Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:268

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
500.00420/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitvoer cocaine

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2017. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. Zijn raadsman, mr. R.A. Gonet, was ter terechtzitting aanwezig.

De officier van justitie, mr. R.A. Koert, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

(MEDEPLEGEN UITVOER/VERVOER, VOORHANDEN HEBBEN VAN VERDOVENDE MIDDELEN)

dat hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2 juni 2017 tot en met 29 augustus 2017 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 54670 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

Subsidiair, indien het voorgaande niet tot een veroordeling zou of mocht kunnen leiden:

(VOORBEREIDINGSHANDELINGEN UITVOER/ VERVOER/

AFLEVERING VAN VERDOVENDE MIDDELEN CONFORM DE OPIUMLANDSVERORDENING 1960)

dat hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2 juni 2017 tot en met 29 augustus 2017 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A,B of D van de Opiumlandsverordening 1960, te weten,

 het opzettelijk in-, uit- of doorvoeren en/of

 het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, -afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

 het opzettelijk vervaardigen, waaronder begrepen het raffineren en omzetten,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten(en) heeft getracht te verschaffen, en/of (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar ter voorbereiding en/of bevordering van de van de uitvoer en/of aflevering en/of vervoer van hoeveelheid van een van een materiaal bevattende cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no 13), onder meer,

  • -

    telefoongesprekken en/of email correspondentie gevoerd met (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf] (over het transport) en/of,

  • -

    een kopie van zijn paspoort/identiteitsbewijs opgestuurd aan (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf] en/of

  • -

    door tussenkomst van een medeverdachte (de) goederen (waarin de verdovende middelen waren verstopt) ter verzending aangeboden aan (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf] en/of

  • -

    door tussenkomst van een medeverdachte de transportkosten betaald aan (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf];

(artikel 11a jo 3 jo 11 van de Opiumlandsverordening 1960 jo artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht)

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden:

MEDEPLICHTIGHEID BIJ/TOT HET PLEGEN VAN UITVOER/VERVOER, VOORHANDEN HEBBEN VAN VERDOVENDE MIDDELEN

dat [medeverdachte] en/of een of meer anderen op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2 juni 2017 tot en met 29 augustus 2017 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode februari-maart 2016, opzettelijk behulpzaam is geweest, hebbende hij, verdachte toen en daar, onder meer,

  • -

    telefoongesprekken en/of email correspondentie gevoerd met (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf] (over het transport) en/of,

  • -

    een kopie van zijn paspoort/identiteitsbewijs opgestuurd aan (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf] en/of

  • -

    door tussenkomst van die [medeverdachte] (de) goederen (waarin de verdovende middelen waren verstopt) ter verzending aangeboden aan (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf] en/of

  • -

    door tussenkomst van die [medeverdachte] de transportkosten betaald aan (een vertegenwoordiger van ) [bedrijf];

(artikel 3 jo 11 Opiumlandsverordening 1960 jo artikel 1:124 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Primair:

dat hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2 4 juni 2017 tot en met 29 augustus 2017 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 54670 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

In onderstaande bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal, die onderdeel uitmaken van het einddossier van het Korps Politie Curaçao in het onderzoek “EXP/C1706003”, gesloten en ondertekend op 29 oktober 2017. Voor zover wordt verwezen naar paginanummers, betreffen het paginanummers van het einddossier “EXP/C1706003”.

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

1. p. 016 t/m 018 Algemeen Dossier

Proces-verbaal van bevinding en inbeslagname, met bijlagen, opgemaakt en op 29 augustus 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant voornoemd:

Op 29 augustus 2017 heb ik bij het bedrijf [bedrijf] (het Gerecht begrijpt: in Curaçao) visitatie verricht op de verhuisboedel met als geadresseerde [verdachte], wonende te [locatie 1], Nederland. Bij controle van de zitbank met één zitplaats constateerde ik dat er aan de onderkant was gesjoemeld. Na verwijdering van de voering zag ik dat aan de onderkant van de zitbank één (1) bundel zat vastgebonden. Ik heb in deze bundel geboord. Bij het uithalen van de boor bleef er een witkleurig poeder aan kleven. Ik de bundel zaten vijf (5) transparante pakken elk inhoudende een witkleurig poeder. Bij controle van de zitbank met drie zitplaatsen trof ik daar drie (3) bundels aan elk inhoudende vijf (5) transparante pakken inhoudende een witkleurig poeder. Bij controle van de zes eetkamerstoelen constateerde ik dat zij een zwaar waren. In elke eetkamerstoel zaten in totaal vijf (5) transparante pakken elk inhoudende een witkleurig poeder. Beide zitbanken, de zes (6) eetkamerstoelen en de in totaal vijftig (50) transparante pakken zijn inbeslaggenomen en overgedragen aan [verbalisant 2] voor verder onderzoek.

