Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:261

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
KG 83461/2017
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. KG 83461 van 2017 Gezamenlijk gezag over kinderen. Vervangende toestemming internationale verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN Curaçao

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISERES],

wonend in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.G. da Costa Gomez,

tegen

[GEDAAGDE],

wonend in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.N.E. Inderson.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

1 Verloop van de procedure

1.1 [

eiseres] heeft op 10 augustus 2017 een verzoekschrift in kort geding, met producties, ingediend. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 21 augustus 2017. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden. [gedaagde] heeft op voorhand producties overlegd. [eiseres] heeft ter zitting drie aanvullende producties in het geding gebracht en via een “tablet” foto’s aan het Gerecht getoond. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [gedaagde] aan de hand van overgelegde pleitnotities, en vragen van het Gerecht beantwoord.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.

a. Partijen zijn op 11 december 2009 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren genaamd [kind 1], geboren in Curaçao op [geboortedatum] en [kind 2], geboren in Curaçao op [geboortedatum] (hierna: de kinderen).

b. Bij beschikking van het Gerecht in eerste aanleg te Curaçao van 13 juni 2017

(E 81345) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarbij het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen gehandhaafd is. In die procedure heeft [eiseres] aangegeven met de kinderen naar Aruba te willen verhuizen, terwijl [gedaagde] het daar niet mee eens is. Omdat partijen niet tot overeenstemming konden komen zijn de beslissingen omtrent de feitelijke verblijfplaats van de kinderen en de kinderalimentatie aangehouden en is de zaak op die punten verwezen naar de rol voor het nemen van een akte uitlating regeling zijdens partijen.

c. Partijen zijn daarna ondanks bemiddeling/mediation niet op één lijn gekomen, waardoor er op dit moment een patstelling is in deze kwestie. Naar aanleiding daarvan is het onderhavige verzoek ingediend.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert, bij beschikking (het Gerecht begrijpt: vonnis) uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:

  • -

    dat [eiseres] vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen naar Aruba te verhuizen

  • -

    dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar is.

3.2. [

eiseres] heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. De redenen van haar vestiging in Aruba zijn gelegen in het feit dat er aldaar economische voortuitgang voor haar valt te boeken, hetgeen ook in het belang van de kinderen is. Zo zal zij een hoger salaris gaan verdienen, zijn de secundaire arbeidsvoorwaarden beter en zijn de mogelijkheden om zich in Curaçao verder te ontplooien als docent uiterst beperkt. Tevens zal [eiseres] een tweejarige masters opleiding in “International and European Tax Law” aan de Universiteit van Aruba (in samenwerking met de Universiteit van Maastricht) gaan volgen. [eiseres] heeft verder naar voren gebracht dat zij de verhuizing goed heeft geregeld en alle voorzieningen zijn getroffen. Zij heeft een woning in Aruba gekocht en de inschrijving bij de kinderopvang voor de beide kinderen c.q. de aanmelding op de school voor het oudste kind al geregeld. Voor wat betreft een omgangsregeling heeft [eiseres] voorstellen gedaan. Zij heeft een omgangsregeling voorgesteld via Skype, WhatsAppVideo, Facetime en dat [gedaagde] de kinderen in Aruba kan bezoeken, waarbij [eiseres] bereid is één keer per maand voor [gedaagde] een ticket en redelijke verblijfkosten te betalen. Ook wil [eiseres] [gedaagde] tegemoet komen met een vermindering van de kinderalimentatie.

3.3. [

gedaagde] verweert zich tegen de vordering en concludeert tot afwijzing daarvan. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de noodzaak tot verhuizing ontbreekt nu er geen financiële noodzaak bestaat, aangezien [eiseres] alhier een beter betaalde baan zou kunnen zoeken om haar wens van financiële voortgang in vervulling te laten gaan. Tevens is in onvoldoende mate gesteld of bewezen dat de studie waarvoor [eiseres] zich heeft ingeschreven niet ook op Curaçao is te volgen dan wel via videoconference met Aruba of Maastricht is te volgen. Verder heeft [eiseres] onvoldoende informatie verschaft over onder meer het sociaal netwerk van de kinderen op Aruba. Het is niet in het belang van de kinderen het verzoek toe te wijzen, nu zij recentelijk de echtscheiding van hun ouders hebben meegemaakt en zij thans zouden moeten verhuizen waardoor zij hun vader, overige familieleden en vrienden niet langer frequent zullen zien.

4. De beoordeling

Vervangende toestemming verhuizing

4.1.

Ingevolge artikel 1:253a BW dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem/haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij die beoordeling dient de rechter de verschillende belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af te wegen, waarbij het belang van het kind in beginsel voorop staat. Binnen dit kader zullen de volgende factoren een rol kunnen spelen:

  • -

    het recht en belang van de moeder om te verhuizen en de vrijheid om haar leven opnieuw in te richten; de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de vader te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de vader en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg; de frequentie van het contact tussen het kind en de vader voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van het kind, zijn/haar mening en de mate waarin hij/zij geworteld is in hun omgeving;

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

4.2.

Ter zitting is gebleken dat [eiseres] zich op 15 augustus 2017 reeds in Aruba heeft gevestigd, in verband met het feit dat zij aan de slag moest als leerkracht economische vakken bij een onder de Stichting Educacion Profesional Basico (hierna: SEPB) ressorterende school. De kinderen verblijven momenteel bij [gedaagde] en worden opgevangen met behulp van naschoolse opvang en de ouders van [gedaagde].

4.3.

