Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:243

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
EJ 81987/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding – vergoeding – proceskosten en substantiëringsplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Curacao Refinery Utilities N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes,

tegen

[verweerder],

wonende in Curaçao,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.

Partijen zullen hierna CRU en [verweerder] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

CRU heeft op 14 februari 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. De zaak is op de zitting van 28 maart 2017 aangehouden tot 12 april 2017. Op de zitting van 12 april 2017 zijn partijen en gemachtigden verschenen. Op voorhand hadden beide partijen producties toegezonden. [verweerder] heeft een verweerschrift bevattende een zelfstandige vordering, met producties, in het geding gebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De zitting is wederom aangehouden in verband met een mogelijke schikking. Partijen zijn niet tot een vergelijk gekomen. Op 12 mei 2017 is de zitting vervolgd. Op voorhand hadden beide partijen wederom producties toegezonden.

1.2.

CRU heeft in totaal producties 1 tot en met 22 in het geding gebracht.

[verweerder] heeft producties 1 tot en met 6 en nog twee ongenummerde producties in het geding gebracht.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

verweerder] werkt sinds februari 2005 als trainee en vanaf 1 juli 2008 in vaste dienst bij CRU als Maintenance Specialist, laatstelijk tegen een bruto salaris van
NAf 4.888,-- per maand.

2.2.

Over het jaar 2014 is de ‘performance appraisal’ van [verweerder] gescoord op 2,1. Die score valt in de tussencategorie ‘d. Needs improvement’ van de schaal die begint met ‘a. Exceptional/outstanding performance’ en eindigt met ‘e. Fails to meet expectations’.

2.3.

Over het jaar 2015 is de ‘performance appraisal’ van [verweerder] gescoord op 2,3. Die score valt eveneens in de tussencategorie: ‘d. Needs improvement’.

2.4.

In het kader van een reorganisatie van CRU is [verweerder] begin 2016 geplaatst in een verbetertraject. CRU heeft het adviesbureau Balance ingeschakeld om het verbetertraject te begeleiden. In de brief van CRU van 26 januari 2016 aan [verweerder] staat dat [verweerder] vanaf 1 februari 2016 de coördinator Turn Around gaat bijstaan en dat [verweerder] zal worden begeleid door een expert. Verder zouden zijn taken maandelijks gemonitord worden ‘in the presence of an expert’. In de brief staat tenslotte dat het verbetertraject zes maanden zal duren.

2.5.

Er zijn ‘Minutes Of Meeting’ van februari, maart en mei 2016 waarin verslag wordt gedaan van de werkzaamheden van [verweerder] binnen genoemd traject. De bevindingen over zijn werkzaamheden variëren van ‘comply with’, tot ‘was lacking’, tot ‘improved, ok’.

2.6.

Bovengenoemde drie verslagen zijn steeds ondertekend door [verweerder] enerzijds en [naam], turn around coördinator bij CRU, anderzijds. [naam] valt onder [naam 1], de department head of maintenance van CRU, die weer valt onder [naam 2], de plant manager van CRU.

2.7.

Per brief van CRU van 1 juni 2016 wordt aan [verweerder] kenbaar gemaakt dat het traject zal worden voortgezet (‘renew’) vanaf juni 2016. In de brief staat verder dat [verweerder] zal worden begeleid door Balance en dat zijn werkzaamheden maandelijks zullen worden gemonitord ‘in the presence of an expert’.

2.8. [

verweerder] heeft in reactie hierop in zijn brief van 20 juni 2016 aan CRU - onder meer - laten weten dat de procedure van het traject, waaronder wat er zou gebeuren aan het einde van de zes maanden, niet duidelijk is voor hem. Hij heeft verder aangegeven dat de externe gids niet zichtbaar is geweest in de voorliggende periode. [verweerder] besluit zijn brief door aan te geven dat hij op basis van de door hem genoemde punten niet wilde tekenen voor verlenging van het traject en dat hij verder bereid is zich maximaal te blijven inspannen voor CRU.

2.9.

In de ‘Minutes Of Meeting’ van 16 augustus 2016 staat:

All and all, there is considerable improvement in supervisor responsibilities; manage manpower, chair meetings, report correctly, managed QA/QC. (…) In attitude I would want to see Mr. [verweerder] to own the project more, not let the ball fall and encourage others (…) for faster job completion.

