Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:256

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
EJ81147 van 2016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

werkhervatting en ontbinding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigden: mrs. A.K.E. Henriquez en O.E. Kostrzewski,

tegen

de stichting Studiefinanciering Curaçao,

[verweerster sub 2],

gevestigd en kantoorhoudende c.q. wonende in Curaçao,

verweersters,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

Partijen worden hierna [verzoekster] en SSC en [verweerster sub 2] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[Verzoekster] heeft op 24 november 2016 een verzoekschrift ingediend. Op 9 januari 2017 hebben SSC en [verweerster sub 2] een verweerschrift met producties tevens inhoudende een zelfstandig tegenverzoek, ingediend ter griffie. Op 12 januari 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting heeft [verzoekster] een akte houdende wijziging van eis genomen. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. [Verzoekster] heeft daarbij een schriftelijke toelichting tevens verweerschrift op de zelfstandige vordering overgelegd en SSC en [verweerster sub 2] een pleitnota.

1.2.

Beschikking is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

[Verzoekster] is sinds 26 augustus 1992 in dienst van SSC, laatstelijk in de functie van Hoofd Documentatie en Informatievoorziening & Facilitaire zaken tegen een laatst genoten loon van NAf 8.037,-- bruto per maand.

2.3.

Op 21 januari 2015 heeft [verzoekster] een waarschuwing gekregen voor het niet volgen van de regels bij het verwerken van een aan (de directeur van) SSC gerichte brief van een klant van SSC. [Verzoekster] heeft getekend voor ontvangst en daarbij vermeld dat zij de inhoud van de brief niet erkende.

2.4.

In juni 2015 wordt door de Internal Audit (IAD) een rapport opgemaakt naar aanleiding van de controle die is uitgevoerd op het beheer van de voorraden van schoonmaak-, consumptie- en kantoorartikelen van SSC, welke taak onder de verantwoordelijkheid van [verzoekster] viel.

2.5.

Bij brief van 2 oktober 2015 is [verzoekster], in afwachting van de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met SSC, op non-actief gesteld met behoud van haar salaris. De brief vermeldt als reden voor het op non-actief stellen de uitslag van het Eindrapport Internal Audit.

2.6.

Bij beschikking van 1 maart 2016 heeft het Gerecht het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen en daarbij overwogen dat nu de arbeidsovereenkomst nog steeds van kracht is tussen partijen, [verzoekster] de toegang dient te krijgen tot haar werkplek om haar werkzaamheden in goede orde te kunnen hervatten.

2.7.

Op 12 oktober 2016 heeft SSC een verzoek om toestemming tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de Directeur SOAW nu de werkrelatie tussen partijen al meer dan een jaar ernstig verstoord is en de functie van Hoofd Div & Facilitaire Zaken per december 2015 is komen te vervallen wegens een reorganisatie binnen SSC.

2.8.

Bij beschikking van 16 december 2016 heeft de Directeur SOAW de gevraagde toestemming verleend onder de voorwaarde dat aan [verzoekster] naast haar wettelijke toekomende gelden een bovenwettelijke uitkering conform de kantonrechtersformule met een correctiefactor 2 wordt uitgekeerd. Daarbij is bepaald dat de geldigheidsduur voor de toestemming drie maanden bedraagt. SSC heeft van de toestemming geen gebruik gemaakt.

3 De vordering, het verweer, het tegenverzoek

3.1.

Na wijziging van haar eis verzoekt [verzoekster] het Gerecht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. SSC te veroordelen de gespaarde en niet genoten vakantiedagen van [verzoekster] over 2014, 2015, 2016 en 2017 aan [verzoekster] te betalen, berekend tot aan de datum van de beschikking van het Gerecht, althans tot aan een door het Gerecht aan te geven datum;

b. SSC te veroordelen tot het overleggen van alle salarisslips van [verzoekster] sedert december 2016 tot en met de dag dat de arbeidsrelatie rechtsgeldig zal zijn geëindigd, waaronder tevens begrepen de verzamelloonstaat of zogeheten belastingkaart of jaaropgaaf over 2016 en ieder daarop volgend jaar;

c. SSC te bevelen om [verzoekster] tot de werkvloer toe te laten en haar werkzaamheden te laten hervatten, per een door uw Gerecht te stellen datum en onder door uw Gerecht te stellen voorwaarden, althans subsidiair en wel slechts onder de voorwaarde dat uw Gerecht het zelfstandig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van SSC inwilligt, daarbij een ontbindingsvergoeding toe te kennen aan [verzoekster] op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor 3, althans met toekenning van een door uw Gerecht in goede justitie vast te stellen bedrag;

d. [Verweerster sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van ieder bedrag waartoe SSC zal worden veroordeeld aan [verzoekster] te betalen conform het onder “c” verzochte, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van uw beschikking tot aan de dag der algehele voldoening en onder de voorwaarde dat [verweerster sub 2] zich niet zal mogen verhalen op SSC, althans onder door het Gerecht te stellen voorwaarden;

e. SSC te veroordelen tot het betalen van de jubileum gratificatie van 2,5% van het laatstgenoten jaarsalaris van [verzoekster];

f. SSC te veroordelen tot betaling van de verschuldigde premies van de ziektekostenverzekering van [verzoekster] en haar gezisnleden tot en met de dag dat arbeidsrelatie rechtsgeldig zal eindigen, met bepaling dat SSC tijd de zorgpassen aan [verzoekster] dient te doen toekomen, zodat [verzoekster] steeds kan aantonen bij zorgverleners dat zij en haar gezinsleden verzekerd zijn;

g. SSC en [verweerster sub 2] te veroordelen in de kosten van het geding, ook ten aanzien van de reeds ingetrokken verzoeken, zoals het verzoek tot het overleggen van de salarisslips en jaaropgaven die thans wel zijn overgelegd, met de bepaling dat over de kostenveroordeling tevens wettelijke rente verschuldigd zal zijn, gerekend vanaf twee dagen na het moment dat SSC en [verweerster sub 2] gesommeerd worden vrijwillig te voldoen aan de in deze te geven beschikking.

3.2.

[Verzoekster] verwijst ter onderbouwing van de vordering tot werkhervatting naar de beschikking van 1 maart 2016 en stelt dat geen sprake is van de door SSC gestelde veranderingen van omstandigheden.

3.3.

SSC betwist het door [verzoekster] gestelde en gevorderde en vordert op haar beurt dat het Gerecht de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens gewichtige redenen in de zin van gewijzigde omstandigheden met onmiddellijke ingang zal ontbinden, zulks zonder toekenning van enige vergoeding aan [verzoekster], met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure.

3.4.

SSC stelt in dit kader dat sprake is van nieuwe en nader onderbouwde veranderingen in de omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst alsnog dient te worden ontbonden.

3.5.

Voor zover voor de te nemen beslissing van belang, zullen de stellingen van partijen hieronder worden besproken.

4 De beoordeling

4.1.

Ten overvloede overweegt het Gerecht allereerst dat in het door SSC gestelde geen aanleiding wordt gezien om het (primair) verzoek van [verzoekster] sub c op te vatten als een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Uitgegaan zal worden van een verzoek om toelating tot de werkvloer en hervatting van de werkzaamheden.

4.2.

Bij beschikking van 1 maart 2016 heeft het Gerecht geconcludeerd dat de door SSC gestelde omstandigheden geen veranderingen in omstandigheden opleveren welke van dien aard zijn dat de dienstbetrekking billijkheidshalve behoort te eindigen. De gevorderde beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] is afgewezen. Bepaald is daarbij dat nu de arbeidsovereenkomst nog steeds van kracht is tussen partijen, [verzoekster] de toegang tot haar werkplaats dient te verkrijgen om haar werkzaamheden in goede orde te kunnen hervatten.

4.3.

Vooropgesteld dient te worden dat nu bij de beschikking van 1 maart 2016 was bepaald dat geen gegronde redenen bestonden voor het gestelde verlies aan vertrouwen in [verzoekster] en voorts was bepaald dat [verzoekster] de toegang tot haar werkplaats diende te verkrijgen om haar werkzaamheden te hervatten, voor SSC, anders dan zij klaarblijkelijk meent, geen ruimte bestond om nog een beroep op een gebrek aan vertrouwen te doen.

