Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:267

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
500.00068/16 en 555.00318/15 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

diefstal geweld met dood

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], te [adres], (volgens eigen opgave: op [adres]),

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016,

9 september 2016, 16 september 2016 en 6 januari 2017. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.S.M Blonk, advocaat te Curaçao.

De officier van justitie, mr. E.V.A. Bos, heeft ter terechtzitting gevorderd om de verdachte in de zaak met parketnummer 500.00068/16 ter zake het tenlastegelegde feit te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens vordert zij de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 555.00318/15 bij vonnis van het Gerecht van 19 oktober 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

De benadeelde partij [benadeelde], ter terechtzitting vertegenwoordigd door V.A. Jozephia, heeft zich niet in het geding gevoegd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

dat hij in of omstreeks de periode van 17 januari 2016 tot en met 19 januari 2016, althans in de maand januari 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar (gouden) oorbellen en/of ketting en/of horloge, althans een aantal (gouden) sieraden en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het opzettelijk

  • -

    met kracht en onverhoeds van achteren vastpakken en/of vasthouden van het lichaam van die [slachtoffer], en/of

  • -

    (vervolgens) het (met de handen) afdekken en/of dichthouden van de mond van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het op de grond leggen en/of tegen de grond drukken (op de buik met het gezicht naar beneden) van die [slachtoffer], en/of

  • -

    het (met een kledingstuk) op de rug vastbinden van beide handen van die [slachtoffer] en/of

  • -

    de mond van die [slachtoffer] afdekken en/of dichtbinden met een kledingstuk,

tengevolge van welk bovenomschreven feit [slachtoffer] is overleden;

(artikel 2:291 lid 1, 2, 3 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

dat hij in of omstreeks de periode van 17 januari 2016 tot en met 19 januari 2016, althans in de maand januari 2016 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paar (gouden) oorbellen en/of een ketting en/of horloge, althans een aantal (gouden)sieraden en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het opzettelijk

  • -

    met kracht en onverhoeds van achteren vastpakken en/of vasthouden van het lichaam van die [slachtoffer], en/of

  • -

    (vervolgens) het (met de handen) afdekken en/of dichthouden van de mond van die [slachtoffer] en/of

  • -

    het op de grond leggen en/of tegen de grond drukken (op de buik met het gezicht naar beneden) van die [slachtoffer], en/of

  • -

    het (met een kledingstuk) op de rug vastbinden van beide handen van die [slachtoffer] en/of

  • -

    de mond van die [slachtoffer] afdekken en/of dichtbinden met een kledingstuk,

ten gevolge van welk bovenomschreven feit [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal-en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen1 zijn vervat.

1. Proces-verbaal van bevindingen plaats delict [locatie 1] van het Korps Politie Curaçao d.d. 29 januari 2016, pagina 20 en 21, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op dinsdag 19 januari 2016 omstreeks 11:30 uur werd ik door inspecteur [verbalisant 2] gedirigeerd naar de woning te [locatie 1] te Curaçao. Het personeel van de Technische Ondersteuning, ook daar aanwezig, ging rond 12:30 uur die woning binnen. Om 12:40 uur constateerde de politiearts, Dr. [verbalisant 3], de dood van het aldaar aangetroffen slachtoffer. Politiearts [verbalisant 3] vermoedde dat het slachtoffer in de nacht van maandag 18 januari 2016 op dinsdag 19 januari 2016 is komen te overlijden.

2. Proces-verbaal van bevindingen herkenning stoffelijk overschot van het Korps Politie Curaçao d.d. 20 januari 2016, pagina 22, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:

Op 19 januari 2016 omstreeks 12:00 uur was ik bij de woning van het slachtoffer te [locatie 1]. [persoon 1] en [persoon 2], ook daar aanwezig, herkenden de overleden persoon als hun nicht respectievelijk zus, in leven genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1927 te [geboorteplaats].

