Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:259

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
AR 80957/2016 niet ontvankelijkheid
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie inzake luchtkwaliteit Curaçao, ontvankelijkheid, met voldoende rechtswaarborgen omklede rechtsgang bij bestuursrechter, gelijksoortige belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in het incident tot niet ontvankelijkheid van

(1) De stichting Foundation Clean Air Everywhere,

(2) [eiser sub 2],

(3) [eiseres sub 3],

(4) [eiser sub 4],

(5) [eiseres sub 5],

(6) [eiser sub 5],

(7) [eiseres sub 7],

(8) [eiser sub 8],

(9) [eiser sub 9],

(10) [eiser sub 10],

(11) [eiser sub 11],

(12) [eiseres sub 12],

(13) [eiseres sub 13],

(14) [eiseres sub 14],

15) [eiser sub 15],

(16) [eiser sub 16],

(17) [eiser sub 17],

(18) [eiseres sub 18],

(19) [eiseres sub 19],

(20) [eiser sub 20],

(21) [eiseres sub 21],

(22) [eiseres sub 22],

(23) [eiseres sub 23],

(24) [eiseres sub 24],

(25) [eiser sub 25],

(26) [eiseres sub 26],

(27) [eiseres sub 27],

(28) [eiser sub 28],

(29) [eiseres sub 29],

(30) [eiseres sub 30],

verweerders in het incident, eisers in de hoofdzaak,

gemachtigden: mrs. S.A. in 't Veld en P.E.A.LM. van de Laarschot,

tegen

de openbare rechtspersoon het LAND CURACAO

eiser in het incident, gedaagde in de hoofdzaak,

gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en E. Kleist

Eisers in de hoofdzaak worden aangeduid als CAE c.s. Eiser onder 1 wordt ook afzonderlijk aangeduid als CAE. Gedaagde in de hoofdzaak aangeduid als het Land.

1

Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident

1.1 Het inleidende verzoekschrift is ingediend op 11 november 2016.

Op 10 april 2017 heeft het Land een incidentele conclusie genomen strekkende tot niet ontvankelijkheid van CAE c.s. en CAE afzonderlijk.

Het Land heeft gelijktijdig geconcludeerd van antwoord in de hoofdzaak.

Op 8 mei 2017 hebben CAE c.s. en CAE geantwoord in het incident.

1.2 Daarop is de zaak naar de rol verwezen voor vonnis in het incident dat nader is bepaald op heden.

2

De vorderingen van CAE c.s. in de hoofdzaak luiden

2.1

Primair

( i) voor zover vereist op de voet van artikel 3:305 a BW, voor recht te verklaren dat het Land Curaçao onrechtmatig jegens Eisers handelt door, zowel voor wat betreft de in het lichaam van dit verzoekschrift genoemde en aangehaalde wet- en regelgeving, alsook voorschriften van de Hindervergunningen inzake de bescherming en verbetering van het leefmilieu en de volksgezondheid, als voor wat betreft de uitvoering en de handhaving van deze wet- en regelgeving en voorschriften van de Hindervergunningen, niet te voldoen aan de in het lichaam van dit verzoekschrift genoemde en aangehaalde dienaangaande geldende internationale normen, ter bescherming van de fundamentele rechten van de mens zoals vastgelegd in onder meer het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, op basis waarvan de Overheid verder is verplicht tot het geven van tijdige en adequate voorlichting aan Eisers en andere ingezetenen van Curaçao, tot het wegnemen van reeds geleden schade, en tot het nemen van alle benodigde maatregelen om haar burgers te beschermen tegen milieu(lucht)vervuiling, in het bijzonder op grond van het recht op leven, het recht op woongenot, het recht op lichamelijke en geestelijke integriteit en het recht adequaat te worden geïnformeerd over gevaren en risico's;

(ii) het Land Curaçao op te dragen om binnen 2 (twee) maanden na toezending van de uitspraak in deze, de hoeveelheid zwaveldioxide (SO,) en PM (fijnstof) gemeten door het meetstation te Beth Chaim zodanig te (doen) beperken dat wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen gehanteerd door de WHO als vermeld in productie 7F;

(iii) het Land Curaçao te bevelen alle inwoners van Curaçao zo spoedig mogelijk, doch

uiterlijk binnen 1 (een) maand na toezending van de uitspraak in dezen, getrouw en adequaat te informeren middels een paginagrote advertentie in de dagbladen Extra, NOBO, La Prensa, en Amigoe en Antilliaans Dagblad, en tevens als persbericht naar NTR/Caribisch netwerk, weergegeven in respectievelijk Papiaments en Nederlands, over de gevaren en risico's die de milieuvervuiling in het algemeen en in het bijzonder de door het meetstation te Beth Chaim gemeten en door de GGD Amsterdam gevalideerde S02 en TSP met zich meebrengt, waarvan de voorlichtingstekst in samenspraak met Eisers tot stand wordt gebracht, óók wanneer reeds aan het voorgaande onder (ii) is voldaan omdat ook milieu(lucht)vervuiling uit het verleden reeds blijvende (gezondheids)schade kan hebben aangericht.

het bepaalde onder (ii) en (iii) aan te vangen en daarvan genoegzaam bewijs aan Eisers over te leggen, binnen 2 (twee) weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan Gedaagde op straffe van verbeurte van een dwangsom van ANG. 100.000,-- voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag dat zij met de nakoming van dit bevel- geheel of gedeeltelijk- in gebreke blijft, althans een dwangsom door Uw Gerecht in goede justitie vast te stellen;

en

( v) Voor zover vereist op de voet van artikel 3:305a BW, voor recht te verklaren dat het Land Curaçao aansprakelijk is voor alle schade die Eisers hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen door het Land Curaçao ten aanzien van de milieu(lucht)vervuiling op Curaçao, als omschreven in randnummer i van deze vordering.

(vi) het Land Curaçao te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand en de verschuldigde griffierechten, onder bepaling dat; indien de kosten van het geding niet binnen tien dagen na de dag waarop het vonnis aan Gedaagde is betekend, zijn voldaan, daarover vanaf de tiende dag de wettelijke rente verschuldigd is.

Subsidiair:

(ii) Een zodanig vonnis te wijzen als het Gerecht in goede justitie zal vermenen te behoren;

en:

(iii) het Land Curaçao te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand en de verschuldigde griffierechten, onder bepaling dat, indien de kosten van het geding niet binnen tien dagen na de dag waarop het vonnis aan Gedaagde is betekend, zijn voldaan, daarover vanaf de tiende dag de wettelijke rente verschuldigd is.

2.2 Het Gerecht heeft de door CAE c.s. aangegeven rubricering van de vordering gevolgd en constateert daarbij dat een vordering onder (iv) primair ontbreekt evenals een vordering onder (i) subsidiair.

2.3 Het Land concludeert in de hoofdzaak tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van CAE c.s. in de proceskosten.

3

De vorderingen in het incident

3.1 Het Land vordert, onder erkenning dat het Gerecht als burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van CAE c.s., om dezen in die vorderingen niet te ontvangen.

Daartoe voert het Land in de eerste plaats aan dat, gelet op de aard van de tegen het Land als overheid gerichte vorderingen van CAE c.s. en de juiste taakverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter, de zaak door de bestuursrechter beoordeeld dient te worden. Dit is alleen dan anders, aldus het Land, als CAE c.s. geen mogelijkheid hebben of hebben gehad om de zaak aan de bestuursrechter voor te leggen of als de rechtsgang voor de bestuursrechter niet met voldoende waarborgen is omkleed.

Vervolgens voert het Land aan dat de stichting CAE niet ontvankelijk is omdat zij niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW aan een collectieve actie te stellen eisen.

