curaçaose rechter in dezen niet bevoegd is.

2.9

Terzijde nog de opmerking dat, in een geval de Curaçaose rechter (relatieve) bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 700 lid 1 Rv, hij in beginsel ook bevoegd is om voor dezelfde vordering en ten laste van dezelfde beslagdebiteur verlof te verlenen, indien dat bij hetzelfde beslagrekest wordt verzocht, voor beslaglegging in Aruba, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

3 De beslissing

Het Gerecht:

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om verlof tot conservatoire beslaglegging op onroerende zaken in Nederland en onder de in Nederland gevestigde derde.

Aldus gegeven door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, op 15 maart 2017.