Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:260

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
E 81576 en 80942 van 2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Alimentatie gezag omgang incident

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Curaçao,

verzoekster in de zaak 81576 en verweerster in de zaak 80942,

hierna te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski,

tegen

[verweerder],

wonende te Curaçao,

verzoeker in de zaak 80942 en verweerder in de zaak 81576,

hierna te noemen: de man,

gemachtigden: mr. M.N. Meyer.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 14 maart 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en een bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap gegeven, met verwijzing van de zaak naar de rol van 21 maart 2017 voor akte uitlating regeling nevenvoorzieningen. Op de rol van 21 maart 2017 hebben partijen te kennen gegeven geen regeling te hebben bereikt en nadere behandeling verzocht. De vrouw heeft daarnaast een “incidentele conclusie tot overlegging van bescheiden ex. art. 141 en 142 Rv” genomen. Vervolgens is de zaak naar de rol van 18 april 2017 verwezen voor akte financiële gegevens zijdens partijen en antwoordakte “in het incident” zijdens de man, welke door partijen op die datum zijn genomen.

1.2.

De behandeling van de zaak is op de raadkamerzitting van 12 mei 2017 voortgezet. Beide partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door haar gemachtigde en mr. Henriquez, de man bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. Lekkerkerker.

1.3.

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 De verzoeken

2.1.

In “het incident” heeft de vrouw, samengevat, verzocht:

  • -

    de man te bevelen bescheiden en/of gegevensdragers over te leggen inhoudend of blijk gevend van bankafschriften en/of uitdraaien van saldi en mutaties, van 1 januari 2015 tot en met heden, van alle bankrekeningen of andersoortige diensten of tegoeden die de man ten name van zichzelf of partijen houdt en in die periode heeft gehouden bij welke bank of instelling dan ook;

  • -

    de man te bevelen zijn aangiftes inkomstenbelasting 2015 en 2016 over te leggen;

  • -

    de man te bevelen zijn salarisslips over de afgelopen twaalf maanden over te leggen;

  • -

    N.V. Medical Laboratory Services te bevelen bescheiden en/of gegevensdragers over te leggen inhoudende of blijk gevend van:

I. alle sedert 1 april 2015 aan of ten behoeve van de man verrichte betalingen;

II. de grondslagen waarop deze betalingen hebben plaatsgevonden, zoals overeenkomsten.

2.2.

In de inhoudelijke zaak heeft de vrouw verzocht:

  • -

    haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling van kinderalimentatie van in totaal NAf 11.000,- per maand;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling van partneralimentatie van NAf 5.000,- per maand.

2.3.

De man heeft, na wijziging van zijn verzoek, verzocht:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen;

  • -

    een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, zoals deze gold tot half augustus 2016;

  • -

    de door hem te betalen kinderalimentatie te bepalen op totaal NAf 7.000,- per maand;

  • -

    de partneralimentatie op nihil te stellen;

  • -

    de vrouw te bevelen de teveel ontvangen partneralimentatie terug te betalen.

3 De beoordeling

“Het incident tot” overlegging van bescheiden

3.1.

De vrouw stelt dat zij belang heeft bij de overlegging van de gevraagde stukken nu de man onvoldoende inzicht geeft in zijn maandelijkse inkomsten naast de netto-inkomsten uit zijn dienstbetrekking met N.V. Medical Laboratory Services te Curaçao. De man zou meerdere inkomsten hebben uit andere bronnen, zoals werkzaamheden op Bonaire en Aruba.

3.2.

De man stelt dat zijn draagkracht voldoende duidelijk is om alimentatiebijdragen vast te stellen. De man concludeert dat de vrouw geen belang heeft tot overlegging van bescheiden en er geen grond daarvoor is op grond van artikel 141 lid 2 Rv.

3.3.

Allereerst merkt het Gerecht op dat van een incident in eigenlijke zin, dat is in de zin van de artikelen 178 tot en met 181 Rv, geen sprake is, nu deze bepalingen niet van toepassing zijn op de onderhavige echtscheidingsprocedure (zie art. 429j lid 1 Rv).