3.2 CAE c.s. en CAE hebben verweer gevoerd tegen de incidentele vorderingen van het Land en daarbij gewezen op aard en grondslag van de door hen in de hoofdzaak ingediende vorderingen.

4

De beoordeling in het incident

4.1 Aan het Land kan worden toegegeven dat de zorg voor een goed leefmilieu primair een bestuurlijke aangelegenheid is. Dit betekent echter niet zonder meer, zoals het Land ook heeft aangegeven, dat geschillen over de handhaving van een goed leefmilieu ook bij uitsluiting door de bestuursrechter berecht moeten worden. Dat is alleen dan het geval als voor de eiser een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft open gestaan die voldoende rechtsbescherming biedt. Dat is bij de vorderingen zoals door CAE c.s. geformuleerd, niet het geval. Daartoe dient het volgende.

4.2 De vorderingen zoals onder (i), (ii), (iii) en (v) aan het Gerecht voorgelegd komen kort gezegd op het volgende neer:

a. een verklaring voor recht dat het Land onrechtmatig handelt door met betrekking tot de handhaving van het milieu niet te voldoen aan voorschriften van nationale regelgeving en voorschriften welke gebaseerd zijn op internationale normen en fundamentele mensenrechten,

b. een bevel aan het Land om maatregelen te nemen die aan deze onrechtmatige toestand een eind maken,

c. een bevel aan het Land om de inwoners van Curaçao adequaat voor te lichten over de gevaren verbonden aan milieuvervuiling,

d. een verklaring voor recht dat het Land aansprakelijk is voor alle schade die CAE c.s. en CAE lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van het Land, te weten het niet naleven van voorschriften met betrekking tot nationale en internationale regelgevingen.

4.3 De vorderingen hebben alle betrekking op de (gestelde) zorgplicht van het Land voor een schone leefomgeving en een goede luchtkwaliteit en zien niet specifiek en uitsluitend op één of enkele (beweerdelijke) vervuilers. De vordering heeft dus een brede en algemene strekking. Niet gebleken is dat deze problematiek van algemene aard voorwerp van rechterlijke toetsing gemaakt kunnen worden door het verantwoordelijke overheidsorgaan te verzoeken vergunningen aan te passen en/of handhavend op te treden ten aanzien van de betrokken vergunninghouders, en vervolgens eventueel tegen (het achterwege blijven van) een besluit van het overheidsorgaan in beroep te gaan bij de bestuursrechter. Dergelijke acties zullen uit de aard van de zaak betrekking hebben op de specifieke situaties die dan voorliggen. Een dergelijk specifiek kader kan niet geacht worden materieel tot hetzelfde resultaat te leiden als waartoe de vorderingen in de onderhavige zaak (bij toewijzing) kunnen leiden.

4.4 In aanvulling daarop heeft te gelden dat aan de vorderingen het standpunt ten grondslag ligt dat de normen gebaseerd op het huidige kader van wet- en regelgeving op het terrein van luchtkwaliteit gedateerd en achterhaald zijn en dat het Land onrechtmatig handelt door niettemin van dat kader uit te gaan. Ook schuilt volgens CAE c.s. de onrechtmatigheid van het handelen van het Land in de omstandigheid dat hij met betrekking tot de verbetering van de luchtkwaliteit al gedurende lange tijd niet in actie komt en evenmin zorgdraagt voor een deugdelijke (eigen) organisatie die beschikt over de middelen en de bevoegdheden om op dit punt in actie te komen. Op (de consequenties van) die standpunten zijn de vorderingen in de hoofdzaak gebaseerd. Ook hiervoor geldt dat niet valt in te zien dat voor het aan de orde stellen van deze kwestie een met voldoende rechtswaarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.

