Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:225

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
AR 80508/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schietpartij op luchthaven, zorgplicht overheid, werkgeversaansprakelijkheid voor lekken informatie naar criminelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Nederland,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. de Winter,

tegen

de naamloze vennootschap

CURAÇAO AIRPORT PARTNERS N.V.,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W. Princée,

en

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

gevestigd in Curaçao,

gemachtigde: mr. N. Soon.

Partijen zullen hierna [eiseres], CAP en het Land genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 3 oktober 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord van CAP, met producties;

- de conclusie van antwoord van het Land, met producties;

- de aanvullende productie van CAP;

- de aanvullende productie van het Land;

- de behandeling ter comparitie van 3 oktober 2017 en de bij die gelegenheid door mr. De Winter en door mr. Princée overgelegde aantekeningen.

1.2.

Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

CAP exploiteert Hato International Airport (hierna: het vliegveld).

2.2.

Het Land houdt toezicht op de veiligheid op het vliegveld.

2.3.

Op 15 juli 2014 zijn twee personen bij het verlaten van de terminal op het vliegveld dood geschoten. De twee slachtoffers waren zojuist gearriveerd op een vlucht uit Düsseldorf. Zodra zij door de uitgang van het terminalgebouw gingen, zijn zij onder vuur genomen door vier schutters, De schutters hadden kort tevoren met twee auto’s op het parkeerterrein voor de terminal geparkeerd, waren met hun wapens op het terminalgebouw toegerend op het moment dat de slachtoffers door de deuren kwamen en hebben gedurende enkele seconden een grote hoeveelheid kogels afgevuurd. Daarna zijn de schutters op hoge snelheid het parkeerterrein afgereden, waarbij zij door de slagboom zijn gereden. De gebruikte vuurwapens waren automatische aanvalswapens voor militaire doeleinden.

2.4.

De schutters hebben informatie over datum en tijdstip van aankomst van de slachtoffers gekregen van [naam 1] (hierna: [naam 1]), destijds werkzaam bij het Korps Politie Curaçao.

2.5.

[Eiseres] is eveneens op 15 juli 2014 op Curaçao aangekomen. Bij de schietpartij is zij in het been geraakt door kogelscherven.

2.6.

De schutters en [naam 1] zijn strafrechtelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen. [eiseres] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De daders zijn veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van NAf 7.418. Voor het overige is [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

3 Het geschil

3.1.

[Eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat

  • -

    een verklaring voor recht dat CAP en het Land hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] schade die het gevolg is van het schietincident;

  • -

    CAP en het Land te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van NAf 7.418.

  • -

    met veroordeling van CAP en het Land in de proceskosten.

3.2.

CAP voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

[Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag het standpunt dat CAP en het Land onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door onvoldoende maatregelen te nemen ter verbetering van de veiligheid op het vliegveld. Zowel CAP als het Land hebben in zoverre hun zorgplicht geschonden, aldus [eiseres]. Ook is het Land volgens [eiseres] aansprakelijk als toezichthouder op CAP en als werkgever van [naam 1]. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat er ook sprake is van een “verbintenis” tussen [eiseres] en CAP ingevolge waarvan [eiseres] een vergoeding aan CAP betaalt voor het gebruik van de faciliteiten op het vliegveld. Voor zover [eiseres] hiermee heeft willen betogen dat daarmee ook wanprestatie aan haar vordering ten grondslag kan worden gelegd, overweegt het Gerecht dat – wat er ook zij van het al dan niet bestaan van een contractuele verhouding tussen [eiseres] en CAP – deze gestelde grondslag niet tot een inhoudelijk andere beoordeling leidt. Uit het betoog van [eiseres] kan immers niet worden afgeleid dat sprake is van andere normen bij toetsing aan een (gestelde) overeenkomst dan wanneer getoetst wordt op de grondslag van onrechtmatige daad.

4.2.