3.4.

De artikelen 141 en 142 Rv zijn echter wel van toepassing op de onderhavige procedure. Omdat dit verzoek alleen betrekking heeft op de financiële nevenbeslissingen, zal het Gerecht dit behandelen bij de verzoeken om kinder- en partneralimentatie.

Gezag en omgang

3.5.

De vrouw stelt dat de man aan psychische stoornis lijdt en dat hij meerdere malen geprobeerd heeft om zichzelf van het leven te beroven en daarom niet in staat is om voor de kinderen te zorgen. Voorts stelt de vrouw dat de minderjarige [kind 1] aan autisme lijdt en dat hij naast professionele zorg ook bijzondere eigen zorg nodig heeft. Tevens voert zij aan dat de man en de vrouw niet in staat zijn op een behoorlijke wijze met elkaar te communiceren, zodat ze niet gezamenlijk tot een beslissing kunnen komen ten aanzien van de minderjarige kinderen.

3.6.

De man betwist dat hij nu nog aan psychische problemen lijdt en geeft aan dat hij zijn kinderen kan verzorgen. Dat man geeft aan dat hij een depressie had en dat het van tijdelijke aard was. De man verzoekt om het gezamenlijk ouderlijke gezag te handhaven, met bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man voert aan dat hij de kinderen sinds augustus 2016 niet heeft gezien omdat de vrouw sindsdien geen omgang tussen hem en de kinderen meer toestaat. De man heeft het Gerecht verzocht een omgangsregeling vast te stellen conform de omgang zoals die tot half augustus 2016 verliep, aldus: weekend 1: [kind 1] bij de man en [kind 2] en [kind 3] bij de vrouw; weekend 2: [kind 2] en [kind 3] bij de man, [kind 1] bij de vrouw; weekend 3: alle drie de kinderen bij de man; weekend 4: alle drie de kinderen bij de vrouw; plus elke week vier doordeweekse middagen die [kind 1] bij de man doorbrengt.

3.7.

Het wettelijk systeem op het punt van gezag houdt in dat in beginsel de ouders na scheiding het gezamenlijk gezag blijven uitoefenen, maar dat de rechter op verzoek van de ouders of één van hen kan bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt indien hij wijziging van het gezag in het belang van het kind wenselijk oordeelt (zie artikel 1:251 lid 2 jo. artikel 1:251a lid 1 BW).

3.8.

Uit de stukken, met name de verklaring van de psychiater die de man heeft behandeld, dr. C.A. de Vries, en de mondelinge behandeling is het Gerecht niet gebleken dat de man thans nog lijdt aan psychische stoornis die aan de weg zou staan aan het nemen van gezagsbeslissingen. Aan de overige verklaringen wordt nauwelijks waarde gehecht nu over iedere willekeurige persoon positieve en negatieve verklaringen zijn in te winnen, van zowel deskundigen als niet-deskundigen, afhankelijk aan wie dat wordt gevraagd en wat wordt gevraagd. Ook is niet gebleken dat de gestelde moeilijke omgang tussen de man en de aan ernstige gedragsproblemen lijdende zoon [kind 1] het nemen van enige gezagsbeslissing heeft bemoeilijkt of onmogelijk heeft gemaakt, terwijl uit de stukken en de behandeling is gebleken dat in de tussentijd meerdere gezagsbeslissingen zijn genomen omtrent de intensieve behandeling en begeleiding van genoemde zoon [kind 1]. Tenslotte is duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen verstoord is, niet in de laatste plaats doordat partijen in een lelijke vechtscheiding verwikkeld zijn geraakt. Echter is niet gebleken dat de slechte verstandhouding en verstoorde communicatie tussen partijen ooit in de weg heeft gestaan aan het gezamenlijk nemen van gezagsbeslissingen. Al met al ziet het Gerecht geen indicaties om van de hoofdregel af te wijken en luidt het oordeel dat niet is gebleken dat wijziging van gezamenlijk gezag in éénhoofdig gezag in het belang van de kinderen wenselijk is.