Nevertheless, I tend to agree with him in his reaction that personnel of other departments have also to do their job for faster job completion.

Dit verslag is net als de andere verslagen ondertekend door [naam] (CRU) en [verweerder].

2.10.

Op 5 september 2016 heeft [naam 1] (CRU) aan [naam] (CRU), en c.c. aan [verweerder], een email verzonden waarvan de strekking is dat [naam 1] het niet eens is met het verslag van [naam] omdat [verweerder] heeft geweigerd een verlenging van het traject aan te gaan, waardoor hij werk heeft geweigerd.

2.11.

Per email van 8 september 2016 van [naam 2] (CRU) aan [verweerder] wordt [verweerder] medegedeeld dat in navolging van de brief van 1 juni 2016 er maandelijkse afspraken worden ingepland bij Balance en dat de volgende afspraak zal zijn op 14 september. De email besluit met: Please be advised that none attendance to this meeting will be regarded as a refusal to work assigned to you, with all the consequences of this.

2.12.

Op 14 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden met [naam 1] (CRU) en [verweerder] in aanwezigheid van de heer Maat van de vakbond, blijkens een verslag van die datum. Uit dit verslag volgt dat [verweerder] en CRU in een patstelling zijn geraakt over het vervolg van het met [verweerder] ingezette traject.

2.13.

In de brief van 6 december 2016 van CRU aan [verweerder] staat dat [verweerder] niet heeft meegewerkt aan het traject dat op 30 november 2016 tot een einde is gekomen. Voorts staat er in de brief: Als gevolg hiervan heeft CRU geen functie binnen haar organisatie (meer) voor u voorhanden. CRU is tot het besluit gekomen om de arbeidsovereenkomst met u te beëindigen. Voorts wordt [verweerder] geïnstrueerd om per 7 december 2016 vakantiedagen op te nemen en wordt aan hem een voorstel gedaan om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.

2.14.

Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3 Het geschil

3.1.

CRU verzoekt dat het Gerecht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens gewichtige redenen in de zin van verandering van omstandigheden zal ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding. Voorts verzoekt CRU veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2.

CRU heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] niet goed functioneerde en niet heeft meegewerkt aan het verbetertraject. Door beide factoren heeft CRU haar vertrouwen in [verweerder] als werknemer verloren, aldus CRU.

3.3. [

verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het niet toekennen van een ontbindingsvergoeding en heeft op zijn beurt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een ontbindingsvergoeding - met de volgende berekening:
NAf 6.729,52 x 9,5 x correctiefactor 3 - gevorderd.

Tenslotte verzoekt [verweerder] veroordeling van CRU in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 7a: 1615w BW bepaalt in lid 1 dat partijen wegens gewichtige redenen de rechter kunnen verzoeken de arbeidsovereenkomst ontbonden te verklaren. Het tweede lid van artikel 1615w BW bepaalt in de kern dat de gewichtige redenen een dringende reden in de zin van artikel 1615o BW kan zijn of veranderingen in de omstandigheden van dien aard dat de dienstbetrekking billijkheidshalve behoort te beëindigen.

4.2.

Beide partijen hebben ontbinding verzocht op grond van veranderingen in de omstandigheden, zodat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.

4.3.

Volgens lid 5 van genoemd artikel kan de rechter, als hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen een vergoeding toekennen.

4.4.

Bij de vraag of een vergoeding voor [verweerder] billijk voorkomt, is het van belang om te beoordelen of het juist is dat CRU verwijtbaar heeft gehandeld, zoals [verweerder] betoogt en CRU weerspreekt.

4.5.

Daartoe wordt het volgende overwogen. [verweerder] functioneerde matig. CRU is om die reden op goede gronden een verbetertraject gestart met [verweerder]. Het traject is evenwel niet goed verlopen. Het is voortijdig gestrand als gevolg van onduidelijkheden die in de invloedssfeer lagen van en zijn te verwijten aan CRU.

4.6.

Redengevend zijn de volgende factoren.