[Eiseres] heeft niet gesteld dat CAP en/of het Land bepaalde concreet omschreven veiligheidsvoorschriften niet in acht zouden hebben genomen. Wel heeft [eiseres] verwezen naar het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (hierna: het Verdrag). Zij heeft aangevoerd dat de lidstaten bij dit Verdrag gehouden zijn maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat wapens of gevaarlijke voorwerpen, bestemd voor criminele activiteiten, in een vliegtuig of binnen de luchthaven worden gebracht. Niet ter discussie staat dat het Land (via het Koninkrijk der Nederlanden) gebonden is aan het Verdrag. Het Verdrag bevat echter geen een ieder verbindende bepalingen. De bepalingen van het Verdrag zijn opdrachten aan de lidstaten om veiligheidsmaatregelen te treffen, maar zij zijn niet geschikt om zonder nadere uitwerking rechten en verplichtingen in het leven te roepen. [eiseres] kan daarom op eventuele schending van de verdragsbepalingen geen beroep doen. Wel kunnen bepalingen uit het verdrag mogelijk een rol spelen bij het oordeel over de vraag wat in dit verband van CAP en het Land verwacht had mogen worden.

4.3.

CAP is als exploitant in eerste instantie verantwoordelijk voor de veiligheid op het vliegveld. [eiseres] houdt het Land verantwoordelijk voor falend toezicht op deze taak van CAP, maar zij lijkt zich ook op het standpunt te stellen dat het Land zelf haar zorgplicht ten aanzien van de veiligheid heeft geschonden. Het navolgende heeft daarom betrekking op zowel CAP als het Land.

4.4.

De beantwoording van de vraag of CAP en/of het Land aansprakelijk zijn voor de gevolgen van de schietpartij moet plaatsvinden aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde gezichtspunten voor aansprakelijkheid bij gevaarzetting. Die gezichtspunten zijn de volgende:

- de waarschijnlijkheid van onoplettend of onvoorzichtig gedrag van potentiële slachtoffers;

- de aard van de gedraging;

- de kans dat daardoor schade ontstaat;

- de ernst van de gevolgen van die schade;

- de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

Bij de beoordeling van deze gezichtspunten zijn steeds alle omstandigheden van het geval van belang.

4.5.

Het Gerecht stelt voorop dat het hier klaarblijkelijk ging om een goed voorbereide liquidatie. De eigenlijke aanval duurde slechts enkele tientallen seconden. De daders hebben gebruik gemaakt van automatische aanvalswapens van zwaar kaliber.

4.6.

Om aansprakelijkheid te kunnen vaststellen zal moeten kunnen worden aangewezen wat CAP en het Land redelijkerwijs meer hadden kunnen doen dan wat zij aan veiligheidsmaatregelen al hadden geïmplementeerd, waarbij gewaakt moet worden voor de verleiding om met de wijsheid van nu CAP en het Land met terugwerkende kracht verplichtingen op te leggen. Onjuist is (daarom) de opvatting van [eiseres], zoals geuit tijdens de mondelinge behandeling, dat het enkele feit dat de schietpartij zich heeft voorgedaan al een indicatie is dat onvoldoende zorg is betracht ten aanzien van de veiligheid.

4.7.

In verband met dat laatste overweegt het Gerecht dat CAP en het Land onbetwist hebben gesteld dat er geen enkele aanleiding was om te verwachten dat de rivaliteit tussen criminele bendes op Curaçao, waarvan de onderhavige schietpartij kennelijk een onderdeel was, zou worden uitgevochten op een reguliere avond op het vliegveld, te midden van ‘gewone’ passagiers. Ook hebben CAP en het Land onbetwist gesteld dat voor Curaçao ten tijde van het schietincident geen verhoogde dreiging van terroristische activiteiten gold, zodat niet gezegd kan worden dat van CAP verwacht had mogen worden bijzondere veiligheidsmaatregelen te treffen die mogelijk ook dit incident hadden kunnen voorkomen. Er waren, kortom, geen redenen voor CAP en/of het Land om meer te doen dan wat destijds in normale omstandigheden redelijkerwijs kon worden gevergd.