3.9.

Het verzoek van de vrouw om eenhoofdig gezag zal dus worden afgewezen.

3.10.

Over het bepalen van de hoofverblijfplaats van de kinderen zijn partijen het eens, te weten dat die bij de vrouw moet zijn. Aldus zal worden beslist.

3.11.

Alvorens enige beslissing te nemen ten aanzien van de omgang zal het Gerecht bepalen dat een onderzoek door de Voogdijraad wordt gelast naar de mogelijkheden daarvan. De Voogdijraad zal rapporteren op de hierna te bepalen datum. Iedere verdere beslissing ten aanzien van een omgangsregeling zal worden aangehouden.

Kinderalimentatie

3.12.

De vrouw stelt dat de man voldoende draagkracht heeft om in de alimentatiebehoefte van de kinderen te voorzien. De man heeft een goede inkomstenpositie, nu hij arts/ microbioloog is en een vast inkomen van NAf 20.000,- per maand verdient. Daarnaast verricht de man ook werkzaamheden op Bonaire. In de inkomsten van Bonaire heeft de man niet voldoende inzicht gegeven maar gezien de aflossingen die de man betaalt aan leningen stelt de vrouw dat het voldoende aannemelijk is dat de man niet alleen een inkomen van NAf 20.000,- heeft, maar hoger. Voorts geeft de vrouw te kennen dat partijen staande het huwelijk een zeer hoge levenstandaard hadden die hoofdzakelijk uit de inkomsten van de man werd bekostigd. Tevens heeft de vrouw naar voren gebracht dat de man eerder in het convenant NAf 10.000,- had begroot voor kinderalimentatie. De vrouw stelt dat de uitgaven van de kinderen, zoals weergeven in het verzoekschrift, ook daadwerkelijk door de man werden betaald.

3.13.

De man stelt dat de verzochte kinderalimentatie van NAf 11.000,- exorbitant hoog is en verzoekt om de kinderalimentatie op NAf 7.000,- te stellen. Dit bedrag is gebaseerd op de kosten van opvoeding en verzorging die tijdens het huwelijk van partijen werden gemaakt en door de man werden betaald. De man geeft aan dat als er een omgangsregeling vastgesteld wordt, hij op deze manier de extreem hoge kosten van de opvang kan verlagen. Met betrekking tot het convenant stelt de man dat het beroep daarop misbruik van omstandigheden oplevert nu de man bij het opstellen daarvan niet in optimale geestelijke gesteldheid verkeerde. Verwezen wordt naar de verklaring van zijn psychiater, dr. C.A. de Vries, waaruit blijkt dat de man in die periode een depressieve stoornis had.

3.14.

Het Gerecht overweegt als volgt. Uitgangspunt bij de beoordeling van een alimentatieverzoek is dat de man en de vrouw naar verhouding van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de kinderen (de behoefte). Voor wat betreft de bepaling van de behoefte zijn de verscheidene posten die ten grondslag liggen aan de verzochte bedragen – NAf 7.000-, per maand voor [kind 1] en NAf 2.000,- per kind per maand voor de twee andere kinderen – niet allemaal deugdelijk onderbouwd. Verder zijn de posten erg hoog en lijkt het erop dat meerdere, bijvoorbeeld die voor opvang en oppas, naar beneden bijgesteld kunnen worden. Ook is niet gemotiveerd betwist de stelling van de man dat tijdens het huwelijk NAf 7.000,- volstond om in de behoefte van alle kinderen te voorzien, een bedrag dat het Gerecht nog steeds hoog maar realistischer dan NAf 11.000,-voorkomt. Enerzijds rekening houdend met het feit dat de kinderen in een zekere mate van welstand hebben geleefd en anderzijds rekening houdend met redelijke kosten van kinderen van thans bijna elf, acht en vier jaar oud, schat het Gerecht de behoefte op NAf 1.500,- per kind per maand en NAf 2.500,- per maand extra in verband met de bijzondere begeleidings- en opvangkosten voor [kind 1]. Nu de man bereid is met NAf 7.000,- (de som van genoemde bedragen) bij te dragen, hoeft niet rekening gehouden te worden met een eventuele bijdrage van de vrouw.