3. Proces-verbaal van lijkvinding te [locatie 1], van het Korps Politie Curaçao, zaaknummer TFOC.2016.01.19-M01, registratienummer 102/2016, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] en op 11 augustus 2016 gesloten en getekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten of één van hen:

Op dinsdag 19 januari 2016 hebben wij bij het perceel te [locatie 1] een forensisch onderzoek verricht. In een slaapkamer werd het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. [slachtoffer] is in een ongewone positie, liggend op haar buik op de vloer van de slaapkamer, aangetroffen. Zij lag op diverse overhoop liggende voorwerpen, met de rechterzijde van haar gezicht plat tegen een groenkleurige doek op de vloer. Haar benen lagen naast elkaar gestrekt en haar linkerarm lag op haar rug. De rechterarm lag gestrekt langs de rechterzijde van haar lichaam. Beide handpalmen waren omhoog gekeerd. Het stoffelijk overschot is in beslag genomen en getransporteerd naar de ADC-lijkenkamer. Op 20 januari 2016 werd op het stoffelijk overschot een gerechtelijke sectie verricht door de patholoog-anatoom Dr. R. Gogorza.

4. Een geschrift getiteld Obductierapport # S-16-07, te weten een door patholoog-anatoom Dr. R. Gogorza opgemaakt rapport van het obductieonderzoek verricht op 20 januari 2016 om 10:15 uur op het lichaam van [slachtoffer], los stuk, voor zover inhoudende:

Het lichaam van [slachtoffer], geboren op 23 juni 1927, werd mij aangeboden door de ambtenaren van de technische opsporingsdienst (TOD) Curaçao voor een obductie. De doodsoorzaak is asfyxie. Het mechanisme van overlijden is een hartstilstand.

5. Een geschrift, te weten een door patholoog-anatoom Dr. R. Gogorza opgemaakt document, inhoudende de antwoorden op de vragen van mr. A.S.M. Blonk naar aanleiding van het obductierapport S-16-07, los stuk, voor zover inhoudende:

Asfyxie is een aandoening, die wordt veroorzaakt door interferentie met de ademhaling of door een gebrek aan zuurstof in de ingeademde lucht waardoor organen en weefsels verstoken raken van zuurstof, wat bewusteloosheid of de dood veroorzaakt.
In geval van mechanische asfyxie worden de luchtwegen mechanisch geblokkeerd. Een vorm van mechanische asfyxie is externe compressie van de borstkas en buikwand die de ademhalingsbewegingen verstoort. Dit is het waarschijnlijke mechanisme in zaak S-16-07, door de aanwezigheid van bilaterale bloedingen aan de longen en de omvangrijke bilaterale bindvliesbloedingen en petechiën.

De asfyxie (bilaterale bindvlies bloedingen en petechiën, bilaterale pulmonale bloedingen) genereerde het gebrek aan zuurstof; door het gebrek aan zuurstof werden de lichaamscellen daarvan niet voorzien en reageerden ze door grote hoeveelheden melkzuur te produceren, waardoor de PH werd verminderd; deze gebeurtenissen werden gevolgd door hersenoedeem, hartritmestoornissen en het overlijden (hartstilstand).

6. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek en identificatie van aangetroffen vingerspoor contra de verdachten genaamd [verdachte] en [medeverdachte] van het Korps Politie Curaçao, zaaknummer TFOC.2016.01.19-M01, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 3] en [verbalisant 6] en op 17 augustus 2016 gesloten en ondertekend door de verbalisant [verbalisant 3], los stuk, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten of één van hen:

Op dinsdag 19 januari 2016 begaven wij ons naar een perceel te [locatie 1] voor het instellen van een forensisch sporenonderzoek in verband met een beroving met dodelijke afloop. Onbevoegden hadden drie glazen shutters uit een raam van het pand verwijderd om zo toegang tot de daarachter gelegen gesloten ruimte te krijgen. In die gesloten ruimte waren wederom drie glazen shutters verwijderd. Het vergelijkingsonderzoek van de aldaar aangetroffen vingersporen gaf het volgende resultaat. Het spoor F11, aangetroffen op één van de glazen shutters van het keukenraam, bleek identiek te zijn aan de linker middelvinger afdruk van [medeverdachte], van wie op 27 januari 2016 een dactyloscopisch signalement was vervaardigd. Het spoor R1, aangetroffen op een licht- en donkerbruin gestreepte schoenendoos van het merk Lady Godiva geopend aangetroffen op de grond direct naast het slachtoffer, bleek identiek te zijn aan de rechter wijsvinger afdruk van [verdachte]. Vanwege de eenmaligheid van vinger- en handpalmafdrukken houdt dit in dat de dactyloscopische sporen afkomstig zijn van [medeverdachte] respectievelijk [verdachte] en van niemand anders.

7. Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 6 februari 2016, pagina 84 t/m 89, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Het klopt dat wij naar de woning van [medeverdachte]’s tante zijn gegaan. [medeverdachte] had de shutters eruit gehaald en gaf ze aan mij. Toen zijn wij naar binnen gegaan; eerst [medeverdachte], toen ik. Op een gegeven moment viel er iets in de keuken en een vrouw opende haar slaapkamerdeur en kwam naar de keuken. Ze draaide zich heel snel om en liep vervolgens weer terug naar haar slaapkamer. Ik dacht dat zij de politie wilde gaan bellen. Daarom ben ik snel achter haar aangegaan en heb ik haar bij haar mond vastgepakt. Ik liep met de vrouw naar haar slaapkamer en de vrouw begon te vechten. Ze wilde mij gaan bijten en ik pakte een kussen. Vervolgens heb ik het kussen tegen haar gezicht gehouden. Zij is op de grond gelegd. Ik zei tegen haar dat wij alleen maar geld wilden hebben. [medeverdachte] hield haar handen op haar rug vast. Toen kon ik haar handen vastbinden met een kledingstuk. De vrouw probeerde op dat moment los te komen. Daarna gingen we in het huis zoeken. We hebben eerst in haar slaapkamer gezocht. De andere slaapkamer had [medeverdachte] met een schop open gebroken en toen zijn we daar gaan zoeken.

8. Proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [verdachte] d.d. 19 februari 2016, pagina 94 t/m 99, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik heb in een schoenendoos gezocht, die [medeverdachte] op het bed had gegooid.

9. Proces-verbaal van 3e verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 5 februari 2016, pagina 133 t/m 137, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte]:

Op zondag 17 januari 2016 zijn [verdachte] en ik naar de woning van wijlen [slachtoffer] gegaan. Ik heb de shutters van het raam aan de achterzijde van de woning eruit gehaald. Ik ben toen in de woning gesprongen, gevolgd door [verdachte]. Eenmaal in de kamer heb ik weer shutters uit een raam gehaald. Wij zijn toen naar binnen gesprongen en zijn gaan zoeken in de woning. Op een gegeven moment deed mijn tante de deur van haar slaapkamer open en liep naar de tussendeur. Toen zij terugliep naar haar slaapkamerdeur, pakte [verdachte] haar van achteren vast. Hij pakte één van haar handen en met zijn andere hand greep hij naar haar mond. Hierna kwam ik vanuit de keuken en pakte allebei haar handen en hield die op haar rug vast. Wij liepen met haar de slaapkamer in en hebben haar op de grond gelegd. Toen heeft [verdachte] - terwijl ik haar handen vasthield - haar handen vastgebonden met kleren. [verdachte] heeft haar mond ook afgebonden. Daarna hebben we beide slaapkamers en de woonkamer doorzocht. We waren op zoek naar geld.

10. Proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte] d.d.13 februari 2016, pagina 138 t/m 142, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte]:

Het was mijn idee om in te breken bij [slachtoffer]. [verdachte] ging daarmee akkoord. Ik had hem verteld dat zij een bejaarde vrouw was en dat zij waarschijnlijk geld in huis had. Ik heb sieraden op het nachtkasje naast het bed van [slachtoffer] aangetroffen en meegenomen. Na de beroving heb ik aan [verdachte] verteld dat ik sieraden had aangetroffen. Hierna heb ik ze aan [verdachte] gegeven.

11. Proces-verbaal van horen getuige [benadeelde] (2de verhoor) d.d. 12 februari 2016, pagina 34 t/m 37, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [benadeelde]:

Nadat de politie het huis had vrijgegeven, hebben mijn kleinkind, mijn zoon en ik het huis van [slachtoffer] doorzocht. Wij hebben polshorloges en geld van haar teruggevonden. De sieraden die [slachtoffer] echter altijd droeg, te weten oorbellen, een halsketting en een ring, werden niet door ons gevonden.

4C. Bewijs(middel)overwegingen

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet vastgesteld kan worden wat de doodsoorzaak van het slachtoffer was en dat de ingetreden dood daarom niet aan de schuld van de verdachte te wijten is. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte geen goederen heeft weggenomen, zodat geen sprake is van een voltooide diefstal. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de medeverdachte in zijn verklaringen bij de politie heeft gelogen over de gang van zaken in de woning, met name over de rol van de verdachte.