4.4.

Niet betwist is dat SSC evenwel na de beschikking van 1 maart 2016 aan [verzoekster] te kennen heeft gegeven dat zij niet zou worden toegelaten tot haar werkplek wegens een gebrek aan vertrouwen. Partijen hebben daarop getracht tot een regeling te komen hetgeen niet is gelukt. SSC heeft daarop de Directeur SOAW om een ontslagvergunning gevraagd. [verzoekster] heeft het Gerecht verzocht om SSC te bevelen om haar toe te laten om het werk te hervatten. SSC heeft daarop, bij wijze van tegenverzoek, verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.5.

SSC heeft aangevoerd dat voormeld verzoek van [verzoekster] en het nieuwe ontbindingsverzoek van SSC, dienen te worden beoordeeld naar de gewijzigde omstandigheden van dit moment. Naar het Gerecht begrijpt is SSC van mening dat sprake is van nova die in de eerdere procedure niet aan de orde zijn geweest en die maken dat het verzoek om werkhervatting niet kan worden toegewezen en het verzoek om ontbinding wel. SSC stelt daartoe dat, anders dan in de eerdere ontbindingszaak, de aangevoerde redenen voor het ontvallen van het vertrouwen van SSC in [verzoekster] en het verstoord zijn van de arbeidsrelatie nu met nadere stukken die niet eerder zijn overgelegd, worden onderbouwd. Voorts voert SSC aan dat als gevolg van een reorganisatie binnen SSC, de functie van Hoofd DIV & Facilitaire Zaken, is komen te vervallen per december 2015. Er zijn geen andere werkzaamheden binnen SSC voor [verzoekster]. Dit vormt een nieuwe reden om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken. Ook de gebeurtenissen na de beschikking, waarbij [verzoekster] de onderhandelingen telkens vertraagde en bleef volharden in een onredelijk hoge beëindigingsvergoeding, getuigen van een zodanige verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen dat er geen vooruitzicht is op een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie.

4.6.

Vooropgesteld dient te worden dat ingevolge artikel 7A:1615w lid 8 BW generlei voorziening is toegelaten tegen een beschikking op een ontbindingsverzoek. Hieruit volgt dat, bij afwijzing van een dergelijk verzoek, bindend tussen partijen is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst op de aan dat verzoek ten grondslag gelegde feiten niet billijkheidshalve behoort te eindigen. Dit brengt derhalve mee dat een hernieuwd verzoek met de nodige terughoudendheid dient te worden beoordeeld teneinde te voorkomen dat het tweede ontbindingsverzoek in feite moet worden aangemerkt als een verkapt hoger beroep. In beginsel dient aan een dergelijk tweede verzoek de eis te worden gesteld dat sprake is van voor de beoordeling relevante nieuwe feiten die ten tijde van de behandeling van het eerdere verzoek niet aan de orde konden worden gesteld, omdat deze toen bij de verzoekende partij nog niet bekend waren noch in redelijkheid bekend hadden kunnen zijn.

4.7.

In deze procedure zal, gelet op het vorenstaande, het oordeel zoals vervat in de beschikking van 1 maart 2016, tot uitgangspunt worden genomen. Bij de beantwoording van de vraag of er gronden zijn om thans tot een ander oordeel te komen dan in de eerdere ontbindingsprocedure is gegeven, zullen uitsluitend nieuwe feiten, derhalve feiten die eerst na afloop van de behandeling van het eerdere ontbindingsverzoek zijn gebleken en konden blijken, meegenomen worden in de beoordeling. Geen plaats is derhalve voor een hernieuwde beoordeling van de [verzoekster] gemaakte verwijten, ook niet voor zover SSC haar standpunt dienaangaande thans nader heeft toegelicht en onderbouwd.

4.8.

Samengevat komen de door SSC aangevoerde feiten neer op het volgende: er is geen vertrouwen in [verzoekster], haar functie is vervallen en de arbeidsrelatie is verstoord geraakt door het handelen van [verzoekster] na de beschikking van 1 maart 2016.