3.15.

De bijdrage van de man zal dus op NAf 4.000,- per maand voor [kind 1] en op NAf 1.500,- per kind per maand voor [kind 2] en [kind 3] worden bepaald.

Partneralimentatie

3.16.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen haar NAf 5.000,- per maand te betalen in verband met haar kosten van levensonderhoud. De vrouw legt daaraan ten grondslag de hoge inkomsten van de man, de behoefte van de vrouw en de levenstandaard die partijen tijdens het huwelijk hadden, en de omstandigheid dat de man na het separaat gaan wonen van partijen ook bereid was partneralimentatie te betalen.

3.17.

De man verzoekt om de partneralimentatie op nihil te stellen omdat de vrouw een nieuwe partner heeft en hij dan niet gehouden is om partneralimentatie te betalen. Voorts voert de man aan dat de vrouw een eigen mondhygiëne-praktijk heeft en in staat is om zelf inkomsten te genereren.

3.18.

Naar aanleiding van het meest verstrekkende verweer overweegt het Gerecht dat de gestelde duurzame samenleving van de vrouw met haar nieuwe vriend uitgebreid met producties is onderbouwd en vervolgens ook door de vrouw is erkend, maar daarna door de vrouw te kennen is gegeven dat die relatie recentelijk weer tot een einde is gekomen. Dat laatste is op geen enkele wijze onderbouwd, om welke reden het Gerecht er van uit zal gaan dat de vrouw ingevolge artikel 1:160 BW geen recht op partneralimentatie heeft.

3.19.

Ook indien dat niet het geval zou zijn, is onvoldoende gesteld en gebleken dat de vrouw niet voldoende inkomsten tot haar levensonderhoud heeft noch zich die in redelijkheid kan verwerven. Zij heeft immers een vennootschap die een mondhygiëne-praktijk uitbaat en die maandelijks rekeningen van NAf 1.786,- tot 2.606,- uitschrijft. Hierbij wordt overwogen dat voor de bepaling van de welstand tijdens het huwelijk niet van belang dat de man (minstens, volgens de vrouw) NAf 20.000,- netto per maand verdient. Tussen partijen staat immers vast dat de man in Nederland zo’n € 6.500,- a € 7.000,- netto per maand verdiende en de man dus met zijn werk op Curaçao een substantiële inkomensstijging heeft doorgemaakt, terwijl partijen op Curaçao nooit hebben samengewoond. Tenslotte wordt overwogen dat de omstandigheid dat de man bereid was (substantiële) bijdragen te betalen nadat partijen al niet meer samen woonden, niet ter zake doet. Toen waren partijen namelijk nog gehuwd; thans zijn zij gescheiden.

3.20.

Het verzoek van de vrouw om partneralimentatie zal dus worden afgewezen.

Overlegging van bescheiden

3.21.

Nu uit het vorenoverwogene volgt dat de man bereid en in staat is om in de behoefte van de kinderen te voorzien en de vrouw geen recht heeft op partneralimentatie, wordt geoordeeld dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd en zal het verzoek worden afgewezen.

3.22.

Gelet op de aard van het geschil en de hoedanigheid van partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het Gerecht:

wijst af het verzoek van de vrouw tot overlegging van bescheiden

wijst af het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag, en verstaat dat partijen gezamenlijk belast blijven met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen;

bepaalt dat de minderjarige kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;

gelast de Voogdijraad een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van omgang tussen de man en de minderjarige kinderen, aansluitend daarop te rapporteren ter raadkamerzitting van dinsdag 17 oktober 2017 om 08:30 uur;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen op NAf 4.000,- per maand voor [kind 1] en op NAf 1.500,- per kind per maand voor [kind 2] en [kind 3], ingaande 1 september 2017, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. van der Bunt, rechter in voormeld Gerecht en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2017.