Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:235

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
16-01-2017
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
BB 79490/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

geen arbeidsovereenkomst – opdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. E. Fa Si Oen,

tegen

de besloten vennootschap

EXTENSION ELECTRONIC B.V.,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.J. de Winter.

Partijen zullen hierna [eiser] en Extension genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 30 juni 2016 ter griffie ingediend;

- de akte vermeerdering van eis d.d. 14 juli 2016;

- de conclusie van antwoord met producties van 28 juli 2016;

- de door Extension op 30 november 2016 overgelegde producties;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen d.d. 1 december 2016 en de aldaar door de gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

In 2013 is [eiser] vijf maanden in dienst geweest bij Extension op basis van een arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is per 30 september 2013 beëindigd.

2.3.

Vanaf januari 2015 heeft [eiser] werkzaamheden voor Extension verricht. Extension heeft hem betaald voor de werkzaamheden die hij tot en met de maand augustus 2015 heeft verricht.

2.4.

Het afschrift van de bankrekening van [eiser] bij de MCB bank d.d. 31 augustus 2015 vermeldt onder meer dat [eiser] op 28 augustus 2015 een bedrag van NAf 1.874,16 van Extension heeft ontvangen onder vermelding van “Salaris augustus 2015”.

2.5.

Bij brief van 7 september 2015 heeft Extension een waarschuwing van SVB ontvangen wegens het niet naleven van de uitvoeringsregelingen van de Landsverordening Zv/Ov, omdat zij (onder andere) [eiser] niet bij SVB heeft aangemeld.

3 Het geschil

3.1. [

eiser] vordert na wijziging van zijn eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, toestemming om kosteloos te procederen en veroordeling van Extension tot betaling aan [eiser] van de hoofdsom ad NAf 9.581,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2016 tot de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten ad 15%, met veroordeling van Extension in de proceskosten.

3.2. [

eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is per 2 januari 2015 bij Extension in dienst getreden en op 14 september 2015 op staande voet ontslagen. Op grond van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst heeft [eiser] nog verschillende bedragen van Extension tegoed, waaronder achterstallig loon en loon over de opzegtermijn, een vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen, de cessantia-uitkering, een schadevergoeding van twee maanden loon bruto ad NAf 4.200,00 en de kosten voor het verkrijgen van een kaart rechtgevende op kosteloze rechtsbijstand ad NAf 350,00. Ondanks aanmaning laat Extension na het verschuldigde te voldoen. Zij is derhalve ook de buitengerechtelijke incassokosten ad 15% van de hoofdsom verschuldigd. De wettelijke rente is aangezegd met ingang van 25 mei 2016.

3.3.

Extension voert het verweer dat [eiser] zijn werkzaamheden in 2015 op basis van losse opdrachten verrichtte. [eiser] is niet ontslagen; hij heeft sinds 12 september 2015 geen opdrachten meer voor Extension aangenomen en uitgevoerd. Subsidiair voert Extension aan dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

eiser] heeft het Gerecht verzocht kosteloos te mogen procederen. Gelet op het door hem ingebrachte bewijs van onvermogen, zal het Gerecht hem daartoe toelaten.

4.2.

Ter beantwoording staat de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Uitgangspunt hierbij is artikel 7A:1613ca BW, waarin is bepaald dat degene die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden wekelijks tenminste acht uren dan wel gedurende tenminste vijfendertig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst. Extension heeft gesteld dat [eiser] een wisselend aantal uren per maand werkte. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Extension verwezen naar het in haar pleitaantekeningen opgenomen overzicht van het aantal gedeclareerde uren per maand. [eiser] heeft de juistheid van dit overzicht niet betwist. Het Gerecht stelt derhalve vast dat hij de in het overzicht vermelde uren heeft gewerkt. Uit het overzicht blijkt dat [eiser] in de periode van maart tot en met augustus 2015 meer dan 35 uren per maand arbeid voor Extension verrichtte. Op grond van artikel 7A:1613ca BW worden deze werkzaamheden vermoed te zijn verricht krachtens arbeidsovereenkomst.

4.3.

Voormeld rechtsvermoeden is weerlegbaar. Beoordeeld dient te worden of Extension het rechtsvermoeden voldoende heeft weerlegd. In dit verband dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers); HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex/SNCU).

4.4.

Vaststaat dat partijen eerder, in 2013, een schriftelijke arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Toen partijen in 2015 weer met elkaar gingen samenwerken, zijn zij geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aangegaan. Extension heeft in dit verband gesteld dat de heer [naam 1] van Extension [eiser] in januari 2015 uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat het bedrijf, anders dan in 2013, geen vaste baan voor een elektricien had en dat hij losse opdrachten zou krijgen als er werk was. [eiser] heeft dit betwist, maar niet gesteld wat er dan wel met Extension is besproken. Ter comparitie heeft [eiser] slechts gesteld dat hij “gewoon is gaan werken”. Dat is onvoldoende tegenover de stelling van Extension. Dit geldt te meer nu uit het overzicht van het aantal gedeclareerde uren per maand van Extension blijkt dat [eiser] in de eerste maanden (januari en februari 2015) slechts 4 en 8 dagen heeft gewerkt. Dit duidt eerder op werkzaamheden op projectbasis dan op werkzaamheden op grond van een arbeidsovereenkomst, zoals Extension ook heeft gesteld. Het Gerecht stelt derhalve, als onvoldoende weersproken, vast dat partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding geen arbeidsovereenkomst voor ogen stond.

4.5.