-CRU heeft in de eerste maanden van het traject niet, anders dan de bedoeling was, Balance als externe partij betrokken. Dit werd pas door het management van CRU geïnitieerd in juni 2016 toen het traject al vijf maanden duurde. Het is logisch dat dit vragen opriep bij [verweerder].

-Bij [verweerder] bestonden meer vragen over het traject, hetgeen blijkt uit zijn brief van 20 juni 2016. Niet is gebleken dat die vragen door CRU zijn opgehelderd. Integendeel, uit het verslag van 14 september 2016 blijkt dat de onduidelijkheid op dat moment nog steeds bestaat.

-Het management van CRU heeft de Turn Around coördinator - [naam] - aangewezen om [verweerder] te begeleiden. [naam] waardeert de werkzaamheden van [verweerder] in feite gematigd positief, zoals blijkt uit het verslag van 16 augustus 2016 (not let the ball fall). Het ging dus niet slecht met [verweerder] in het traject dat feitelijk doorliep na juni 2016. [naam 2] heeft ter zitting uitgelegd dat het verslag van [naam] te beschouwen is als ‘een mening’, waarmee CRU het niet eens was. Dat er binnen het management van CRU onenigheid bestond blijkt ook uit de email van [naam 1] aan [naam] van 5 september 2016.

4.7.

Het is gezien het bovenstaande niet rechtvaardig om [verweerder] in de schoenen te schuiven dat hij deelname aan het (vervolg)traject heeft geweigerd. Dat [verweerder] in zijn brief van 20 juni 2016 aangaf niet te willen tekenen voor het vervolgtraject in verband met de onduidelijkheden neemt niet weg dat [verweerder] feitelijk het traject heeft vervolgd. Dat blijkt niet alleen uit het verslag van [naam] van 16 augustus 2016 maar werd door [verweerder] tevens ter zitting naar voren gebracht en is onvoldoende weersproken. Hij gaf immers aan dat hij steeds naar Balance is blijven gaan.

4.8.

Bovenstaande leidt tot de volgende slotsom.

Voor zover CRU de ontbinding wil laten steunen op het verlies aan vertrouwen na weigering van het volgen van het vervolgtraject is dat dus niet terecht.

Voorzover CRU de ontbinding wil laten steunen op het niet goed functioneren van [verweerder] heeft CRU nagelaten om aan te duiden om welke reden het niet goed functioneren zou leiden tot veranderingen in de omstandigheden als bedoeld in artikel 1615w lid 2 BW. Bovendien is het slechte functioneren door [verweerder] in enige mate gerelativeerd door het verslag van [naam], waardoor dit niet is komen vast te staan.

4.9.

Met inachtneming van voornoemde omstandigheden van het geval komt het billijk voor dat aan [verweerder] een vergoeding wordt toegekend. Het Gerecht komt tot een vergoeding van NAf 85.500,-. In dit bedrag wordt geacht een cessantia-uitkering te zijn inbegrepen.

4.10.

Artikel 1615w lid 6 BW bepaalt dat partijen in kennis worden gesteld van het voornemen tot toekenning van een vergoeding, zodat de verzoeker de eis nog kan intrekken. In onderhavig geval wordt geen toepassing gegeven aan dit artikellid omdat de beslissing tot ontbinding ook is gegrond op het verzoek van [verweerder].

4.11.

CRU wordt in proceskosten veroordeeld. CRU heeft niet voldaan aan hetgeen wordt bepaald in artikel 18c Rv, nu zij heeft nagelaten het verslag van [naam] van 16 augustus 2016 in het verzoekschrift te melden en over te leggen. Dit wordt in haar nadeel gewogen, in die zin dat bij het vaststellen van de proceskosten wordt aangehaakt bij het gebruikelijke tarief in AR zaken. Het is immers aannemelijk dat [verweerder] meer kosten heeft moeten maken als gevolg van deze omissie. De proceskosten worden vastgesteld op NAf 3.750,-- (tarief 5 x 3).

5 De beslissing

Het Gerecht:

- willigt de verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in met ingang van 1 juni 2017;

- kent aan [verweerder] ten laste van CRU een vergoeding toe van NAf 85.000,--, te betalen op uiterlijk 15 juni 2017;

- verwijst CRU in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op NAf 3.750,-- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.