Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:194

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
KG 84264/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

dwangbevel, bestuurdersaansprakelijkheid, feitelijk beleidsbepaler

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[EISER]

wonende te Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. R.M. Bottse,

tegen

DE ONTVANGER VAN HET LAND CURAÇAO,

gevestigd te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.L. Rosaria.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Ontvanger genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, binnen gekomen op 16 november 2017;

- de producties van de Ontvanger;

- de mondelinge behandeling van 5 december 2017;

- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] is op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam (geweest) bij Uitgeverij De Pers N.V. (hierna: De Pers).

2.2.

Bestuurder van De Pers was bij leven [naam 2].

2.3.

De Pers is uit hoofde van diverse belastingverordeningen belastingplichtig en als zodanig schuldenaar van de Ontvanger.

2.4.

In de loop van 2017 is De Pers failliet verklaard.

2.5.

Op 15 mei 2017 is de stichting belastingaccountantsbureau begonnen met een onderzoek naar de belastingaangiften van De Pers. Dit onderzoek is in verband met de financiële problemen van De Pers in juli 2017 gestopt.

2.6.

Een memo van de onderzoeker van de stichting belastingaccountantsbureau van 25 juli 2017 luidt, voor zover van belang, als volgt:

Tijdens het onderzoek heeft mevrouw [naam 1]- aangegeven dat haar vader voor een aantal jaren niet betrokken was bij de onderneming in verband met ziekte. Haar vader is een paar maanden geleden overleden en ze zijn in het proces om [De Pers] te gaan verkopen.

Zij gaf aan dat de laatste jaren de heer […][eiser] […] de dagelijkse leiding had van de onderneming. […]

Mijn constateringen:

  • -

    Conform KVK met het nummer 1924 is de heer [naam 2] de directeur […]

  • -

    Conform VZL 2014 is de heer […][eiser] de directeur […]

  • -

    Uit het debiteurenoverzicht blijkt dat de openstaande bedragen aan belastingschuld met name zijn gestart vanaf 2014. […] Opgemerkt dient te worden dat in het jaar 2014 de heer […][eiser] directeur is van [De Pers].

[…]

Conclusie:

Naar mijn mening kan de Ontvanger overwegen om de bestuurder (de heer [eiser]) hoofdelijk aansprakelijk te stellen wegens onbehoorlijk bestuur. Naar mijn oordeel is er sprake van onbehoorlijk bestuur voor de volgende redenen:

  • -

    het is aan het bestuur verwijtbaar dat er een grote belastingschuld is ontstaan;

  • -

    het bestuur heeft haar betalingsonmacht niet gemeld aan de fiscus.

2.7.

Op 13 september 2017 heeft de deurwaarder dwangbevelen doen betekenen aan het adres van [eiser] ter zake van de belastingschulden van De Pers. Bij die gelegenheid is tevens executoriaal beslag gelegd op roerende zaken van [eiser].

2.8.

Op 25 oktober 2017 heeft [eiser] op de voet van artikel 4 van de Landsverordening Dwanginvordering verzet aangetekend tegen de beslaglegging.

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, opheffing van het door de Ontvanger gelegde executoriale beslag, althans veroordeling van de Ontvanger tot het opheffen van dit beslag, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, kosten rechtens.

3.2.

De Ontvanger heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], veroordeling van [eiser] tot het gehengen en gedogen van de tenuitvoerlegging van de beslagen, omzetting van het conservatoir bodembeslag in een executoriaal beslag en veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

4 De beoordeling

4.1.

[Eiser] heeft gesteld dat hij ernstig nadeel ondervindt van het beslag op zijn onroerende zaken. Gedaagde heeft dit niet weersproken. Daarmee is het spoedeisend belang in voldoende mate gegeven.

4.2.

Het executoriaal beslag is gelegd voor diverse belastingschulden van De Pers, die De Pers is verschuldigd op grond van uiteenlopende belastingregelingen. De verschillende verordeningen zijn genoemd in de diverse akten van betekening zoals die door de deurwaarder op het adres van [eiser] zijn achtergelaten. Al deze verordeningen hebben gemeen dat daarin, behalve de desbetreffende belastingplichtige (in dit geval De Pers), de bestuurder van de belastingplichtige wordt vermeld als degene die naast de belastingplichtige zelf hoofdelijk aansprakelijk is voor de desbetreffende belastingschuld. Dit heeft tot gevolg dat de Ontvanger de mogelijkheid van invordering door middel van dwangschriften als bedoeld in de Landsverordening Dwanginvordering ook ten aanzien van die bestuurder kan benutten. Dit alles staat tussen partijen niet ter discussie.

4.3.

