Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:221

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
AR 77524/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pensioenrecht, rechtsverwerking, verschuldigdheid premies duurtetoeslag en VUT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

United Telecommunication Services N.V.,

gevestigd in Curaçao,

de naamloze vennootschap

Antelecom N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eisers,

gemachtigde: mr. K. Frielink,

tegen

de openbare rechtspersoon

Algemeen Pensioenfonds van Curaçao,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigden: mr. B.M. Nagelmakers en mr. N.B. Haverhoek.

Partijen zullen hierna UTS c.s. (eisers gezamenlijk), UTS, Antelecom en APC genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 29 januari 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek;

- de aanvullende producties van de zijde van APC;

- de behandeling tijdens de pleidooizitting van 25 september 2017;

- de door de advocaten aan beide zijden overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis.

2 De feiten

APC, duurtetoeslag, VUT

2.1.

APC is de rechtsopvolger van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen. APC is belast met de uitvoering van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren en andere overheidspensioenregelingen, waaronder de hierna te noemen Duurtetoeslagregeling en de VUT-regeling.

2.2.

De Duurtetoeslagregeling gepensioneerden 1943 (PB 1943, no. 77) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 1

1. Aan de gepensioneerden en weduwen, weduwnaars en wezen, die pensioen genieten ten laste van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen, wordt een tijdelijke duurtetoeslag op hun pensioen toegekend, zodanig dat het pensioeninkomen bij 30 of minder voor pensioen geldige dienstjaren het produkt is van:

a. de middelsom van het actieve inkomen, en

b. het percentage dat wordt verkregen door optelling van:

1. het percentage, vermeld in de tabel bij het van toepassing zijnde aantal voor pensioen meetellende dienstjaren, en

2. het percentage, vermeld in de tabel bij het van toepassing zijnde aantal voor pensioen meetellende resterende maanden, verschillend voor degenen met minder dan 20 voor pensioen geldige dienstjaren en voor degenen met meer dan 20 voor pensioen geldige dienstjaren.

Artikel 3

1. De duurtetoeslag wordt bij beschikking van den Gouverneur vastgesteld en tegelijk met de inkomsten, waarover hij is berekend, uitbetaald.

2. De jaarlijks aan de gepensioneerden uitgekeerde duurtetoeslagen en kindertoelagen komen ten behoeve van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen ten laste van de geldmiddelen van de Nederlandse Antillen, de eilandgebieden en de krachtens artikel 2, derde lid, van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 aangewezen rechtspersonen. De bedragen zijn, onderscheiden per gepensioneerde, verschuldigd door het lichaam dat als laatste aan de desbetreffende gepensioneerde ontslag heeft verleend uit een betrekking, waarvan de tijd gedurende welke deze betrekking bestond, als diensttijd in aanmerking kwam.

2.3.

De Pensioenlandsverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 is per 1 januari 1998 ingetrokken en vervangen door de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (PB 1997, no. 312). Op grond van artikel 103 van deze verordening blijft de Duurtetoeslagregeling gelden voor personen die voor 1 januari 1998 de hoedanigheid van overheidsdienaar hebben verkregen alsmede hun nabestaanden. De Pensioenlandsverordening overheidsdienaren luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 5

  1. In deze landsverordening wordt onder overheidsdienaren tevens verstaan de werknemers in dienst van een rechtspersoon die, gelet op zijn doelstelling en zijn financiële verhouding tot het Land dan wel een of meer eilandgebieden, bij besluit is aangewezen als lichaam waarvan het personeel overheidsdienaar in de zin van deze landsverordening is. […]

  2. Een aanwijzing geschiedt uitsluitend op verzoek van hetzij de betrokken rechtspersoon, hetzij een centrale of andere organisatie van werknemers die naar het oordeel van de Gouverneur voldoende representatief is voor de werknemers van de betrokken rechtspersoon.

Artikel 9

2. Het lichaam [onder andere de rechtspersoon als bedoeld in artikel 5; toevoeging Gerecht] verstrekt aan het bestuur [van APC; toevoeging Gerecht] de gegevens omtrent de dienstverhouding van de persoon die overheidsdienaar wordt, alsmede van de persoon van wie de hoedanigheid van overheidsdienaar eindigt.

