Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:251

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
EJ 80091/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ 80091 van 2016 achterstallige tredes en indexering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[VERZOEKER],

wonende in Curaçao,

verzoeker,

gemachtigde: thans mr. R.A. Diaz,

tegen

de stichting Fundashon Pa Edukashon y Formashon di Fishi y Kapasitashon (FEFFYK),

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. N.A. Evertsz.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Feffyk genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij vonnis in incident van 22 augustus 2016 is de door verzoeker op 23 februari 2016 ingediende AR zaak verwezen naar de arbeidsrechter. Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting op 6 oktober 2016. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde schriftelijke toelichtingen. [verzoeker] heeft twee producties overgelegd ter zitting en voorts, conform de afspraak ter zitting, na de zitting een SOAB rapport. Feffyk heeft zich op 21 oktober 2016 nog over dit rapport uitgelaten. Partijen is aangezegd dat het Gerecht een beschikking zal geven.

1.2.

De uitspraak is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2. [

verzoeker] is van 1 mei 1996 tot 1 maart 2011 als docent Horeca in dienst geweest van Feffyk.

2.3.

In het kader van een schikking van een procedure tussen Feffyk en de vakbond Sitek zijn die partijen op 17 augustus 2009 overeengekomen dat een gemengde commissie zou worden ingesteld die het sociaal plan van Feffyk zou bestuderen en de mogelijkheden zou onderzoeken om achterstallige betalingen te effectueren, waaronder de periodieke verhogingen en indexering over een aantal jaren.

2.4.

Bij brief van 18 februari 2011 heeft Feffyk, na de ontslagname door [verzoeker], aan hem medegedeeld dat hij nader bericht zou ontvangen ten aanzien van de afwikkeling van de administratieve zaken, zoals de correctie op zijn salaris conform de overeenkomst van 17 augustus 2009.

2.5.

Bij brief van 26 maart 2012 heeft Hoofd P&O van Feffyk [verzoeker] informatie doen toekomen over het door hem te ontvangen indexeringsbedrag. Vermeld is daarbij dat het om een indicatie gaat, dat de berekening niet volledig is en dat door [verzoeker] geen rechten daaraan kunnen worden ontleend. Voorts is vermeld dat het de bedoeling is om per 1 mei definitieve cijfers bekend te maken.

2.6.

Blijkens een ongedateerd overzicht is bij [verzoeker] sprake van achterstallige periodieken en indexeringen over de periode 2002 tot en met 2009 ten bedrage van NAf 51.032,=.

2.7.

Bij brief van 26 september 2012 alsmede van 17 oktober 2012, heeft [verzoeker] Feffyk verzocht over te gaan tot betaling van NAf 51.032,=.

2.8.

In een zaak die door een andere werknemer van Feffyk op basis van de overeenkomst van 17 augustus 2009 tegen Feffyk was aangespannen, heeft het Gemeenschappelijk Hof bij beschikking van 21 augustus 2012 geoordeeld dat de overeenkomst met Sitek aldus moet worden uitgelegd dat er pas sprake is van een opeisbare schuld als er middelen zijn gevonden om deze te voldoen. Het Hof heeft daarbij meegewogen dat in de brief van Feffyk aan Sitek van 29 januari 2009, die over dezelfde problematiek handelt, als conditio sine qua non is opgenomen dat rekening wordt gehouden met de financiële situatie van Feffyk.

2.9.

Bij beschikking van 3 februari 2014 heeft het Gerecht in eerste aanleg in een zaak van weer een andere werknemer tegen Feffyk, verwezen naar de overwegingen over de opeisbaarheid van de daarin vervatte aanspraken in de beschikking van het Hof van 21 augustus 2012 en geoordeeld dat hetgeen toen werd overwogen ook voor deze werknemer geldt.

2.10.

In het hoger beroep van deze beschikking heeft het Hof op 7 oktober 2014 voor wat betreft de uitgebleven periodieke verhogingen en indexering vastgehouden aan de overweging in de beschikking van 21 augustus 2012.

3 Het geschil

3.1. [

verzoeker] verzoekt het Gerecht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, Feffyk te veroordelen om [verzoeker] het bedrag van NAf 51.032,= te betalen, vermeerderd met de indexering over de periode van 1 december 2009 tot en met 28 februari 2011 en de wettelijke rente vanaf 26 september 2012, de deurwaarderskosten en de buitengerechtelijke kosten van 15% van het te betalen bedrag, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van Feffyk in de proceskosten.

3.2. [

verzoeker] legt aan de vordering ten grondslag dat Feffyk heeft erkend dat [verzoeker] nog een bedrag van NAf 51.032,= aan achterstallige periodieke verhogingen en indexeringen verschuldigd is. Feffyk dient dit bedrag te voldoen. [verzoeker] betwist dat in de overeenkomst van 17 augustus 2009 sprake is van een conditio sine qua non en betwist voorts dat de brief van 20 januari 2009 deel uitmaakt van de overeenkomst. Nu in de overeenkomst data zijn genoemd voor de betaling van de erkende bedragen is sprake van een opeisbare schuld. Voor zover al wel rekening zou dienen te worden gehouden met de financiële situatie van Feffyk, is relevant dat de directeur van Feffyk in het openbaar heeft gezegd dat Feffyk er goed voor staat. In haar adviesrapport reorganisatie FEFFIK van 6 februari 2014 merkt SOAB op dat aan werknemers die niet in dienst treden van de nieuwe FEFFIK, het volledig achterstallig bedrag uitbetaald dient te worden.

3.3.

Feffyk betwist het vorenstaande en verwijst naar eerdere beschikkingen van het Gerecht en het Gemeenschappelijk Hof.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

verzoeker] baseert zijn verzoek om veroordeling van Feffyk tot betaling van NAf 51.032,=, onder meer, op het in 2009 tussen Feffyk en Sitek bereikte akkoord alsmede op de brieven van 18 februari 2011, 26 maart 2012 en het ongedateerde overzicht betreffende periodieke verhogingen en indexering van Feffyk.

4.2.

In het door [verzoeker] in dit kader gestelde ziet het Gerecht geen aanleiding om dit akkoord anders uit te leggen dan het Gemeenschappelijk Hof. Verwezen wordt naar de overwegingen over de opeisbaarheid en de daarin vervatte aanspraken in de beschikking van het Hof van 21 augustus 2012. Hetgeen toen is overwogen geldt ook jegens [verzoeker]. Er is pas sprake van een opeisbare schuld als er middelen zijn gevonden om deze te voldoen.

4.3.

Weliswaar zijn meerdere jaren verstreken sinds het bereikte akkoord maar uit het rapport van SOAB van 2014 blijkt dat de situatie bij Feffyk in 2014 nog steeds precair was en dat een ingrijpende reorganisatie van Feffyk noodzakelijk was om de tekorten van 1 tot 2 miljoen per jaar terug te dringen en de opgelopen schuld van NAf 17 miljoen het hoofd te bieden.

4.4.

Gelet op het vorenstaande en nu een reorganisatie is uitgebleven terwijl de subsidiebedragen zijn verlaagd, ligt het, zonder nadere onderbouwing, niet voor de hand dat Feffyk er momenteel wel goed voor zou staan. [verzoeker] heeft nagelaten om deze stelling te onderbouwen. Er bestaat derhalve geen aanleiding om er vanuit te gaan dat Feffyk momenteel zodanig kapitaalkrachtig is dat werknemers kunnen worden betaald. Dat SOAB in zijn rapport op pagina 12 heeft vermeld dat aan de werknemers die niet in dienst treden van de nieuwe organisatie het volledig achterstallig indexeringsbedrag dient te worden uitgekeerd, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Bezien in de totaliteit van het rapport betrof het hier één van de nadelen van de optie “sluiten van de huidige organisatie en starten van een nieuwe organisatie”. Uit het rapport kan niet worden afgeleid dat SOAB meende dat er middelen aanwezig waren om deze bedragen te voldoen.

4.5. [

verzoeker] heeft ter zitting nog verzocht om de regels van verbruiklening toe te passen op de onderhavige zaak en op grond van artikel 7A:1780 BW een termijn te bepalen. Nog los van de vraag of een dergelijke aanvulling c.q. wijziging van de grondslag van de vordering eerst ter zitting kan geschieden, heeft te gelden dat van [verzoeker] had mogen worden verwacht dat hij zijn stelling dat sprake is van een overeenkomst van verbruiklening tussen partijen (nader) had onderbouwd. Reeds nu [verzoeker] zulks heeft nagelaten, kan hij niet worden gevolgd in deze stelling.

4.6.

Het vorenstaande betekent dat het verzochte niet toewijsbaar is. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verzoeker] worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Feffyk, tot op heden begroot op NAf 1.500, = aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst af het verzochte;

- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van Feffyk tot op heden begroot op NAf 1.500,= aan salaris gemachtigde;

- verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Scholte, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.