4.5 Ten slotte wijst het Gerecht erop dat de vorderingen als weergegeven in rechtsoverweging 4.2 onder b en c betrekking hebben op (gestelde) verplichtingen van het land om in algemene zin maatregelen te nemen ter verbetering van de luchtkwaliteit en de bevolking van Curaçao over een en ander te informeren. Deze vorderingen lenen zich evenmin voor beoordeling door de bestuursrechter.

4.6 De slotsom van het vorenstaande is dat CAE c.s. in zoverre kunnen worden ontvangen in hun vorderingen.

4.7 Het Land heeft los van het vorenstaande het standpunt ingenomen dat CAE zelf in haar vorderingen niet ontvankelijk is omdat niet voldaan is aan de eisen die artikel 3:305a BW stelt aan het voeren van een collectieve actie.

Daartoe heeft het Land aangevoerd:

dat CAE onvoldoende getracht heeft het gevorderde te bereiken door het voeren van overleg met het Land;

dat de personen wier belangen zij stelt te behartigen zelf toegang tot de bestuursrechter hebben;

dat er geen sprake is van gelijksoortige belangen;

dat de belangen die CAE in de onderhavige procedure stelt te behartigen, niet zijn neergelegd in haar statuten.

Overleg met het Land

4.8 CAE heeft in punt 1. onder (2) van het inleidende verzoekschrift gesteld dat er reeds decennialang bestuursrechtelijk en civielrechtelijk wordt geprocedeerd over de gevolgen van de overmatige luchtvervuiling op Curaçao, maar tevergeefs. De juistheid van deze stelling is algemeen bekend en het Land heeft dit dan ook niet weersproken. Gelet hierop had het Land moeten toelichten welk belang met overleg zou zijn gediend. Immers, als rechtsgedingen geen soelaas brengen, kan zonder nadere toelichting die is uitgebleven niet worden verwacht dat overleg wel tot resultaat zou kunnen leiden. Aan het Land komt dus geen beroep toe op het, overigens gemotiveerd door CAE weersproken, ontbreken van overleg. Terzijde wordt opgemerkt dat het Land niet gesteld heeft dat door hemzelf op overleg is aangestuurd.

De overige eisers hebben zelf toegang tot de bestuursrechter

4.9 Deze bewering is onjuist. Anders dan in het door het Land aangehaalde geval dat aan de orde was in HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296 doet zich hier niet de situatie voor dat de eisers onder 2 t/m 30 hetzelfde resultaat kunnen bereiken via (individuele) procedures bij de bestuursrechter.

Gelijksoortige belangen

4.11 Het Land heeft gesteld dat geen sprake is van gelijksoortige belangen in de zin van artikel 3:305a BW. Dit is toegelicht door erop te wijzen dat uit de stellingen van CAE blijkt dat zij optreedt ten behoeve van vijf categorieën belanghebbenden, te weten: inwoners van Curaçao wonend in het gebied benedenwinds van het industriegebied rond het Schottegat en bezoekers van dat gebied; inwoners van Curaçao elders wonend en bezoekers van dat gebied; ten slotte personen die Curaçao bezoeken, elders dan benedenwinds van het industriegebied rond het Schottegat. Het Land werkt zijn stelling verder uit door erop te wijzen dat CAE niet heeft gesteld dat alle vijf categorieën belanghebbenden hinder hebben ondervonden en/of schade hebben geleden. Hieraan verbindt het Land de conclusie dat die vijf categorieën dus niet dezelfde belangen hebben.

4.12 Het aldus begrepen betoog van het Land wordt verworpen. Ook als juist is dat niet alle personen in alle door het Land onderscheiden categorieën de door CAE c.s. bedoelde hinder ervaren, dan nog staat dat niet aan ontvankelijkheid van CAE in de weg. Dat laat immers onverlet dat de belangen ter bescherming waarvan de vordering strekt zich naar hun aard lenen voor bundeling, met het oog op een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Dat is voldoende voor ontvankelijkheid op de voet van artikel 3:305a BW. De vorderingen die CAE (tezamen met de andere eisers) aan het oordeel van het Gerecht voorlegt zien overigens op (veel) meer dan alleen de vaststelling van schade en hinder en het Land heeft niet gesteld dat de overige vorderingen van CAE niet gelijkelijk gelden voor alle vijf categorieën. Van niet-ontvankelijkheid van CAE op deze door het Land aangewezen grond kan dan ook geen sprake zijn.

