Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:2

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201500854, voorheen 73327 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een bezwaar tegen de aanslag heeft tevens te gelden als een bezwaar tegen de boete die op hetzelfde aanslagbiljet is opgenomen. Hetzelfde geldt voor het beroep. Nu aan belanghebbende een aangiftebiljet is uitgereikt was hij verplicht om aangifte te doen ook al meende hij geen belaste inkomsten te hebben genoten. De opgelegde boete is passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 11 januari 2017

BBZ nr. CUR201500854, voorheen 73327 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 1 augustus 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2010 opgelegd. Tevens is daarbij bij beschikking een verzuimboete vastgesteld.

1.2

Belanghebbende is op 15 augustus 2014 tegen de aanslag in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft op 20 februari 2015 uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar op 17 april 2015 in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 16 juni 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A. Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde mr. B. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en aan de wederpartij overgelegd. Partijen hebben na 16 juni 2016 per email een nadere reactie overgelegd en overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaak.

2 FEITEN

2.1

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, uitgaande van een belastbaar inkomen van Naf. 58.188. Dit inkomen bestaat uit een WAO-uitkering uit Nederland en uit een pensioen van Pensioenfonds ANWB, eveneens uit Nederland. Tegelijkertijd met de aanslag heeft de Inspecteur een verzuimboete opgelegd van Naf. 250 voor het niet tijdig doen van aangifte. De aanslag en de boete zijn op hetzelfde aanslagbiljet vermeld.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

Tussen partijen is in geschil of de verzuimboete terecht is opgelegd. De Inspecteur is primair van mening dat geen vermindering van de boete kan plaatsvinden omdat geen bezwaar en beroep is aangetekend tegen de boete. Pas in de pleitnota heeft belanghebbende bezwaren aangevoerd tegen de boete. Subsidiair stelt de Inspecteur dat terecht een verzuimboete is opgelegd nu belanghebbende te laat aangifte heeft gedaan. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Hij meende belastingplichtig te zijn in Nederland en ook zijn adviseur was onwetend over het feit dat belanghebbende belastingplichtig was in Curaçao. Er is aantoonbaar geen opzet in het spel geweest gericht op het ontgaan van belastingheffing. De boete dient volgens belanghebbende teruggebracht te worden naar nihil.

Oorspronkelijk was in geschil of de inkomsten van belanghebbende voor de belastingheffing toerekenbaar waren aan Nederland of aan Curaçao. In zijn pleitnota en ter zitting heeft belanghebbende zich akkoord verklaard met het standpunt van de Inspecteur dat de inkomsten ter heffing dienen te worden toegerekend aan Curaçao. Het Gerecht acht dit standpunt juist en zal dit volgen (zie ECLI:NL:HR:2000:AA7250 voor de WAO-uitkering en artikel 15, lid 4 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk voor het pensioen van de ANWB). In zoverre is het beroep ongegrond.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

De Inspecteur heeft gesteld dat de boete niet verminderd kan worden omdat alleen tegen de aanslag en dus niet tegen de boete bezwaar en beroep is ingesteld. Het Gerecht stelt voorop dat in de wetgeving in Curaçao een bepaling die ervoor zorgt dat een bezwaar tegen de aanslag tevens opgevat moet worden als een bezwaar tegen de boete, ontbreekt. In Nederland is dat wel wettelijk vastgelegd, zie artikel 24a, lid 2 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. In Nederland ontbrak echter in het verleden een dergelijke bepaling met betrekking tot de aanslag in samenhang met de heffingsrente. Hierover heeft de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:BJ7907 beslist dat bezwaar en beroep tegen een aanslag tevens moeten worden opgevat als bezwaar en beroep tegen de op hetzelfde aanslagbiljet vermelde beschikking inzake heffingsrente. Dit is volgens de Hoge Raad slechts anders indien de belanghebbende de bevoegdheid om (ook) de heffingsrente in het bezwaar en het beroep te betrekken ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. De Hoge Raad heeft deze beslissing gegrond op de voortgeschreden ontwikkeling van de rechtsbescherming. In dat licht bezien is het Gerecht van oordeel dat diezelfde regel temeer heeft te gelden voor bezwaar en beroep met betrekking tot de boete. Nu niet is gebleken dat belanghebbende het recht om tegen de boete op te komen ondubbelzinnig heeft prijsgegeven moet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden aangenomen dat zijn bezwaar en beroep tevens waren gericht tegen de boetebeschikking.

4.2

De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat aan belanghebbende een aangiftebiljet is uitgereikt. Ingevolge artikel 6, lid 4 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL), in combinatie met artikel 7, lid 1 ALL is eenieder aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt gehouden om tijdig aangifte te doen. Belanghebbende heeft dit niet gedaan, ook niet nadat hij daarop bij brief van 28 oktober 2013 is gewezen. In artikel 18, lid 1 ALL is bepaald dat in dat geval sprake is van een verzuim waarbij de Inspecteur, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste Naf. 2.500 kan opleggen.

4.3

Het opleggen van een dergelijke verzuimboete blijft slechts achterwege indien sprake is van avas. Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat belanghebbende en ook zijn belastingadviseur meende belastingplichtig te zijn in Nederland, temeer nu hij daar belasting en premies heeft betaald. Naar het oordeel van het Gerecht levert die omstandigheid echter geen avas op. Eenieder aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is aangifteplichtig, ook al is hij van mening dat hij geen belaste inkomsten heeft genoten. Die omstandigheid ontslaat hem niet van de verplichting de aan hem uitgereikte aangifte in te dienen. In dat geval had hij het aangiftebiljet in kunnen dienen onder vermelding van de reden waarom hij meende geen belaste inkomsten te hebben genoten. Nu belanghebbende dat heeft nagelaten is van avas geen sprake. De Inspecteur heeft dus terecht een boete opgelegd.

4.4

In Hoofdstuk IV van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (hierna: regeling) heeft de Minister het boetebeleid vastgelegd waaraan de Inspecteur zich moet houden bij het opleggen van boetes. De Inspecteur heeft overeenkomstig dit beleid een boete opgelegd van Naf.250, behorend bij een eerste verzuim (zie artikel 4.4, lid 1, letter a van de regeling). Het Gerecht acht die boete passend en geboden. Het beroep is dan ook ongegrond.

5 BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep inzake de aanslag IB en inzake de boete ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen, en mr. W.C.E. Winfield, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).