4.9.

Ter onderbouwing van het eerste feit heeft SSC verwezen naar drie door [verzoekster] vanaf haar werkadres verstuurde e-mails die een privé karakter dragen. In zijn algemeenheid heeft te gelden, gelijk ook de SSC ter zitting heeft opgemerkt, dat iedereen wel eens een privé mail vanaf zijn werk e-mailadres verstuurt. Zeker nu niet is gebleken dat zulks verboden was voor de werknemers van SSC, kan [verzoekster] dit niet in redelijkheid worden tegengeworpen. Tot een verlies aan vertrouwen dat dient te leiden tot een einde van de arbeidsovereenkomst, kan op grond van deze mails niet worden geconcludeerd.

4.10.

SSC onderbouwt het verlies aan vertrouwen voorts door verwijzing naar niet eerder overgelegde mails van 18 en 19 september 2014 stellende dat [verzoekster] tijdens haar werk middels het e-mailadres van SSC contact onderhield met een ex-werknemer van SSC, mevrouw [naam 1]. Relevant in deze is dat geen sprake is van feiten die eerst na afloop van de behandeling van het eerdere ontbindingsverzoek zijn gebleken en konden blijken. Tot een ander oordeel dan neergelegd in de beschikking van 1 maart 2016 kan reeds op grond van het vorenstaande niet worden gekomen. Slechts ten overvloede overweegt het Gerecht dat uit de overgelegde mails niet is gebleken dat [verzoekster] aan [naam 1] gegevens heeft verschaft welke ten goede van SSC hadden dienen te komen. Uit de niet betwiste verklaring van [verzoekster] blijkt immers dat zij voor haar dochter een kamer zocht in Nederland en dat zij in dat kader contact kreeg met mevrouw [naam 2], die vroeg of zij nog andere mensen wist die kamers zochten. Daarop heeft [verzoekster] haar doorverwezen naar [naam 1]. Nu niet is gebleken dat SSC zich bezig houdt of hield met kamerverhuur in Nederland, valt niet in te zien dat deze informatie door [verzoekster] aan SSC had dienen te worden doorgegeven en niet aan [naam 1]. Gelijk hiervoor overwogen kan [verzoekster], nu niet is gebleken dat haar is bekend gemaakt dat zulks verboden was, voorts niet worden tegengeworpen dat zij haar werk e-mailadres gebruikte. Indien deze informatie beschikbaar was geweest in de eerste procedure, had zulks geen gegronde reden opgeleverd voor het gestelde verlies aan vertrouwen in [verzoekster].

4.11.

Het met betrekking tot de Internal Audit van juni 2015 gestelde betreft een herhaling van hetgeen in de beschikking van 1 maart 2016 is meegewogen en kan dan ook evenmin leiden tot een ander oordeel.

4.12.

Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [verzoekster] bij brief van 21 januari 2015 een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen. Ten overvloede overweegt het Gerecht dat uit de, niet eerder bekende, inhoud daarvan kan worden afgeleid dat op basis van aannames is geconcludeerd dat [verzoekster] de interne regels zeker twee maal heeft overtreden. Bij gebreke aan een voldoende onderbouwing van deze aannames, kan SSC evenwel niet in deze aannames worden gevolgd. Zonder nadere onderbouwing welke ontbreekt, kan evenmin worden volgehouden zoals vermeld in voormelde brief dat “de enige verklaring voor dit voorval is dat u deze brief met de stempel van de balies heeft ontvangen. Dat u in tegenstelling tot de bestaande procedures de brief niet heeft laten registreren in de ingekomen post registratiesysteem. Dat u vervolgens de brief aan [naam] heeft gegeven om in het studentendossier te scannen en dat u in tegenstelling tot de procedures de brief niet aan de directie heeft gegeven of laten bezorgen”. Voor het gestelde verlies aan vertrouwen zou dan ook in redelijkheid geen beroep hebben kunnen worden gedaan op de (inhoud van) deze waarschuwingsbrief.

4.13.