2. p. 022 en 023 Algemeen Dossier

Proces-verbaal van overname postpakket van het douane personeel, met bijlagen, opgemaakt en op 29 augustus 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 2], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant voornoemd:

Op 29 augustus 2017 heb ik van [verbalisant 1] overgenomen een tweedelig bankstel en 6 (zes) eetkamerstoelen. In totaal zaten daarin vijftig (50) doorzichtige pakken, elk inhoudende een hoeveelheid samengeperst wit poeder.

3. p. 031 en 032 Algemeen Dossier

Proces-verbaal van weging, testen en opsturen monsters naar het laboratorium, opgemaakt en op 29 augustus 2017 gesloten en ondertekend door getekend door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten voornoemd:

Bij weging van de vijftig (50 ) pakken bleken deze een gezamenlijk brutogewicht te hebben van 54670 gram. Vanuit zes (6) van de pakken is een geringe hoeveelheid witachtig poeder genomen en getest met de Narcotest. Hierbij trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mag worden dat het witachtig poeder vermoedelijk cocaïne bevat, een middel vermeld in de Opiumlandsverordening 1960. Vanuit vijf van de pakken is een monster genomen die in vijf afzonderlijke potjes met een dopje zijn gedaan voorzien van opschrift 77/2017 code II-B tot en met II-B-5. De potjes zijn opgestuurd naar het Analytisch Diagnostisch Centrum.

4. p. 033 en 034 Algemeen Dossier

Geschrift, te weten een rapport, nummer TG/258/17 van het Analytisch Diagnostisch Centrum te Curaçao, opgemaakt op 29 september 2017 en ondertekend door Drs. F.J.I. Faulborn, voor zover inhoudende:

Onderwerp: 77/II-B-1 t/m II-B-5 d.d. 29 augustus 2017. Het aangeboden materiaal is ontvangen en onderzocht. Het materiaal bestond uit vijf (5) plastic potjes met dopjes, elk inhoudende een geringe hoeveelheid witachtig poeder. Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal cocaïne bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960

5. p. 036 t/m 039 Algemeen Dossier

Proces-verbaal van getuigenverhoor, met bijlagen, opgemaakt en op 5 september 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 4], voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]:

[medeverdachte] werkt al ongeveer tien jaren voor mijn bedrijf [bedrijf]. In mei 2017 zei [medeverdachte] tegen mij dat een neef van hem spullen vanuit Curaçao naar Nederland wilde verschepen. Hij gaf mij een briefje met de daarop de naam, de geboortedatum, het adres en het e-mailadres van zijn neef: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1985, wonende aan de [locatie 1], Nederland. Er heeft e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [bedrijf] en [verdachte] en er zijn hem stukken toegestuurd. Er is aan hem gevraagd ons een scan van zijn paspoort te sturen. Op 4 juni 2017 heeft [medeverdachte] mij gevraagd om een vrachtwagen te lenen zodat hij de lading van zijn neef [verdachte] kon gaan ophalen. Ik ging hiermee akkoord gezien het feit dat [medeverdachte] ook goederen voor een ander project moest vervoeren. Hij had mij niet gezegd waar en met wie hij de lading van zijn neef [verdachte] zou gaan halen. Hij zei me dat hij de lading zelf had ingepakt. De lading inventaris werd op 4 juni 2017 door [medeverdachte] zelf ingevuld en ondertekend. Het bedrag van 1992,80 ANG voor de lading en verscheping kosten voor [verdachte] werd door [medeverdachte] contant aan [bedrijf] betaald. De verbalisant merkt op dat [verdachte] de aan hem toegestuurde stukken per e-mail van 6 juni 2017 ondertekend heeft teruggestuurd naar [bedrijf]. Op 7 juni 2017 heeft [verdachte] ons een e-mail gestuurd met een kopie van zijn paspoort. Ladingen worden pas verscheept als wij een 40 voet container kunnen vullen. De ladingen kunnen niet verscheept worden zonder gecontroleerd te worden door douane personeel. Op dinsdag 29 augustus 2017, voor de controle van de douane, vroeg [medeverdachte] mij om hier op de zaak te blijven terwijl hij een verhuizingstaak elders had. Ik vond het een heel erg rare vraag van hem. Aangezien hij dit nooit eerder aan mij gevraagd had voor een controle van Douane personeel. Ik gaf aan [medeverdachte] te kennen dat hij zijn verhuizingstaak toch moest gaan uitvoeren. Vervolgens werden de ladingen gecontroleerd. Tijdens de controle werd in een lading drugs aangetroffen. Die lading was bestemd voor de neef van [medeverdachte], [verdachte]. Het is de lading die [medeverdachte] zelf voor zijn neef [verdachte] had opgehaald, ingepakt en in de loods van [bedrijf] had gelegd.