De door CAE nagestreefde belangen zijn niet neergelegd in de statuten van CAE

4.13 Het Land onderbouwt deze stelling met het volgende. De vorderingen (i) en (v) van CAE zijn gebaseerd op een door het Land gepleegde onrechtmatige daad die eruit bestaat dat het Land niet voldoet aan internationale normen op het gebied van luchtkwaliteit. Het doel van deze vorderingen is volgens het Land voorts “het recupereren” van schade die personen wier belangen CAE behartigt daardoor hebben geleden. Dit doel is echter niet vermeld in artikel 2 lid 1 van de statuten van CAE, aldus het Land.

4.14 Dit laatste is juist, maar niet juist is dat CAE in onderhavige procedure vergoeding nastreeft van schade geleden door personen wier belangen zij behartigt. Een daartoe strekkende eis is niet terug te vinden in de door CAE aan het gerecht voorgelegde vorderingen.

Het voorgaande komt niet anders te liggen doordat het de (kennelijke) bedoeling van CAE of van de overige eisers is om schadevorderingen in een latere procedure aan de orde te stellen op de grondslag van de in onderhavige procedure vast te stellen onrechtmatige daad van het Land. Het betoog van het Land is dus gebaseerd op onjuiste lezing van de betrokken vorderingen en kan daarom niet tot niet ontvankelijkheid van CAE leiden.

Voor het overige heeft te gelden dat de vorderingen zoals door CAE ingesteld in voldoende mate passen binnen (een redelijke uitleg van) haar statutaire doelomschrijving. CAE heeft voorts onbetwist gesteld dat zij reeds in de praktijk activiteiten ontplooit op dit terrein.

4.15 De slotsom van het vorenstaande is dat het beroep op niet ontvankelijkheid van CAE c.s. en van CAE afzonderlijk in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter moet worden verworpen. Ook ambtshalve acht het Gerecht evenmin een grond voor niet-ontvankelijkheid van CAE aanwezig.

4.16 Het Land dient als de in het ongelijk te stellen partij de aan de zijde van CAE c.s. en CAE gevallen kosten te vergoeden.

Omdat CAE c.s. en CAE door dezelfde gemachtigden worden vertegenwoordigd en in het incident één conclusie hebben genomen, zal volstaan worden met één kostenveroordeling.

Die kosten worden tot op heden geraamd op NAf 2.500,-- voor salaris van de gemachtigden van CAE c.s. en van CAE afzonderlijk.

4.17 Gelet op de heden gedane uitspraak in het door Refineria di Korsou N.V. en Curaçao Refinery Utilities B.V. aangespannen incident tot voeging, zal de hoofdzaak voor conclusie van repliek worden verwezen naar de rol van 5 februari 2018, zodat genoeg tijd resteert om genoemde derden gelegenheid te geven voor antwoord te concluderen en daarna de procedure tegen het Land en die tegen Refineria di Korsou N.V. en Curaçao Refinery Utilities B.V. gelijk zullen oplopen.

5

De beslissing

in het incident

5.1 Wijst de vorderingen van het Land tegen CAE c.s. en CAE af.

5.2 Veroordeelt het Land in de op dit incident aan de zijde van CAE c.s. en CAE gevallen kosten, begroot deze kosten op NAf 2.500,-- voor salaris gemachtigden en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de hoofdzaak

5.3 Verwijst de hoofdzaak naar de rolzitting van 5 februari 2018 voor conclusie van repliek zijdens de CAE c.s.

5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op de rol van 11 december 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.