4.8.

In het inleidend verzoekschrift noemt [eiseres] enkele maatregelen die genomen hadden kunnen worden: gebruik van toegangspoorten, scheidingswanden, camera’s in de gebouwen, langs de toegangswegen en op de parkeerterreinen, honden en inzet van gewapende beveiliging en patrouilles. Bij conclusie van antwoord hebben zowel CAP als het Land een aantal van de veiligheidsmaatregelen opgesomd die ten tijde van de schietpartij waren geïmplementeerd. Deze komen overeen met de door [eiseres] genoemde voorbeelden, zoals (voor wat betreft de land side, waar het incident zich voordeed) het uitvoeren van patrouilles door gewapende politie en het gebruik van camera’s op de parkeerterreinen. Verder heeft CAP onderbouwd met stukken gewezen op het bestaan van zogenoemde Standard Operating Procedures, een specifiek ten behoeve van dit vliegveld opgesteld Airport Security Plan en op Watch Logs Airport Police, waarin verslag wordt gedaan van de gebeurtenissen op het gebied van veiligheid op een bepaalde datum. CAP en het Land hebben onbetwist gesteld dat de hiervoor genoemde veiligheidsmaatregelen op 15 juli 2014 feitelijk waren geïmplementeerd. Meer in het algemeen acht het Gerecht van belang dat het vliegveld nog in de eerste helft van 2014 is gecontroleerd door de Transportation Security Administration, een Amerikaanse organisatie die belast is met periodieke inspecties van vliegvelden. Bij die gelegenheid zijn geen tekortkomingen geconstateerd, zo hebben CAP en het Land onbetwist gesteld.

4.9.

Tegen deze achtergrond is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat door CAP en/of het Land is gehandeld in strijd met de ten tijde van de schietpartij op hen rustende zorgplicht. [eiseres] heeft ter zitting doen betogen dat nog andere maatregelen getroffen hadden kunnen worden, zoals een andere inrichting van de gebouwen en parkeerterreinen zodat de schutters geen “vrij schootsveld” hadden. Dat is misschien denkbaar, maar mede gelet op het overwogene in 4.7 kan niet worden gezegd dat dit destijds ook van CAP en/of het Land kon worden gevergd. In dit verband wijst het Gerecht erop dat CAP en het Land onbetwist hebben gesteld dat de inrichting van het terrein ten tijde van de schietpartij juist met het oog op het voorkomen van aanslagen door terroristen is gewijzigd, onder andere door de fysieke afstand tussen de aankomsthal en de parkeerterreinen te vergroten. Nog verdergaande maatregelen, zoals het afsluiten van het vliegveldterrein voor alle publiek en/of een algehele controle van alle binnenkomende voertuigen, gelden als hoogst bezwaarlijk en zeer ongebruikelijk en kunnen daarom niet van CAP en/of het Land worden gevergd.

4.10.

Ten overvloede overweegt het Gerecht dat, zelfs als aangenomen zou moeten worden dat CAP en/of het Land op enig punt extra maatregelen zou(den) hebben moeten nemen, niet valt in te zien dat deze maatregelen de schietpartij zouden hebben voorkomen. Het Gerecht wijst nogmaals op de vuurkracht van de wapens die de daders gebruikten en op het zeer korte tijdsbestek waarin zich een en ander afspeelde. Gelet op deze kenmerken van de aanval heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om aannemelijk te kunnen achten dat de schutters een andere plek voor de liquidatie zouden hebben uitgekozen als er aanvullende veiligheidsmaatregelen zouden zijn getroffen.

4.11.