In de onderhavige procedure staat vast dat [eiser] niet geldt als bestuurder in formele zin. De Ontvanger stelt zich echter op het standpunt dat hij de bevoegdheid tot dwanginvordering ook jegens hem heeft, omdat hij heeft te gelden als feitelijk bestuurder. Hij beroept zich in dat verband op het in 2.6 weergegeven rapport van de stichting belastingaccountantsbureau. Ook heeft de Ontvanger gewezen op de omstandigheid dat [eiser] in de verzamelloonstaat over 2014 vermeld staat als directeur en dat hij bij de SVB staat geregistreerd met de functie van “manager”. Aan de gevorderde opheffing van het executoriaal beslag heeft [eiser] ten grondslag gelegd het standpunt dat in de belastingwetgeving geen grondslag is voor gebruikmaking van de invorderingsbevoegdheden ten aanzien van een feitelijk beleidsbepaler en voorts dat [eiser] niet als zodanig beschouwd kan worden.

4.4.

De aansprakelijkheid van een feitelijk beleidsbepaler voor belastingschulden van een vennootschap volgt niet met zoveel woorden uit de desbetreffende verordeningen (anders dan voor wat betreft de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor het boedeltekort van een failliete vennootschap (zie artikel 2:16 lid 9 BW) en anders dan in vergelijkbare fiscale regelgeving uit Nederland en Aruba). Het gerecht sluit echter niet uit dat het begrip ‘bestuurder’ in de onderhavige verordeningen zo moet worden gelezen dat dit ook ziet op degene die feitelijk de vennootschap heeft bestuurd. Een beslissing hierover kan echter in het midden blijven, nu in dit geval niet kan worden aangenomen dat [eiser] als zodanig heeft gehandeld. Daartoe overweegt het gerecht het volgende.

4.5.

Om een persoon die niet formeel tot bestuurder van een belastingplichtige vennootschap is benoemd gelijk te stellen met de formele bestuurder, zal het naar voorlopig oordeel moeten gaan om iemand die een zodanige onafhankelijkheid en beslissingsvrijheid heeft gekregen dat deze persoon in feite het beleid van de vennootschap bepaalt. Er moet sprake zijn van een directe bemoeienis met het bestuur alsof hij zelf ook in formele zin de bestuurder is. Het gerecht neemt tot uitgangspunt dat niet al te spoedig sprake zal zijn van een met de formele bestuurder vergelijkbare feitelijk beleidsbepaler, omdat anders de kring van personen die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de belastingschulden van de vennootschap te ruim wordt getrokken. Het is in beginsel aan de Ontvanger om voldoende feiten en omstandigheden te stellen die kunnen leiden tot de conclusie dat, naar voorlopig oordeel, de betrokken persoon heeft te gelden als feitelijk beleidsbepaler.

4.6.

In het onderhavige geval heeft de Ontvanger geen concrete feiten gesteld die betrekking hebben op de gang van zaken in de bedrijfsuitoefening bij De Pers die er op wijzen dat in feite [eiser] de touwtjes in handen had. Zo is niet gebleken dat [eiser] typische bestuurshandelingen heeft verricht, zoals het sluiten van contracten namens de klant, het aannemen en ontslaan van werknemers en het doen van betalingen namens De Pers. Hiertegenover heeft [eiser] gesteld dat hij voor al dergelijke handelingen altijd de instemming van [naam 2] nodig had, en dat dit niet anders was tijdens de ziekte van [naam 2]. Hij stemde dan ofwel op kantoor, ofwel thuis met [naam 2] af, aldus [eiser]. Ter zitting heeft [eiser] de juistheid ontkend van de opmerking in de in 2.6 weergegeven memo dat hij de laatste jaren “de dagelijkse leiding” van De Pers zou hebben gehad. Daarbij tekent het gerecht aan dat het belast zijn met de dagelijkse leiding nog niet betekent dat de desbetreffende leidinggevende ook gelijk moet worden gesteld met een bestuurder. Het vervullen van een positie als bedrijfsleider sluit immers niet uit dat voor de typische bestuurshandelingen afstemming met en instemming van de bestuurder nodig is.

4.7.

Verder heeft de Ontvanger gewezen op de vermelding van [eiser]’s functie van “directeur” op de verzamelloonstaat over 2014 en van zijn registratie als “manager” bij de SVB. Die laatste aanduiding is naar voorlopig oordeel irrelevant. De omschrijving “manager” is immers zeer algemeen en wordt voor tal van uiteenlopende functies gebruikt. Daaraan kan geen argument worden ontleend voor het standpunt dat [eiser] als feitelijk bestuurder heeft te gelden. Ten aanzien van de vermelding van de functie op de verzamelloonstaat heeft [eiser] ter zitting verklaard dat de functie-aanduiding op deze staten wordt ingevuld door de boekhouder en dat deze aanduiding onjuist is, omdat hij niet de positie had om zelfstandig beslissingen namens de vennootschap te nemen.

4.8.

Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat bij de huidige stand van zaken niet kan worden aangenomen dat [eiser] daadwerkelijk als bestuurder heeft gefungeerd. Concrete aanwijzingen daartoe met betrekking tot de dagelijkse gang van zaken ontbreken en [eiser] heeft de juistheid betwist van de omschrijving van zijn functie op de verzamelloonstaat. