Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:272

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
500.00112/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

doodslag Teenerparade geen noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.N. Sulvaran.

De officier van justitie, mr. I.R.V. Out, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1 impliciet subsidiair en 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering benadeelde partijen heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing voor zover dit de kosten van lijkbezorging en kleding van de overledene betreft. Voor het overige heeft de officier van justitie geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partijen.

De raadsvrouw heeft primair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Curaçao, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen (van/op zeer korte afstand) drie, in elk geval een of meer, kogels afgevuurd op/in /door en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meer van die kogel(s) in het hoofd en/of het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 2:262/259 j° 1:123 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Curaçao, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 impliciet primair (moord)

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat sprake was van “voorbedachten rade”. De verdachte zal van het onder feit 1 impliciet primair tenlastegelegde dan ook, zonder nadere motivering, worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

met betrekking tot feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 2

1. Proces-verbaal van onderzoek plaats delict van het Korps Politie Curaçao d.d. 2 maart 2017, pagina 001 t/m 003, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op zaterdag 25 februari 2017 omstreeks 02:00 uur werd ik in kennis gesteld van een schietincident ter hoogte van de [locatie 1]. Op de plaats delict aangekomen zag ik een persoon op de grond liggen, die later bleek te zijn genaamd [slachtoffer]. Omstreeks 04:02 uur constateerde de politiearts zijn dood.

2. Proces-verbaal van lijkherkenning van het Korps Politie Curaçao d.d. 2 maart 2017, pagina 004 t/m 005, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:

Op 25 februari 2017 heb ik in het onderzoek naar een schietincident ter hoogte van de Ponton Brug een lijkherkenning verricht met [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Zij herkenden het aan hen getoonde lijk als dat van hun zoon, in leven genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats].

3. Proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing, van het Korps Politie Curaçao, zaaknummer TFOC.2017.02.25-k01, registratienummer 141/2017 (los stuk), opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en op 14 juni 2017 gesloten en getekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten of één van hen:

Op 25 februari 2017 omstreeks 01:45 uur werden wij gedirigeerd naar het [locatie 2] ter hoogte van de [locatie 1] voor een schietincident waarbij een man dodelijk gewond zou zijn geraakt. Wij zagen midden op het wegdek een huls van kaliber 9 mm. Onder een grijs gelakte personenauto Toyota Vitz werd een huls van kaliber 9 mm aangetroffen. Op de berm ter hoogte van de brug zagen wij een lijk van een manspersoon. Het slachtoffer lag op de rug met het hoofd in westelijke richting (richting [locatie 1]). Zijn handen waren half gebogen op zijn buik en wezen in oostelijke richting. De benen waren gestrekt en wezen in oostelijke richting. Aan de rechterzijde, ten noorden van het slachtoffer op ongeveer 1 meter zagen wij een huls van kaliber 9 mm. Op het trottoir, ten oosten van het lijk zagen wij een ricochetschot. Verder werd een kogelfragment aan de achterzijde van de spijkerbroekzak van het slachtoffer aangetroffen.

4. Een geschrift te weten een Forensisch Obductierapport, met obductienr. S17-017 (los stuk), opgemaakt door patholoog Dr. L. Althaus naar aanleiding van het obductieonderzoek verricht op 1 maart 2017 op het lichaam van [slachtoffer], voor zover inhoudende als verklaring van de patholoog:

Het lichaam vertoont 1 perforerend schot en 1 schampwond. Het inschot op de linker boven thorax heeft een fractuur van de onderrand van rib 5 en een perforatie in de pericardiale zak, de rechter hartkamer, het diafragma, de lever (linker kwab), de pancreas en de rechter nier veroorzaakt. De uitschotwond bevindt zich in de rechter onderrug. Dit schot heeft de dood veroorzaakt door het openen van het hart.

Vastgesteld kan worden dat het eerste schot de thorax raakte, het tweede de schampwond aan de kin veroorzaakte en het derde de grond raakte bij de rechter onderarm.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 juni 2017, voor zover inhoudende:

Ik heb op 25 februari 2017 ’s nachts bij de [locatie 3] op een jongen geschoten met een vuurwapen. Dit vuurwapen had ik ongeveer een maand daarvoor gekocht. Op de beelden die u mij toont ter terechtzitting is dit te zien. Ik ben de man die driemaal schiet met een vuurwapen.

6. Eigen waarneming van de rechter, gedaan ter terechtzitting van 20 juni 2017, tijdens het tonen van de tot het procesdossier behorende dvd, getiteld “videobeelden A1-2017 25.02.2017 t.h.v. [locatie 1]”.
De rechter neemt waar: de verdachte loopt aan de voet van de [locatie 3] op een jongeman af, haalt intussen een vuurwapen uit zijn schoudertas, richt zijn vuurwapen met gestrekte arm op het bovenlichaam van de jongeman en vuurt drie schoten van zeer dichtbij op hem af.

4C. Bewijsverweer

Opzet

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet wist of het vuurwapen geladen was en dat hij slechts de bedoeling had het slachtoffer daarmee af te schrikken.

Het Gerecht overweegt in dit verband dat deze verklaring geenszins valt te rijmen met de gedragingen van de verdachte die zichtbaar zijn op de ter terechtzitting getoonde videobeelden. Daarop is waar te nemen dat de verdachte gericht en van zeer korte afstand driemaal achter elkaar een kogel afvuurt in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Deze gedragingen kunnen bezwaarlijk worden opgevat als het dreigen met een vuurwapen. Daarbij komt bovendien dat de verdachte op herhaalde vragen van het Gerecht ter terechtzitting geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij eerst ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat de schoten een onbedoeld gevolg zouden zijn geweest van het dreigen met zijn vuurwapen. Op grond van het bovenstaande schuift het Gerecht deze verklaring dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

Voornoemde gedragingen van de verdachte brengen naar de uiterlijke verschijningsvorm mee dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het intreden van de dood van het slachtoffer heeft gewild. Vol opzet op de dood kan dus worden bewezen.

4D. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht dat:

1. impliciet subsidiair:

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Curaçao, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen (van/op zeer korte afstand) drie, in elk geval een of meer, kogels afgevuurd op/in /door en/of in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meer van die kogel(s) in het hoofd en/of het lichaam werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten en strafbaarheid van de verdachte

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 impliciet subsidiair: doodslag;

Feit 2: overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Beroep op (putatief) noodweer/ noodweerexces

De raadsvrouw heeft namens de verdachte een beroep gedaan op (putatief) noodweer dan wel noodweerexces en heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan dit verweer is samengevat ten grondslag gelegd dat de verdachte ter verdediging van getuige [getuige 1] en zichzelf de schoten heeft gelost.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - in het bijzonder de ter terechtzitting getoonde videobeelden - kan naar het oordeel van het Gerecht de volgende gang van zaken vastgesteld worden.

Getuige [getuige 3] raakt op enig moment aan de voet van de [locatie 3] verzeild in een korte discussie met getuige [getuige 4]. Er wordt gediscussieerd en een duw uitgedeeld. De zus van [getuige 4] komt vrijwel meteen tussen beiden en houdt haar broer weg van [getuige 3]. [getuige 3] wordt weggetrokken en weggeduwd door het latere slachtoffer in de richting van de vlakbij geparkeerde auto van getuige [getuige 2], die de afspraak met hen heeft om hen een lift naar huis te geven. Een handgemeen tussen [getuige 3] en [getuige 4] lijkt daarmee in de kiem gesmoord. Vervolgens komen de verdachte en twee van diens vrienden, getuigen [getuige 5] en [getuige 1], aanlopen. Zij zien dat er wat tumult heeft plaatsgevonden. Hoewel zij [getuige 3] noch het latere slachtoffer kennen en evenmin betrokken waren bij voornoemde discussie, wijken zij af van hun koers en lopen zij gedrieën op [getuige 3] en het latere slachtoffer af. Laatstgenoemde gaat direct met zijn armen wijd voor [getuige 3] staan, die met zijn rug tegen voornoemde auto is komen te staan. De verdachte, [getuige 1] en [getuige 5] gaan dicht tegenover hen staan en sluiten hen daarmee als het ware in. De verdachte deelt vervolgens een tik uit in hun richting, vrijwel direct gevolgd door een duw van de zijde van [getuige 5], waarna de vlam in de pan slaat. Het latere slachtoffer raakt in een handgemeen met [getuige 1] en [getuige 5]. Tussen hen wordt geduwd en gediscussieerd. Vrijwel gelijktijdig begint de verdachte met zijn vuisten in te slaan op [getuige 3], die in eerste instantie niets doet en vervolgens achteruit loopt. De verdachte blijft op hem aflopen en meermalen met zijn vuisten op hem inslaan. [getuige 3] tracht zich te verweren, maar krijgt daartoe nauwelijks kans en blijft verder achteruit lopen. De verdachte neemt tussen het uitdelen van de klappen een uitdagende houding aan. De verdachte dreigt terwijl hij verder op [getuige 3] afloopt iets uit zijn schoudertas te halen - naar later blijkt zijn geladen vuurwapen - maar ziet hiervan af en draait zich weg van [getuige 3]. Dan ziet de verdachte zijn vriend [getuige 1] op de grond liggen die door het latere slachtoffer even tevoren met één vuistslag knock-out is geslagen. [getuige 3] voegt zich op dat moment in de buurt van het latere slachtoffer, die ondertussen slaags is geraakt met [getuige 5] en de verdachte loopt met versnelde pas naar [getuige 1] toe. De verdachte kijkt een fractie van een seconde naar [getuige 1], loopt vervolgens resoluut op het slachtoffer af, haalt ondertussen een vuurwapen uit zijn schoudertas, laadt dit door en schiet het slachtoffer met drie gerichte schoten van zeer dichtbij neer. De verdachte rent weg en het slachtoffer overlijdt ter plaatse.