Het Gerecht overweegt in verband met deze verweren het navolgende.

doodsoorzaak

Uit het obductierapport en de daarop door de patholoog gegeven schriftelijke toelichting (bewijsmiddelen 4 en 5) volgt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van het mechanisch blokkeren van de luchtwegen - waarschijnlijk bestaande uit een compressie van de borstkas en buikwand - wat een hersenoedeem, hartritmestoornissen en uiteindelijk een hartstilstand heeft veroorzaakt. Dit wordt onder mee gebaseerd op het aangetroffen letsel aan de longen, hersenen en ogen. Ter toelichting heeft de patholoog aangegeven dat door hem geen enkele natuurlijke aandoening werd aangetroffen die het aangetroffen letsel kon veroorzaken (beantwoording vraag 24 van mr. A.S.M. Blonk). Het Gerecht kan de raadsvrouw dan ook niet volgen in haar betoog dat de doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld.

causaal verband

De beantwoording van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door de verdachte verrichte gedraging - te weten het door hem en/of zijn mededader uitgeoefende geweld - en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend (vide HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4491). Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer van achteren hebben vastgepakt, haar mond met de hand hebben dichtgehouden, haar naar de grond hebben gewerkt in een buikligging, haar handen op haar rug hebben vastgebonden en haar mond hebben afgebonden. Toen het slachtoffer haar aanvankelijke verzet had opgegeven en nauwelijks meer bewoog, hebben zij haar handen en mond losgemaakt en haar liggend op haar buik achtergelaten. Naar het oordeel van het Gerecht zijn deze geweldshandelingen - die naar hun aard en gezien het verzet gepaard moeten zijn gegaan met het uitoefenen van druk en kracht op het bovenlichaam van het slachtoffer- bezien in het licht van de conclusies van de patholoog, een noodzakelijke factor geweest voor het na de overval intreden van de dood van het slachtoffer. De dood van het slachtoffer kan daarmee redelijkerwijs als gevolg van het tegen haar in vereniging gepleegde geweld aan de verdachte worden toegerekend.

verklaringen van de (mede)verdachte en medeplegen

De medeverdachte heeft bij de politie belastende verklaringen afgelegd over de verdachte. Deze verklaringen acht het Gerecht betrouwbaar en geloofwaardig, omdat de medeverdachte zichzelf met deze verklaringen in grote mate incrimineert en zijn verklaringen gedetailleerd en consistent zijn. Deze verklaringen staan bovendien niet op zichzelf, maar vinden steun in zowel objectief technisch bewijs (de bevindingen van de forensische recherche en de patholoog) als in de bekennende verklaring die de verdachte zelf heeft afgelegd bij de politie. Tenslotte is de medeverdachte ook onder ede bij de rechter-commissaris bij deze verklaringen gebleven. Het Gerecht bezigt voornoemde verklaringen van de medeverdachte dan ook tot het bewijs.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer in een staande positie en slechts aan haar handen vastgebonden is geweest en dat zij, toen zij onwel werd, meteen door hem is los gemaakt en in een stabiele zijligging is gelegd zodat zij goed kon ademen. Deze verklaring acht het Gerecht ongeloofwaardig gelet op het feit dat het slachtoffer is aangetroffen in een positie die niets weg heeft van een stabiele zijligging, maar juist past bij de eerder door de beide verdachten beschreven geweldshandelingen. Het Gerecht schuift deze verklaring van de verdachte dan ook terzijde en houdt hem aan zijn bij de politie afgelegde verklaring, die tot het bewijs wordt gebezigd.

Op grond van de gebezigde verklaringen van de verdachte en de medeverdachte kan worden vastgesteld dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachte de geweldshandelingen jegens het slachtoffer heeft gepleegd om de door hen voorgenomen diefstal mogelijk te maken. Immers, toen de verdachte het slachtoffer van achteren had vastgepakt en haar mond dichthield met de hand, hebben beide verdachten haar samen naar de grond gewerkt in een buikligging, waarna zij hebben samengewerkt in het vastbinden van haar handen en het afbinden van haar mond. Zij zijn vervolgens beiden de woning gaan doorzoeken. Door zo te handelen heeft de verdachte een significante bijdrage geleverd aan het plegen van de overval. Daaraan doet niet af dat uiteindelijk slechts door de medeverdachte goederen zijn weggenomen uit de woning. Er is dan ook sprake van medeplegen.

