Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:222

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
AR 81306/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ongerechtvaardigde verrijking, natrekking, verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.S. Francisca,

tegen

[VERWEERSTER],

wonende in Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mr. S.A. Hortencia en mr. S.J.C. Anthonio.

Partijen zullen [eiseres] en [verweerster] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 6 december 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de comparitie van partijen van 16 oktober 2017.

1.2.

Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [verweerster] zijn moeder een dochter van elkaar. [verweerster] is geboren op [geboortedatum] 1979.

2.2.

Een ongetekende en ongedateerde “voorlopige koopakte” uit 1984 vermeldt dat [verweerster], destijds dus vijf jaar oud, de koper is van kavel nummer E40 in het verkavelingsplan Jan Noorduyn/Juan Hato.

2.3.

Een notariële leveringsakte van 29 maart 1990 vermeldt de eigendomsoverdracht van de hiervoor bedoelde kavel. De akte vermeld dat voor de notaris is verschenen de heer [naam], echtgenoot van [eiseres], blijkens de akte ten deze handelende in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarig kind, [kind].

2.4.

Na de levering is op de kavel een huis gebouwd. Vanaf in elk geval 1996 is het huis verhuurd aan derden. De huurpenningen zijn ten goede gekomen aan [eiseres].

2.5.

In 2000 zijn [eiseres] en de vader van [verweerster] gescheiden.

2.6.

Op 15 december 2015 heeft [verweerster] een volmacht getekend, waarmee zij [eiseres] heeft gevolmachtigd om de woning te verkopen. Bij brief van haar advocaat van 9 september 2016 heeft [verweerster] deze volmacht ingetrokken.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat het volgende:

  1. primair [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen NAf 275.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2016;

  2. subsidiair [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen NAf 265.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2016;

  3. meer subsidiair [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een zodanig vergoeding door het Gerecht, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking nemende, naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 september 2016;

  4. een en ander met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

3.2.

[verweerster] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] eigenaar is van de kavel en dat zij door natrekking tevens eigenaar is geworden van de daarop gebouwde woning.

4.2.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [verweerster] door deze natrekking ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat het nooit de bedoeling was dat [verweerster] eigenaar zou worden van de woning. De kavel is alleen maar op naam van [verweerster] gezet, om te voorkomen dat de kavel in de huwelijksgemeenschap zou vallen en daarmee mede zou toekomen aan de vader van [verweerster]. Het is bovendien [eiseres] geweest die de woning heeft laten bouwen en de daarvoor benodigde kosten heeft gemaakt. [eiseres] was tot voor kort niet op de hoogte van de juridische consequentie van het bouwen op de grond van een ander. Uit het feit dat [verweerster] de volmacht tot verkoop van de woning heeft getekend, kan worden afgeleid dat ook [verweerster] wist dat het de bedoeling was dat [eiseres] over de woning zou kunnen beschikken, aldus [eiseres].

4.3.

Als meest verstrekkende verweer heeft [verweerster] zich op verjaring beroepen. Dit beroep slaagt. Daartoe overweegt het Gerecht het volgende.

4.4.

De vordering is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Is daarvan sprake, dan leidt dat tot een verplichting van degene die is verrijkt tot het betalen van schadevergoeding. Die verplichting ontstaat zodra het vermogen van de één ten koste van dat van de ander is verrijkt. In het onderhavige geval moet worden aangenomen dat het vermogen van [verweerster] is toegenomen zodra de woning op de kavel werd gerealiseerd. [eiseres] heeft gesteld dat de bouw van de woning in 1996 is afgerond. Wordt van die stelling uitgegaan, dan heeft dit tot gevolg dat - voor zover aangenomen zou moeten worden dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking - de op [verweerster] rustende verplichting tot het betalen van schadevergoeding uiterlijk 1 januari 1997 is ontstaan.

4.5.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een vordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het hier gaan om zogenoemde subjectieve bekendheid. De benadeelde moet, met andere woorden, daadwerkelijk bekend zijn met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. In deze zaak staat op zichzelf niet ter discussie dat [eiseres] direct van aanvang af op de hoogte was van de feiten en omstandigheden waarop zij nu haar vordering uit ongerechtvaardigde verrijking baseert. Zij wist immers van de bouw van de woning en ook van het feit dat die woning op de grond van haar dochter was gebouwd. In reactie op het beroep op verjaring door [verweerster] heeft [eiseres] echter aangevoerd dat zij tot voor kort niet wist dat [verweerster] door natrekking ook eigenaar van de woning was geworden. Het Gerecht kan dit betoog niet anders begrijpen dan in die zin dat [eiseres] stelt destijds niet op de hoogte te zijn geweest van de juridische beoordeling van de hier bedoelde feiten en omstandigheden. Bekendheid met de juridische gevolgen van bepaalde feiten en omstandigheden is voor het beginnen van de verjaringstermijn echter niet vereist (zie HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:AR1739). Ten overvloede wijst het Gerecht er op dat de positie van [eiseres] niet zodanig was dat zij geen toegang had tot enige vorm van juridische advisering. Ter gelegenheid van de koop van de kavel heeft zij immers, op daartoe strekkend advies, welbewust met het oog op de juridische consequenties ervan gekozen voor aanschaf van de kavel op naam van haar dochter.

4.6.

Dit betekent dat de verjaringstermijn uiterlijk 1 januari 1997 is aangevangen. Nu gesteld noch gebleken is dat in de vijf jaar daarna de verjaring is gestuit, is de verjaring voltooid op 1 januari 2002. Het ter zake geldende overgangsrecht in verband met de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek per 1 januari 2001 maakt dit niet anders (zie artikel 8 lid 1 Landsverordening overgangsrecht nieuw BW).

4.7.

Voor de goede orde overweegt het Gerecht nog als volgt. De vordering is expliciet gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Op de zitting heeft [eiseres] nog naar voren gebracht dat in haar visie sprake is geweest van een afspraak met [verweerster], inhoudende dat [verweerster] de woning aan [eiseres] zou overdragen. [verweerster] heeft die stelling betwist. Voor zover [eiseres] met deze stelling zou hebben willen betogen dat [verweerster] aansprakelijk is wegens schending van deze afspraak, dan geldt dat enige onderbouwing voor dit standpunt ontbreekt. Het enkele feit dat [verweerster] aanvankelijk een volmacht heeft getekend is onvoldoende voor de conclusie dat de door [eiseres] gestelde afspraak is gemaakt. Andere feiten in dit verband zijn niet gesteld.

4.8.

Het voorgaande moet leiden tot de conclusie dat de vordering in al haar onderdelen moet worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten. Die worden begroot op NAf 6.000 voor salaris van de gemachtigde.

4.9.

In het inleidend verzoekschrift stelt [eiseres] dat zij onvermogend is en de toestemming van het Gerecht nodig heeft om kosteloos te mogen procederen. Ter onderbouwing heeft zij een bewijs van onvermogen overgelegd. Hoewel dit verzoek niet terugkeert in het petitum, begrijpt het Gerecht het verzoekschrift zo dat [eiseres] dit wel vordert. De toestemming zal worden verleend.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- verleent [eiseres] toestemming om kosteloos te procederen;

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [verweerster], tot op heden begroot op NAf 6.000;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 november 2017.