De gedragingen van de zijde van de verdachte kunnen naar het oordeel van het Gerecht van begin tot eind slechts worden geduid als agressieve en aanvallende gedragingen richting [getuige 3] en het latere slachtoffer. Vanaf het moment dat de verdachte in hun richting loopt, zijn diens gedragingen steeds opnieuw gericht op het aangaan van de confrontatie. Het latere slachtoffer is degene die probeert een escalatie te voorkomen, de verdachte c.s. is degene die provoceert en het gevecht ontketent. [getuige 3] en het latere slachtoffer kunnen zich vanaf dat moment slechts tegen de verdachte c.s. verdedigen, hetgeen zij ook doen. Het schieten op het slachtoffer kan niet anders worden gezien dan als het (opnieuw) inzetten van een aanval op het latere slachtoffer, kennelijk om het knock-out slaan van [getuige 1] te vergelden.

De gedragingen van de verdachte kunnen op grond van het voorgaande noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm op enig moment worden aangemerkt als verdedigend, maar moeten - naar de kern bezien - beschouwd worden als aanvallend en gericht op deelneming aan het gevecht. In een dergelijk geval kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een beroep op noodweer niet worden aanvaard. In zo’n geval kan een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer evenmin slagen3. De verweren worden daarom verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar en de verdachte is strafbaar.

6 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit tijdens de Teenerparade en heeft met zijn vuurwapen na afloop van de Teenerparade een achttienjarige jongen doodgeschoten. Het slachtoffer had even tevoren deëscalerend opgetreden in een conflict waarin een vriend van hem verzeild dreigde te raken. Onder andere door zijn optreden werd die situatie tot bedaren gebracht. De verdachte en twee van diens vrienden, die het slachtoffer noch diens vriend kenden en met voornoemd conflict niets van doen hadden, meenden hen echter te moeten aanspreken op wat er gaande was geweest. Zij sloten hen op intimiderende wijze in en ontketenden een gevecht. Toen de verdachte zag dat een van zijn vrienden daarbij knock-out was geslagen, aarzelde hij geen moment, trok hij zijn vuurwapen, liep op het slachtoffer af en vuurde hij van dichtbij drie kogels op hem af. Het slachtoffer overleed ter plaatse in de armen van zijn vriend.

Met zijn handelen heeft de verdachte het meest kostbare recht van een mens - het recht op leven - op meedogenloze wijze afgenomen van het slachtoffer. Daarnaast is aan de nabestaanden en andere naasten van het slachtoffer een verschrikkelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen het verlies van hun zoon, broer en vriend die slechts achttien jaar was en nog een heel leven voor zich had, elke dag moeten dragen. Tijdens de terechtzitting gaven de ouders op aangrijpende wijze blijk van hun diepgewortelde gevoelens van verdriet, pijn en woede.