6. p. 015 t/m 021 Verdachte Dossier: VD/ALEX70

Proces-verbaal van verhoor, opgemaakt en op 11 september 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 4], voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Op zondag 4 juni 2017 heb ik de spullen verpakt en in dozen van [bedrijf] gedaan, ik heb de inventarislijst ingevuld en ondertekend en ik heb deze spullen met een vrachtwagen van [bedrijf] naar de loods van [bedrijf] gebracht.

7. p. 070 t/m 074 Verdachte Dossier: VD/ROSA85

Proces-verbaal van verhoor, met bijlage, opgemaakt en op 12 oktober 2017 gesloten en ondertekend door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Ik heb [medeverdachte] op een stukje papier mijn persoonlijke gegevens gegeven en hem gevraagd mijn spullen naar Nederland te sturen. Ik heb hem daarvoor een bedrag van NAf 1.800,- gegeven. Als het niet genoeg zou zijn, zou ik het verschil bijbetalen.

4C. Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte zou geen wetenschap hebben gehad van de aanwezigheid van drugs in de meubels.

Het verweer wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Ter nadere motivering geldt het volgende.

Voorop staat dat een opdrachtgever/geadresseerde verantwoordelijk is voor de inhoud van het transport en in de regel heeft te gelden dat die persoon bekend moet worden geacht met de precieze inhoud. Hierbij is van belang dat het onwaarschijnlijk is dat een organisatie een hoeveelheid cocaïne die een aanzienlijke straatwaarde vertegenwoordigt meegeeft aan een onwetende, met alle risico’s van dien. Voornoemd uitgangspunt leidt slechts uitzondering indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het opzet op de invoer, ook in voorwaardelijke vorm, ontbreekt. Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval van vorenbedoelde bijzondere omstandigheden geen sprake is, en integendeel moet worden aangenomen dat verdachte wist dat er cocaïne in de meubels was verborgen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

Het Gerecht acht het ongeloofwaardig dat verdachte, in de vijf dagen dat hij begin 2017 in Curaçao was, de verhuizing van de meubels zou hebben georganiseerd. In die korte tijd zou hij contact hebben gezocht met [medeverdachte], de goederen zelf hebben verplaatst van het huis van zijn oma naar het huis van zijn moeder en deze vervolgens samen met [medeverdachte] in hebben geladen in diens busje. Hij zou [medeverdachte] zijn contactgegevens hebben verstrekt en hem een contant bedrag van NAf. 1.800,- hebben gegeven. Medeverdachte [medeverdachte] ontkent deze gang van zaken en beweert de goederen pas in juni 2017 te hebben ontvangen.

Het Gerecht acht het ook onaannemelijk dat verdachte de goederen begin februari laat ophalen en dat pas laat in mei contact ontstaat met [bedrijf] over het vervolg, nota bene op initiatief van laatstgenoemde. Eveneens is het vreemd te noemen dat verdachte de goederen, die kennelijk een geringe waarde hebben, voor een relatief groot bedrag

(NAf 1.992,80) laat vervoeren en dat dit bedrag contant is voldaan.

Cruciaal acht het Gerecht dat verdachte niet consistent heeft verklaard over de aard en herkomst van de goederen. In zijn antwoord op de vraag welke goederen vervoerd werden, laat verdachte na om de zitbank te benoemen, een opvallend en groot voorwerp waarin drugs verstopt zaten. Van nog groter belang is dat de bewering van verdachte, dat het goederen van zijn oma en overleden tante betreft, niet geloofwaardig is. Hij heeft immers in zijn eerste verhoor bij de rechter-commissaris in Nederland verklaard: “Het zijn gewoon spullen die ik heb gekocht, besteld”.

Alles bijeengenomen kan het naar het oordeel van het Gerecht niet anders zijn, dan dat verdachte met vol opzet en in bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte] heeft gehandeld.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Primair:

Het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan. Verdachte speelde als opdrachtgever en ontvanger van het transport een belangrijke en kwalijke rol.

Het Gerecht heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de blanco strafkaart van verdachte en op de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht het Gerecht de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden, zodat die eis zal worden gevolgd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumlandsverordening 1960.

9 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig (48) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot zes (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie (3) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 21 december 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.