Het vorenstaande brengt nog niet met zich dat er ook geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, omdat - zoals hiervoor is vooropgesteld - ook de wijze waarop partijen de overeenkomst feitelijk hebben uitgevoerd in aanmerking moet worden genomen. Het Gerecht acht in dit verband allereerst van belang dat [eiser] geen vaste arbeidstijden en werkweek had. Uit het overzicht van Extension blijkt immers dat hij een wisselend aantal dagen en uren per maand werkte. Dit wijst eerder op het bestaan van losse opdrachten die afhankelijk waren van de beschikbare projecten, zoals Extension heeft gesteld, dan op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Voorts is van belang dat niet is gebleken dat er tussen partijen een gezagsverhouding bestond. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij elke dag kwam werken en elke ochtend de instructie kreeg wat hij die dag moest doen. Wat hiervan ook zij, ook als er door Extension instructies aan [eiser] werden gegeven, is die omstandigheid op zichzelf onvoldoende om te komen tot de conclusie dat er sprake is van een gezagsverhouding. Het is immers vaste jurisprudentie dat ook in geval van een overeenkomst van opdracht de opdrachtgever bevoegd is de opdrachtnemer aanwijzingen te geven. Om te komen tot de conclusie dat er sprake is van een gezagsverhouding is dus meer nodig dan enkel het gegeven dat er instructies werden gegeven. Daarvan zou sprake kunnen zijn wanneer [eiser] bijvoorbeeld toestemming zou hebben moeten vragen voor het opnemen van vakantie- of verlofdagen, of zich bij ziekte daadwerkelijk zou hebben moeten ziekmelden. Extension heeft in dit verband gesteld dat [eiser] de vrijheid had om niet te komen werken. Met de enkele stelling dat hij elke dag kwam werken, heeft [eiser] dit onvoldoende betwist. Hij heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, waaruit zou moeten blijken dat er sprake was van een gezagsverhouding. De conclusie is derhalve dat er van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7A:1613a BW in de onderhavige situatie geen sprake is geweest.

4.6.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven, is het Gerecht van oordeel dat er tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Het rechtsvermoeden dat [eiser] de arbeid voor Extension krachtens arbeidsovereenkomst heeft verricht, is derhalve weerlegd. De omstandigheid dat Extension het voor de maand augustus 2015 verschuldigde bedrag aan [eiser] heeft uitbetaald onder vermelding van “salaris”, maakt dit oordeel niet anders, omdat daaruit het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet blijkt. Overigens heeft [eiser] gesteld dat het ‘salaris’ eerst per bank en daarna contant werd uitbetaald; soms was het bruto NAf 2.100,00 en soms netto (ca. NAf 1.800,00). Dit valt niet te rijmen met zijn - niet onderbouwde - stelling dat hij maandelijks een vast bedrag van NAf 2.100,00 bruto van Extension ontving. Het Gerecht acht dit element derhalve niet doorslaggevend. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Extension [eiser] niet bij SVB heeft aangemeld. Met dit argument kan twee kanten op worden geredeneerd: in de optiek van Extension was zij daartoe niet gehouden omdat zij ervan uitging dat [eiser], als zelfstandige, daar zelf voor zou zorgdragen; in de optiek van [eiser] was Extension, als werkgever, daartoe gehouden omdat hij ervan uitging dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst.

4.7.

Nu tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan is de daarop gegronde vordering van [eiser] niet toewijsbaar. De vordering ten aanzien van de opzegtermijn, niet genoten vakantiedagen, cessantia-uitkering en schadevergoeding van twee maanden loon zal derhalve worden afgewezen.

4.8.

Extension heeft ter comparitie erkend dat zij [eiser] nog niet heeft betaald voor de door hem in september 2015 verrichte werkzaamheden. [eiser] heeft een vergoeding gevorderd voor verrichte werkzaamheden in de periode van 1 tot en met 14 september 2015 ad NAf 1.356,88. Extension heeft gesteld dat [eiser] in september 2015 zeven dagen van in totaal 36,5 uren heeft gewerkt. Zij heeft echter niet aangegeven noch onderbouwd welk bedrag zij [eiser] daarvoor verschuldigd zou zijn. Dit had - als opdrachtgever - wel op haar weg gelegen. Het Gerecht acht dit deel van de vordering van [eiser] derhalve als onvoldoende weersproken toewijsbaar. Ter comparitie heeft Extension als verweer aangevoerd dat zij de kosten van Chippieland met deze vordering van [eiser] heeft verrekend. Dit verweer wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen, nu Extension niet heeft gesteld noch onderbouwd welk bedrag [eiser] aan Extension verschuldigd zou zijn. De vordering van [eiser] wegens de in september 2015 verrichte werkzaamheden zal derhalve worden toegewezen zoals gevorderd. De wettelijke rente is als niet weersproken toewijsbaar.

4.9.

De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten ad 15% zal worden afgewezen. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het hier gaat om werkzaamheden als het zenden van een enkele aanmaning. Dergelijke werkzaamheden komen op de voet van het bepaalde in artikel 63a Rv niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

4.10. [

eiser] heeft een vergoeding wegens kosten voor het verkrijgen van een kaart rechtgevende op kosteloze rechtsbijstand ad NAf 350,00 gevorderd. Deze kosten vallen onder de proceskosten en komen niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

4.11.

Gelet op de afloop van het geding zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- staat [eiser] toe kosteloos te procederen;

- veroordeelt Extension tot betaling aan [eiser] van NAf 1.356,88, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in opgemeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2017.