Deze doodslag heeft ook de Curaçaose samenleving hevig geschokt en heeft gevoelens van angst, onveiligheid en verbijstering teweeg gebracht. Het jeugdige slachtoffer is doodgeschoten tijdens het Curaçaose Karnaval, na afloop van de drukbezochte Teenerparade, een parade voor en door de jeugd van Curaçao. De schietpartij vond plaats in het hart van Curaçao, aan de voet van de op dat moment drukke [locatie 3], te midden van uitgedoste feestvierende jongvolwassenen en kinderen. Met dit schokkende en zinloze vuurwapengeweld heeft de verdachte gezorgd voor een tragisch dieptepunt als het gaat om het vuurwapengeweld in Curaçao.

Het vuurwapenbezit waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt is los van de doodslag ook een ernstig feit. Dat de verdachte een geladen vuurwapen meeneemt naar de druk bezochte Teenerparade en vervolgens aanzienlijke hoeveelheden whisky en marihuana gebruikt acht het Gerecht verwerpelijk en buitengewoon gevaarzettend. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij dit vuurwapen mee had genomen “omdat er daar ieder jaar wel een dode valt” is ronduit stuitend te noemen, gelet op het verdere verloop van de avond. Ongecontroleerd vuurwapenbezit brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid met zich, een risico dat zich in deze zaak in volle omvang heeft verwezenlijkt met alle gevolgen van dien. Tegen het ongecontroleerd bezit van vuurwapens dient in deze kleinschalige samenleving dan ook streng te worden opgetreden.

Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan en is op grond van de aard en de ernst daarvan van oordeel dat slechts een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

Bij het vaststellen van de hoogte van de straf heeft het Gerecht acht geslagen op de rapportages die over de verdachte zijn opgemaakt door psychologen S. Wichard en

H.W.T. Linkels en psychiater G.E. Matroos. Allen achten de verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Het Gerecht verenigt zich met deze conclusie en maakt deze tot de zijne. Voorts heeft het Gerecht acht geslagen op het rapport van de U.O. Reclassering Curaçao en het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Bij het vaststellen van de hoogte van de straf heeft het Gerecht voorts rekening gehouden met de hoogte van de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Als strafverzwarende omstandigheden weegt het Gerecht mee dat sprake is van een doodslag begaan op zeer lichtvaardige wijze zonder enige aanleiding tijdens het Curaçaose Karnaval in de binnenstad van Willemstad, te midden van vele (jeugdige) omstanders. Daarmee is dit een van de zwaarste vormen van doodslag te noemen.

Alles afwegende acht het Gerecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur passend en geboden.

7 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen, [benadeelde 2] en [benadeelde 1], hebben gezamenlijk een vordering tot schadevergoeding van NAf 50.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden, bestaande uit de kosten van lijkbezorging, kleding voor de overledene, gederfde inkomsten en gederfde uitkering van een spaarverzekering/levensverzekering.

De gevorderde materiële schade komt, voor zover deze ziet op de kosten van lijkbezorging en kleding (naar het oordeel van het Gerecht eveneens te beschouwen als kosten van lijkbezorging) op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek, voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit 1 en de verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Gelet op de onderbouwing van dit deel van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt het Gerecht vergoeding van deze schade ook billijk voor. Het Gerecht acht dit gedeelte van de vordering derhalve toewijsbaar tot het bedrag van (NAf 12.224,17 + NAf 385,03 =)

NAf 12.609,20.

De overige gevorderde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu ingevolge het Burgerlijk Wetboek naast de kosten van lijkbezorging slechts schade door het derven van levensonderhoud voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partijen zullen in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte dient tevens te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Het Gerecht ziet voorts aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partijen wordt toegewezen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 1:62, 1:78, 1:136, 1:224 en 2:259 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930.

9 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4D omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezenverklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van

15 (vijftien) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van NAf 12.609,20 (twaalfduizend zeshonderdnegen gulden en twintig cent) en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde 2] en [benadeelde 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 12.609,20 (twaalfduizend zeshonderdnegen gulden en twintig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 98 (achtennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 11 juli 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het onderzoek Kinikini, gesloten en ondertekend op 8 mei 2017.

2 Het Gerecht heeft in alle bewijsmiddelen daar waar de naam [naam slachtoffer met spelfout voorkomt deze gecorrigeerd in [slachtoffer].

3 vide HR ECLI:NL:HR:2016:456 ECLI:NL:HR:2010:BK4788