De verweren worden verworpen.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde (vul de feitaanduidingen in)opheffen of uitsluiten. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. (vul de feitaanduidingen in)

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheffen of uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van een gewelddadige overval in een woning ten gevolge waarvan de hoogbejaarde bewoonster van 88 jaar oud is overleden. Het slachtoffer, een groottante van de minderjarige medeverdachte, lag nietsvermoedend te slapen toen de verdachte en zijn medeverdachte haar woning binnengedrongen. Toen het slachtoffer wakker werd en de woningindringers tegen het lijf liep, trachtte zij van hen weg te lopen. Zij werd vervolgens met geweld naar de grond gewerkt, waarna haar handen werden vastgebonden op haar rug en haar mond werd afgebonden met een doek. De verdachten doorzochten vervolgens haar hele woning en gingen er met wat sierraden vandoor. Zij lieten het slachtoffer levend, maar in volstrekt hulpeloze toestand achter in de ravage. Aan de halfslachtige poging om een ambulance te bellen - de verbinding werd verbroken - gaven zij verder geen vervolg, zodat adequate medische zorg uitbleef. Pas anderhalve dag later werd zij dood in haar woning aangetroffen.

Het slachtoffer moet doodsangsten hebben uitgestaan tijdens de beroving. De nabestaanden van het slachtoffer is onnoemelijk veel leed aangedaan. Zij zullen iedere dag moeten leven met de gedachte dat het leven van dit uiterst kwetsbare en weerloze slachtoffer op brute wijze is geëindigd. Ook de Curaçaose samenleving is door het onderhavige feit ernstig geschokt. Een overval op de meest kwetsbare personen in deze samenleving is even lafhartig als schokkend te noemen. Het feit dat de verdachte werkzaam was in de bejaardenzorg maakt een en ander des te kwalijker. Een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur is dan ook geïndiceerd.

Het openbaar ministerie heeft een strafeis geformuleerd die naar het oordeel van het Gerecht eerder past bij een gekwalificeerde doodslag. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het openbaar ministerie heeft er bewust voor gekozen geen gekwalificeerde doodslag (waarbij opzet op de dood vereist is) ten laste te leggen, maar een diefstal met geweld, met de dood tot gevolg (in welk geval geen opzet op de dood is vereist). In de strafoplegging moet - hoe kwalijk het bewezenverklaarde feit ook – dit verschil tot uitdrukking komen, zoals dat ook tot uitdrukking komt in het op beide feiten door de wetgever gestelde strafmaximum (levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal dertig jaar respectievelijk achttien jaar gevangenisstraf). Het Gerecht ziet gelet hierop aanleiding om af te wijken van de strafeis en aansluiting te zoeken bij straffen die doorgaans voor dit soort delicten worden opgelegd wanneer het geweld niet heeft bestaan in het gebruik van vuurwapens of steekwapens.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de rapporten van de psychiater F.G.M. Heijtel en de psychologen L. Bonofacia en H.W.T. Winkels. Allen achten de verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Het Gerecht verenigt zich met deze conclusie. Voorts heeft het Gerecht acht geslagen op het rapport van de U.O. Reclassering Curaçao.

In het nadeel van de verdacht weegt het Gerecht mee dat hij reeds eerder en meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten met geweld en ten tijde van het onderhavige feit nog in een proeftijd liep. Kennelijk hebben deze veroordelingen onvoldoende indruk op de verdachte gemaakt die onverstoorbaar lijkt te zijn verder gegaan met het plegen van strafbare feiten, die in ernst zeer toenemen. Het Gerecht acht dit, net als de deskundigen, zorgelijk.

Alles afwegende acht het Gerecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de na te melden duur passend en geboden.

8 Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 19 oktober 2015 in de zaak met parketnummer 555.00318/15 heeft het Gerecht de verdachte ter zake van poging tot diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie (3) jaren bepaald onder, onder meer, de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan met het onherroepelijk worden van het vonnis op 19 oktober 2015 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat het Gerecht zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

Het Gerecht heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Het Gerecht is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:26, 1:62, 2:289 en 2:291 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals in rubriek 4A omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 555.00318/15 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden, opgelegd bij vonnis van het Gerecht van 19 oktober 2015.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 27 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Wanneer in de bewijsmiddelen wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. In de bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar paginanummers van de bijlagen gevoegd bij het proces-verbaal van het Korps Politie Curaçao genaamd “Onderzoek Noord Jan Thiel”, op 16 mei 2016 gesloten en ondertekend door R.V. Martina. De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven. Andere geschriften zijn telkens gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.