In de eerdere procedure is het gestelde gebrek aan respect voor het bestuur en van de negatieve invloed van [verzoekster] op haar afdeling reeds aan de orde geweest. Ook dit kan derhalve niet leiden tot een ander oordeel. Nieuw is de stelling dat [verzoekster] niet in staat is om haar afdeling te managen, nu zij met haar hele afdeling bij Arboconsult is beland. SSC heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen. [verzoekster] heeft deze stelling onderbouwd betwist. De door haar gegeven, en door SSC niet betwiste, verklaring voor de betrokkenheid van Arboconsult acht het Gerecht aannemelijk. Dit punt kan dan ook evenmin leiden tot het gestelde verlies aan vertrouwen in [verzoekster].

4.14.

Als nieuw feit stelt SSC voorts dat de functie van [verzoekster] per december 2015 is vervallen en dat er binnen SSC geen passend werk is voor [verzoekster]. SSC heeft nagelaten om deze, door [verzoekster] betwiste, stelling te onderbouwen. Gelet daarop en mede in aanmerking nemende dat deze omstandigheid reeds bekend was bij het eerste ontbindingsverzoek en het voor de hand had gelegen dat toen reeds een beroep daarop was gedaan, kan deze stelling niet leiden tot een ander oordeel. Ten overvloede wordt nog overwogen dat weliswaar aannemelijk is dat de invoering van een nieuw informatie- en registratiesysteem van invloed zal zijn op de inhoud van de functie Hoofd DIV & Facilitaire Zaken, maar dat een verval van de functie in zijn geheel, niet voor de hand ligt. Zonder nadere onderbouwing welke ontbreekt bestaat op grond daarvan geen aanleiding om tot veranderingen in omstandigheden te concluderen die dienen te leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.15.

Tot slot is als nieuw feit aangevoerd dat de verhoudingen na de beschikking verstoord zijn geraakt door de opstelling van [verzoekster], in die zin dat zij de onderhandelingen vertraagde en onredelijk hoge financiële eisen stelde. Als algemeen uitgangspunt kan worden gesteld dat, wanneer partijen in onderhandeling treden over een beëindiging van een arbeidsovereenkomst, van de zijde van de werknemer financiële voorwaarden worden gesteld om te komen tot instemming met een dergelijke voorgestelde beëindiging. Een werknemer zal dan, zeker met een rechterlijke uitspraak op zak waarbij een ontbinding van arbeidsovereenkomst is afgewezen, zijn huid duur proberen te verkopen. Nu een goed werkgever zulks dient te beseffen, kan op grond van een dergelijke opstelling van een werknemer in de onderhandelingen, niet in redelijkheid een beroep worden gedaan op verstoring van de verhoudingen. Weliswaar moet worden geconcludeerd dat partijen elkaar niet hebben kunnen vinden in de onderhandelingen maar zulks betekent nog niet dat daarna geen goede werkrelatie meer mogelijk is. Nu in deze niet is gebleken van feiten of omstandigheden die dienen te leiden tot een ander oordeel, bestaat geen aanleiding om op grond van het door SSC in dit kader gestelde de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

4.16.

Op grond van het vorenstaande concludeert het Gerecht dat geen sprake is van nieuwe feiten die maken dat, anders dan bepaald bij beschikking van 1 maart 2016, de arbeidsovereenkomst niet langer in stand kan blijven. De door SSC gevorderde ontbinding dient dan ook te worden afgewezen. Het vorenstaande betekent dat wordt toegekomen aan het verzoek van [verzoekster] om te bevelen haar toe te laten tot de werkvloer om haar werk te hervatten. De beantwoording van deze vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van 7A:1614y BW, waarin de algemene maatstaf is neergelegd van hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Die maatstaf brengt met zich dat de toewijsbaarheid van een vordering tot wedertewerkstelling met name afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval. Bij de waardering van deze gezichtspunten dient naar het oordeel van het Gerecht tot uitgangspunt te worden genomen dat, gelet op het in beginsel zwaarwegend te achten belang van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten, van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten, wanneer de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft die ten opzichte van het zwaarwegend belang van de werknemer voldoende zwaar weegt.

4.17.

Naar het oordeel van het Gerecht kan SSC, in aanmerking nemende al het hiervoor overwogene, niet in redelijkheid volhouden dat de wedertewerkstelling niet van haar kan worden gevergd. Er bestaan geen gegronde redenen voor het door SSC gestelde (en klaarblijkelijk gevoelde) verlies aan vertrouwen in [verzoekster]. SSC had [verzoekster] na de beschikking van 1 maart 2016 toe dienen te laten tot de werkvloer. Door [verzoekster], ondanks deze beschikking, eenvoudigweg mede te delen dat zij niet op het werk zou worden toegelaten en door niet eens een poging te wagen om weer samen te werken, heeft SSC zich niet gedragen als een goed werkgever. Het voorgaande geldt te meer nu sprake is van een overwegend vlekkeloos dienstverband van lange duur. Aan de zijde van SSC is dan ook geen redelijke grond die voldoende zwaar weegt om de wedertewerkstelling te weigeren. Gelet op het vorenstaande zal SSC worden bevolen om [verzoekster] weder te werk te stellen met ingang van 17 april 2017. Met het oog op het welslagen van de terugkeer van [verzoekster] zal daarbij als voorwaarde worden gesteld dat de terugkeer van [verzoekster] in de eerste twee maanden zal worden begeleid door een persoon of instelling die deskundig is op het gebied van communicatie en samenwerking tussen werknemers onderling en werknemers en bestuur, zulks op kosten van SSC.

4.18.

Nu het sub c vermelde primaire verzoek van [verzoekster] zal worden toegewezen, wordt niet toegekomen aan het sub c vermelde subsidiaire verzoek. Dit verzoek dient dan ook te worden afgewezen. Hetzelfde heeft te gelden voor het verzoek sub d. Ook bestaat, nu de arbeidsovereenkomst voortduurt, geen aanleiding het sub a gevorderde toe te wijzen.

4.19.

Het sub b gevorderde zal, nu afgifte van de salarisslips tot en met november 2016 eerst na instelling van deze procedure is geschied, voor zover nog nodig worden toegewezen.

4.20.

Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om de sub e gevorderde jubileumgratificatie te onderbouwen. Nu zulks niet is geschied, bestaat onvoldoende grond om deze vordering toe te wijzen.

4.21.

Nu het sub f gevorderde in het verlengde ligt van het (voort)bestaan van de arbeidsovereenkomst en deze vordering niet is betwist, zal deze vordering worden toegewezen.

4.22.

SSC zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld welke het Gerecht zal begroten op NAf 1.000,= aan salaris gemachtigde, NAf 50,= aan griffierechten en NAf 40,= aan zegelkosten onder bepaling dat de wettelijke rente zal zijn verschuldigd over de proceskosten ingaande twee weken na betekening van deze beschikking.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Verzoek van [verzoekster]

- beveelt SSC om [verzoekster] tot de werkvloer toe te laten en haar werkzaamheden te laten hervatten met ingang van 17 april 2017 onder de voorwaarde dat de terugkeer van [verzoekster] in de eerste twee maanden zal worden begeleid door een persoon of instelling die deskundig is op het gebied van communicatie en samenwerking tussen werknemers onderling en werknemers en bestuur, zulks op kosten van SSC;

- veroordeelt SSC om, voor zover nog nodig, de salarisslips van december 2016 en de daarop volgende maanden aan [verzoekster] ter beschikking te stellen, alsmede de jaaropgaaf van 2016, totdat de arbeidsrelatie rechtsgeldig zal eindigen;

- veroordeelt SSC tot het betalen van de verschuldigde premies van de ziektekostenverzekering van [verzoekster] en haar gezinsleden tot en met de dag dat arbeidsrelatie rechtsgeldig zal eindigen, met de bepaling dat SSC de zorgpassen tijdig aan [verzoekster] zal doen toekomen;

- veroordeelt SSC in de kosten van de procedure aan de zijde van [verzoekster] en tot op heden begroot op NAf 1.000,-- aan gemachtigdensalaris, NAf 50,= aan griffierechten en NAf 40,= aan zegelkosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na betekening van deze beschikking;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Verzoek van SSC

- wijst af het gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Scholte, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.