Artikel 106

Elke rechtspersoon die is aangewezen krachtens artikel 2, derde lid, van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938, en die nog niet op grond van artikel 5, eerste lid, van deze landsverordening als lichaam is aangewezen, wordt voor zover het betreft de toepassing van deze landsverordening ten aanzien van degene die als ambtenaren in de zin van de eerstgenoemde landsverordening vóór de dag waarop deze landsverordening in werking treedt bij die rechtspersoon in dienst zijn, geacht een lichaam te zijn dat is aangewezen op grond van artikel 5, eerste lid.

De Pensioenlandsverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 kende een vergelijkbare bepaling als het zojuist weergeven artikel 5 lid 1.

2.4.

Met ingang van 1 januari 1998 is de pensioenregeling in die zin gewijzigd dat daarin een zogenoemde franchise is ingebouwd, met als gevolg dat het APC-pensioen voortaan een aanvulling op het AOV-pensioen werd.

2.5.

Bij vonnis van 20 januari 2003 heeft dit Gerecht in een procedure van de Vereniging van Dienstleiding tegen het Land voor recht verklaard dat de Landsverordening waarmee deze wijziging is doorgevoerd in strijd is met artikel 1 Eerste protocol bij het EVRM en voorts heeft het Gerecht het Land verboden aan de hier bedoelde Landsverordening uitvoering te geven voor zover het betreft de terugwerkende kracht zoals in het vonnis omschreven.

2.6.

Bij Landsbesluit van 11 juni 2008 heeft de regering van de Nederlandse Antillen besloten de franchise in de APC-pensioenen te handhaven, met dien verstande dat deze volledig wordt gecompenseerd via de Duurtetoeslag, voor diegenen die per 1 januari 1998 deelnemer bij APC waren.

2.7.

Artikel X van de Landsverordening verhoging leeftijdsgrens 1996 bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene die op 31 december 1995 ambtenaar is in de zin van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 na ontslag recht heeft op een VUT-uitkering indien hij (onder andere) ten minste 55 jaar oud is en geboren is voor 1 januari 1949. De Landsverordening verhoging leeftijdsgrens 1996 luidt verder, voor zover van belang, als volgt:

Artikel XV

1. De uitkering wordt slechts verleend op een daartoe strekkend, door of vanwege de belanghebbende bij de Gouverneur ingediend schriftelijk verzoek.

[…]

4. Over het verzoek wordt bij landsbesluit beslist.

Artikel XVIII

1. Met de uitvoering van dit hoofdstuk is belast het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen.

2. De uitkering komt ten laste van de rechtspersoon waarbij de belanghebbenden in dienst was totdat hem ontslag werd verleend.

3. Een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, betaalt maandelijks de ten laste van haar komende uitkeringen over de voorafgaande kalendermaand aan het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen.

2.8.

Bij uitspraak van 9 juli 2004 heeft dit Gerecht (in een ambtenarenzaak) geoordeeld dat de zojuist genoemde voorwaarde ter zake geboorte vóór 1 januari 1949 de toets aan artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM niet kan doorstaan.

2.9.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de Nederlands-Antilliaanse regering besloten vooralsnog de voorwaarde inzake het geboortejaar niet toe te passen. Bij Circulaire van 29 december 2014 heeft de minister van Bestuur, planning en dienstverlening bekend gemaakt dat vanaf 1 januari 2016 de desbetreffende bepaling uit de Landsverordening verhoging leeftijdsgrens weer wordt toegepast en dat dit betekent dat het toekennen van een VUT-uitkering vanaf die datum niet meer mogelijk is.

Setel, Antelecom, UTS

2.10.

Antelecom en (de voorheen bestaande vennootschap) Setel N.V. (hierna: Setel) zijn beide voortgekomen uit de overheidsdienst Landsradio Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen.

2.11.

Antelecom (in 1996) en Setel (in 1987) zijn beide aangewezen als rechtspersoon in de zin van artikel 3 lid 2 van de Duurtetoeslagregeling.

2.12.

Een rapport van Ernst & Young aan de aandeelhouders en de directie van Antelecom inzake de “inbrengbalans per 1 januari 1996” bevat onder andere de volgende opmerking:

Het verschil tussen de opgebouwde rechten en de pensioenaanspraken van oud LRNA [Landsradio; toevoeging Gerecht] ambtenaren wordt jaarlijks door het APNA onder de naam “duurtetoeslag” bij de laatste werkgever in rekening gebracht. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat Antelecom niet de verplichting heeft overgenomen deze duurtetoeslag voor de oud LRNA ambtenaren te dragen.

2.13.

Het Landsbesluit sociaal statuut Landsradio (PB 1997, 20) regelt de privatisering van de Landsradio Telecommunicatiedienst Nederlandse Antillen (hierna: Landsradio) en bepaalt onder meer het volgende:

  • -

    de ambtenaren van de Landsradio treden op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van Antelecom;

  • -

    hun rechtspositie mag na deze overgang in zijn totaliteit niet ongunstiger zijn dan bij de Landsradio;

  • -

    de pensioenregeling bij APC wordt gecontinueerd voor die werknemers die deelnemer zijn op het moment van de verzelfstandiging;

  • -

    de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de in het sociaal statuut neergelegde afspraken berust bij het Land;

  • -

    in een tussen het Land en Antelecom te sluiten overeenkomst zal de uitvoering van het sociaal statuut door Antelecom worden gegarandeerd.

Een overeenkomst tussen het Land en Antelecom als hier bedoeld is niet tot stand gekomen.

2.14.

UTS is opgericht in 1999 en is sindsdien de moedermaatschappij van Antelecom en Setel. Het Sociaal Plan uit 2001 regelt de gevolgen voor de werknemers van Antelecom en Setel van de integratie in UTS. In dat Sociaal Plan wordt onder meer bepaald dat UTS “als rechtsopvolger” van Antelecom en Setel alle rechten en verantwoordelijkheden inzake de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie overneemt.

2.15.

UTS is niet aangewezen als rechtspersoon in de zin van artikel 3 lid 2 van de Duurtetoeslagregeling.

2.16.

Antelecom en Setel zijn op 1 januari 2015 gefuseerd, waarbij Setel is verdwenen.

Contact tussen partijen

2.17.

Gedurende de periode 1999 tot 2015 hebben Setel, Antelecom en/of UTS facturen van APC ter zake de duurtetoeslag en de VUT-regeling voldaan.

2.18.

Vanaf december 2014 heeft APC bij UTS c.s. aangedrongen op betaling van gelden die UTS c.s. volgens APC aan haar verschuldigd was.

2.19.

Bij brief van 20 april 2015 heeft UTS, mede namens Antelecom en Setel, de verschuldigdheid van bedragen ter zake de duurtetoeslag en de VUT betwist. UTS heeft in die brief een overzicht aangekondigd “van de door ons ten onrechte betaalde bedragen, zodat u die bedragen kunt restitueren.”

2.20.

Bij brief van 20 oktober 2015 heeft APC UTS gesommeerd en in gebreke gesteld ter zake de betaling van achterstallige premies voor pensioen, duurtetoeslag en BTW-uitkeringen. De volgens APC achterstallige betalingen belopen voor de twee laatste categorieën in totaal een bedrag van bijna NAf 5,5 miljoen.

3 Het geschil

3.1.

UTS c.s. vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat het volgende:

  1. een verklaring voor recht dat voor de vordering van APC op UTS voor wat betreft de duurtetoeslag en de VUT geen grondslag bestaat;

  2. een verklaring voor recht dat voor de vordering van APC op Antelecom voor wat betreft de duurtetoeslag en de VUT geen grondslag bestaat;

  3. een verklaring voor recht dat de door Antelecom betaalde bedragen ter zake de duurtetoeslag en de VUT onverschuldigd aan APC zijn betaald;

  4. een verklaring voor recht dat, indien UTS dan wel Antelecom voor wat betreft de VUT-regeling wel tot betaling aan APC gehouden is, dit niet geldt voor uitkeringen aan personen die na 31 december 1995 55 zijn geworden, en dat voor zover in dat verband betalingen zijn gedaan die betalingen onverschuldigd zijn verricht;

  5. met veroordeling van APC in de proceskosten.

3.2.

APC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van UTS c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beoordeling

4.1.

UTS vordert onder meer een verklaring voor recht dat voor de vorderingen van APC op UTS met betrekking tot de duurtetoeslag en met betrekking tot de VUT geen grondslag bestaat.

4.2.

Op grond van de in 2.2 geciteerde Duurtetoeslagregeling komen de met de duurtetoeslag gemoeide bedragen onder andere ten laste van die rechtspersonen die zijn “aangewezen” krachten artikel 2 lid 3 van de toenmalige Pensioenverordening. Die aanwijzing vormt dus de wettelijke grondslag voor de onderhavige betalingsverplichting van de desbetreffende vennootschap jegens APC. Voor de VUT geldt een vergelijkbaar vereiste. De VUT-uitkering komt immers toe aan ambtenaren in de zin van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren en op grond van de artikelen 5 en 106 is daarvoor ook een aanwijzing als hier bedoeld vereist.

4.3.

Vast staat dat UTS niet is aangewezen in de hier bedoelde zin. Dat betekent dat er in zoverre geen wettelijke grondslag is op grond waarvan UTS gehouden is de met de duurtetoeslag en de VUT gemoeide bedragen aan APC te betalen.

4.4.

Het Gerecht overweegt verder in dit verband echter het volgende.

4.5.

De positie van UTS als werkgever van de werknemers die bij het APC zijn aangesloten komt voort uit de integratie van Setel en Antelecom in UTS zoals beschreven in 2.14. Setel en Antelecom waren wel aangewezen in de zin van de pensioenregelgeving en waren uit dien hoofde dus ook verplicht de met het APC-pensioen gemoeide bedragen aan APC te betalen. Buiten kijf staat dat alle betrokkenen bij de integratie in UTS de bedoeling hadden dat de rechtspositie van de werknemers, waaronder hun deelnemerschap in APC, behouden bleef. Dat volgt expliciet uit het Sociaal Plan en UTS c.s. hebben zich daarnaar ook gedragen. Gedurende meer dan tien jaar hebben zij immers zonder protest pensioengelden aan APC afgedragen, niet alleen de reguliere pensioenpremies, maar ook betalingen voor de duurtetoeslag en de VUT. Dat facturen van APC niet altijd naar de juiste vennootschap binnen het UTS-concern zijn gegaan en dat mogelijk UTS zelf geen betalingen ter zake van duurtetoeslag en VUT heeft gedaan, zoals zij stelt, is in dit verband zonder betekenis. Niet alleen komt dit voor risico van UTS c.s., nu APC onbetwist heeft gesteld dat zij door UTS c.s. niet is geïnformeerd omtrent welke werknemer precies bij welke vennootschap in dienst was, maar vooral is hier van belang dat UTS c.s. zich zeer langdurig hebben gedragen alsof er op het terrein van pensioenverplichtingen sinds de oprichting van en integratie in UTS niets was veranderd. Met dit handelen is bij APC het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat UTS c.s. geen beroep zou doen op het ontbreken van een deugdelijke grondslag. Dat geldt te meer nu UTS er ook nu nog vanuit gaat dat zij onverminderd gehouden is de eigenlijke pensioenpremies aan APC af te dragen. Dat is niet logisch als wordt aangenomen dat UTS niet verplicht is tot betaling van de duurtetoeslag en de VUT om reden dat zij niet is aangewezen in de zin van de pensioenregelgeving. Ook voor deelname aan het eigenlijke pensioen – dus niet alleen voor duurtetoeslag en VUT – is immers vereist dat de rechtspersoon is aangewezen (zie artikel 5 van de Pensioenlandsverordening).

4.6.

Het Gerecht constateert dat – zou het standpunt van UTS c.s. moeten worden gevolgd – de integratie van Setel en Antelecom in UTS zeer wezenlijke gevolgen heeft gehad voor de financiering van (de verschillende onderdelen van) het APC-pensioen. Voorheen kwamen de daarmee gemoeide kosten immers voor rekening van Setel en Antelecom, terwijl na de realisatie van de integratie de werknemers weliswaar bij UTS in dienst zijn getreden maar niet is voorzien in de financiering door UTS van hun pensioentoezegging. Gesteld noch gebleken is dat deze consequentie destijds onder ogen is gezien, laat staan is beoogd. Er is dus ook niet voorzien in een andere vorm van financiering, ook al zou dat (in theorie) denkbaar zijn geweest. Dat betekent concreet dat APC in de voorbije jaren betalingen ter zake van duurtetoeslag en VUT heeft gedaan zonder dat van de zijde van de werkgever daarvoor de normale vergoedingen zijn voldaan en dat APC voor de toekomst geen zekerheid heeft over de financiering van nog komende uitkeringen. Het thans door UTS c.s. verdedigde standpunt is dus zeer nadelig voor APC.