Aangaande het belang om te verhuizen overweegt het Gerecht als volgt. Uit vergelijking van de brief van 22 mei 2017 van SEPB (productie 3 [eiseres]) met de door [eiseres] ter zitting overgelegde loonstrook van de Dienst Openbare Scholen blijkt dat [eiseres] als docent in Aruba substantieel meer verdient dan zij in Curaçao deed. Voorts blijkt uit de bij genoemde brief behorende bijlage dat [eiseres] in Aruba gunstige secundaire arbeidsvoorwaarden geniet en heeft zij ter terechtzitting onbetwist gesteld dat deze in Curaçao deels ontbreken (voorjaartoeslag, reparatietoelage en eindejaars-uitkering) en voor een ander deel ongunstiger zijn (vakantiegeld). Het betoog van [gedaagde] dat op Curaçao ook vooruitgang valt te boeken is door [eiseres] gemotiveerd betwist met de stelling dat ingevolge de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en overige bezoldigingsregelgeving de docentensalarissen uniform zijn en een loopbaanverbetering binnen het onderwijs op Curaçao niet mogelijk is, waarna [gedaagde]’s betoog niet nader is onderbouwd. Op de vraag van het Gerecht of, gezien haar achtergrond in Auditing en Controlling, niet buiten het onderwijs carrière valt te maken op Curaçao, heeft [eiseres] aangegeven dat zij vroeger bij Stichting Belastingaccountansbureau (BAB) heeft gewerkt, maar dat zij in het onderwijs is gegaan om de middagen met de kinderen door te kunnen brengen. Ten aanzien van de studiemogelijkheden heeft [eiseres] tenslotte voldoende gemotiveerd betwist dat een zelfde of vergelijkbare studie alhier valt te volgen.

4.4.

Op het punt van de verdeling van de zorgtaken en de continuering daarvan is hiervoor al aan de orde geweest dat [eiseres] in het verleden met het oog de kinderen een onderwijsbaan heeft genomen om zodoende ’s middags bij de kinderen te zijn. Verder is uit het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat [gedaagde] in ploegendiensten bij Isla werkt (van 7:30 tot 15:30 uur of van 15:30 tot 23:30 uur of van 23:30 uur tot 7:30 uur) en dat hij eerst naar aanleiding van het onderhavige geschil heeft verzocht om alleen overdag te worden ingedeeld, hetgeen tot de e-mail van 18 augustus 2017 van zijn werkgever heeft geleid dat daarin bewilligd kan worden zolang de catcracker plat ligt (productie 3 [gedaagde]). Een en ander leidt tot de conclusie dat tijdens het huwelijk van partijen [eiseres] de hoofdverzorger en

-opvoeder was. Weliswaar was [gedaagde] waar hij kon ook betrokken bij de verzorging en opvoeding, zo is uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken, maar was hij daarin beperkt door zijn werk in ploegendiensten.

4.5.

Indicaties dat [eiseres] deze taken na haar vertrek naar Aruba zal gaan verwaarlozen in verband met het volgen van de opleiding zijn er niet. Uit het door [eiseres] overgelegde schema (productie 3) blijkt dat de studie is ingedeeld in blokken van twee à drie weken van drie à vier middagen colleges met daartussen telkens perioden van een à twee weken zelfstudie. Het betoog van [gedaagde] dat elke middag met colleges gevuld zal zijn, faalt.

4.6.

Verder heeft [eiseres] ter zitting stukken overgelegd met betrekking tot de plaatsing van beide kinderen op de kinderopvang en voor het oudste kind de aanmelding voor de basisschool. Zij heeft voorts betoogd dat haar werkgever heeft toegezegd plaatsing voor het oudste kind te regelen. Ook heeft [eiseres] haar woning in Aruba beschreven en gesteld dat deze veilig en geschikt is voor haar en de kinderen, en dat deze is gelegen in een klein ommuurd resort, hetgeen steun vindt in de ter zitting getoonde foto’s.

4.7.

Het voorgaande brengt het Gerecht tot de conclusie dat [eiseres] de verhuizing naar Aruba met de kinderen deugdelijk heeft doordacht en voorbereid. Daarnaast is gebleken dat [eiseres] een omgangsregeling via digitale middelen heeft voorgesteld en dat zij redelijke voorstellen heeft gedaan om kosten ten behoeve van de omgang tussen [gedaagde] en de kinderen op Aruba te vergoeden. Nu tussen partijen vast staat dat zij goed met elkaar kunnen communiceren, moet erop worden vertrouwd dat zij in staat zijn tot afspraken te komen inzake een deugdelijke omgangsregeling en de nadelen van de grotere afstand tussen [gedaagde] en de kinderen zo veel mogelijk te verzachten.

4.8.

Al met al oordeelt het Gerecht, mede in aanmerking genomen hun jonge leeftijd (zes en drie jaar oud), dat de verhuizing naar Aruba ook in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt, terwijl aan de belangen van [gedaagde] bij omgang met zijn kinderen zo goed mogelijk wordt tegemoet gekomen. De vervangende toestemming voor verhuizing naar Aruba zal derhalve worden verleend.

wijziging hoofdverblijfplaats

4.9.

Nu er toestemming tot verhuizing zal worden verleend, zal het Gerecht ook dit verzoek toewijzen.

4.10

In de omstandigheid dat partijen ex-echtelieden zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- verleent [eiseres] vervangende toestemming om met de minderjarige kinderen [kind 1] (Curaçao, [geboortedatum]) en [kind 2] (Curaçao, [geboortedatum]) naar Aruba te verhuizen;

- bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij [eiseres];

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. van der Bunt, rechter in het Gerecht in eerste aanleg Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017