Het Gerecht concludeert dat CAP en het Land niet aansprakelijk zijn wegens schending van de op hen rustende veiligheidsnormen. De uitlatingen op de radio van de minister van Justitie op 18 juli 2014, dus enkele dagen na de schietpartij, kunnen dat niet anders maken. Kennelijk was de minister destijds van mening dat “de beveiliging van de airport compleet gefaald heeft.” In redelijkheid kunnen aan deze uitlatingen echter geen juridische consequenties worden verbonden, zeker niet nu hij in hetzelfde citaat ook te kennen heeft gegeven dat “de evaluatie” nog plaatsvindt. [eiseres] heeft overigens ook niet gesteld dat zij deze uitlatingen daadwerkelijk als een erkenning heeft begrepen.

4.12.

In haar verzoekschrift heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat het Land ook aansprakelijk is in zijn rol van toezichthouder op CAP. Zij heeft dit standpunt echter niet concreet onderbouwd. Bij conclusie van antwoord heeft het Land uiteengezet op welke wijze zij toezicht houdt op de wijze waarop CAP haar taken uitvoert, namelijk door middel van controles door zijn dienst Curaçao Civil Aviation Authority. Deze dienst heeft nog op 25 juni 2014 een inspectie uitgevoerd, waarbij geen tekortkomingen zijn aangetroffen, aldus het Land. [eiseres] heeft deze stellingen ter zitting niet weersproken en evenmin haar verwijten ter zake de toezichthoudende rol van het Land alsnog concreet onderbouwd. Van onrechtmatig handelen van het Land als toezichthouder is daarom geen sprake.

4.13.

Ten slotte houdt [eiseres] het Land als toenmalig werkgever van [naam 1] aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW. Bij verzoekschrift heeft zij daartoe gesteld dat [naam 1] onrechtmatig heeft gehandeld door cruciale informatie aan de schutters door te spelen. Voorts is volgens [eiseres] het door artikel 6:170 BW vereiste functionele verband aanwezig, omdat [naam 1] in zijn hoedanigheid van politieambtenaar toegang had tot de desbetreffende informatie. Ter zitting heeft [eiseres] aanvullend gesteld dat [naam 1] deze informatie heeft gekregen van een medewerker van de Veiligheidsdienst Curaçao, te weten een zekere [eiseres] baseert zich in dit verband op informatie uit het strafdossier.

4.14.

Het Gerecht acht deze laatste stelling (namelijk de betrokkenheid van een medewerker van de VDC) relevant voor een oordeel over de eventuele aansprakelijkheid van het Land op grond van artikel 6:170 BW. Nu [eiseres] hierover in haar verzoekschrift niets heeft gesteld en dit feit pas ter zitting heeft gesteld, is het Gerecht van oordeel dat het Land hierop niet in voldoende mate heeft kunnen reageren. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen voor een akte aan de zijde van het Land, waarin zij alsnog op deze stelling kan reageren.

4.15.

Ter zitting is debat ontstaan over de vraag of [eiseres] het door haar gewenste voorschot op een schadevergoeding al geheel of gedeeltelijk betaald heeft gekregen, op de voet van artikel 1:78 lid 1 of 6 Sr. Voor het belang van [eiseres] bij de onderhavige procedure maakt dit geen verschil, nu zij (ook) een verklaring voor recht vraagt dat CAP en het Land aansprakelijk zijn. Mocht het zo zijn dat [eiseres] reeds een deel van haar door de strafrechter toegekende schadevergoeding uitgekeerd heeft gekregen, dan verwacht het Gerecht dat zij haar vordering uiterlijk op de in het dictum vermelde roldatum vermindert (vergelijk artikel 108 Rv).

4.16.

In het geschil tussen [eiseres] en CAP zal de vordering bij eindvonnis worden afgewezen. In het geschil tussen [eiseres] en het Land zal iedere verdere beslissing worden aangehouden in afwachting van de door het Land te nemen akte.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 27 november 2017 voor akte als bedoeld in 4.14 aan de zijde van het Land;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 november 2017.