4.7.

Tegen de achtergrond van het overwogene in 4.5 en 4.6 acht het Gerecht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat UTS thans een beroep doet op het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het voldoen van de kosten voor de duurtetoeslag en de VUT. Dit zou mogelijk anders zijn geweest als UTS feitelijk zou hebben gehandeld overeenkomstig haar thans ingenomen standpunt, door bijvoorbeeld voor de betrokken werknemers een andere pensioenvoorziening in het leven te roepen en in dat kader de nodige betalingen te doen. Daarvan is echter geen sprake. Zij gaat er onverminderd van uit dat haar werknemers recht hebben op een APC-pensioen, zij draagt ook de eigenlijke pensioenpremies af aan APC, maar ten aanzien van de financiering van de duurtetoeslag en de VUT stelt zij zich thans op het standpunt dat APC daarvoor niet bij haar moet aankloppen. Dit standpunt kan in de gegeven omstandigheden niet in rechte worden aanvaard.

4.8.

Het beroep van ACP op rechtsverwerking slaagt dus. Nu UTS geen beroep toekomt op het ontbreken van een rechtsgrond voor de betalingen ter zake de duurtetoeslag en de VUT, heeft zij geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.9.

Specifiek met betrekking tot Antelecom geldt het volgende. Antelecom is, anders dan UTS, wel aangewezen in de zin van de pensioenregelgeving. Zij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat haar werknemers bij de integratie in UTS bij deze vennootschap in dienst zijn gekomen en dat zij vanuit dat dienstverband met pensioen zijn gegaan. Antelecom is dus niet de rechtspersoon waarbij de desbetreffende werknemers laatstelijk in dienst waren voordat hen ontslag werd verleend. Op grond van de Duurtetoeslagregeling en de Landsverordening verhoging leeftijdsgrens 1996 is dat wel vereist om de kosten van de duurtetoeslag en de VUT-uitkering ten laste van Antelecom te brengen, aldus Antelecom. APC heeft dit betoog op zichzelf niet betwist, maar zij heeft aangevoerd dat UTS c.s. haar, in strijd met artikel 9 Pensioenlandsverordening overheidsdienaren, nooit hebben geïnformeerd omtrent de indiensttreding van werknemers bij UTS en ook nooit inzichtelijk hebben gemaakt voor welke werknemers ten onrechte aan Antelecom is gefactureerd. Het Gerecht oordeelt hieromtrent als volgt.

4.10.

UTS c.s. hebben op hun beurt het verweer van APC niet weersproken, anders dan met de opmerking dat het hun niet duidelijk is wat APC met dit verweer beoogt. Het Gerecht is van oordeel dat ook in dit verband het beroep op rechtsverwerking slaagt. Op UTS c.s. rustte de verplichting om APC te informeren omtrent het einde van het dienstverband met Antelecom en de aanvang van het dienstverband met UTS. Niet valt immers in te zien op welke manier APC zonder die informatie zou kunnen weten tot wanneer voor welke werknemer aan Antelecom moet worden gefactureerd. Nu dit alles kennelijk het gevolg is van de integratie van Antelecom in het UTS-concern lag dit eens te meer op de weg van UTS c.s. Waar voorts onbetwist vast staat dat Antelecom ook na die integratie nog facturen van APC heeft voldaan en ook vast staat dat de betrokken deelnemers als (ex-)werknemers van UTS onverminderd aanspraak hielden op een APC-pensioen, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat APC thans wordt tegengeworpen dat zij niet aan de juiste vennootschap binnen het UTS-concern heeft gefactureerd. Antelecom komt daarom geen beroep toe op het feit dat (mogelijk) niet voldaan is aan het vereiste dat zij degene is bij die de desbetreffende deelnemer laatstelijk in dienst is geweest.

4.11.

Het Gerecht zal de vorderingen onder 2 en 3 ter zake de verklaringen voor recht ten behoeve van Antelecom dan ook afwijzen.

4.12.

UTS c.s. hebben zich (bij repliek) op het standpunt gesteld dat het in 2.6 bedoelde Landsbesluit van 11 juni 2008 onrechtmatig is, onder andere omdat als gevolg daarvan de lasten van de compensatie van de franchise volledig op de duurtetoeslag werden afgewenteld en dus voor rekening zijn gebracht van de rechtspersonen die de daarmee gemoeide kosten moesten betalen. Naar het oordeel van het Gerecht kan dit debat in het midden blijven. Ook als het standpunt van UTS c.s. juist zou zijn, dan kan dat er nog niet toe leiden dat de gevraagde verklaringen voor recht met betrekking tot de duurtetoeslag kunnen worden gegeven. De gevraagde verklaringen voor recht zijn daarop niet toegesneden.

4.13.

Voorts hebben UTS c.s. zich op het standpunt gesteld dat uit het in 2.12 aangehaalde rapport van Ernst & Young volgt dat Antelecom bij de privatisering niet de verplichting tot het betalen van de duurtetoeslag heeft overgenomen. Het Gerecht verwerpt dat standpunt. Niet valt in te zien om welke reden UTS c.s. een aanspraak zouden kunnen ontlenen aan een opmerking in een accountantsrapport, daargelaten hoe die opmerking ook moet worden uitgelegd. Overigens doet deze opmerking hoe dan ook niet af aan de rechtsverwerking die hierboven ten aanzien van UTS aanwezig is geoordeeld.

4.14.

De vordering onder 4 betreft een afzonderlijke kwestie. Het gaat hier om het volgende. Ingevolge de Landsverordening verhoging leeftijdsgrens 1996 geldt voor het recht op een VUT-uitkering onder andere de voorwaarde dat de betrokken deelnemer is geboren voor 1 januari 1949. Alle personen die op een later moment zijn geboren komen dus voor de VUT-uitkering niet in aanmerking. Naar aanleiding van de in 2.8 bedoelde uitspraak van het Gerecht en het in 2.9 bedoelde besluit van de regering, is kennelijk – zo begrijpt het Gerecht – lange tijd geen toepassing gegeven aan het vereiste van het geboortejaar, totdat bij de Circulaire uit 2014 is bekend gemaakt dat vanaf 1 januari 2016 weer aan deze voorwaarde zou moeten worden getoetst (waardoor de facto vanaf dat moment niemand meer in aanmerking voor de VUT-uitkering kwam). Het Gerecht leidt hieruit af dat in de periode tussen 1 januari 1996 en 1 januari 2016 VUT-uitkeringen aan personen zijn verstrekt die geboren zijn na 1 januari 1949.

4.15.

UTS c.s. stellen zich op het standpunt dat deze uitkeringen ten onrechte zijn verstrekt, omdat de wet onveranderd de eis van geboorte voor 1 januari 1949 stelt. Het enkele feit dat het Gerecht in een individuele zaak heeft beslist dat toepassing van deze eis leidt tot strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM kan geen grond zijn om in strijd met de wet uitkeringen toe te kennen. De kosten die APC voor de VUT-uitkeringen bij UTS c.s. in rekening heeft gebracht en die betrekking hebben op personen die niet aan de hier bedoelde eis voldeden ontberen daarom een grondslag, aldus UTS c.s.

4.16.

Het betoog van UTS c.s. kan niet slagen. Het betoog van UTS c.s. komt er in feite op neer dat de desbetreffende VUT-uitkeringen ten onrechte zijn toegekend. De beslissing omtrent toekenning van een VUT-uitkering wordt echter bij landsbesluit genomen (artikel XV lid 4 Landsverordening verhoging leeftijdsgrens 1996). APC geldt slechts als uitvoerder van deze besluiten. De eventuele onrechtmatigheid van een toekenningsbesluit moet dus niet bij APC maar bij het Land ter discussie worden gesteld. Is een VUT-uitkering toegekend en komen vast te staan, dan volgt daaruit dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening komen van de betrokken rechtspersoon (artikel XVIII lid 3 Landsverordening verhoging leeftijdsgrens 1996) dan wel heeft, in dit geval, te gelden dat op het ontbreken van een grondslag daartoe geen beroep kan worden gedaan. Daarop stuit deze vordering af.

4.17.

Nu alle vorderingen van UTS c.s. zullen worden afgewezen, zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden begroot op NAf 3.750 voor salaris. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt UTS c.s. in de proceskosten van ACP, tot op heden begroot op

NAf 3.750, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.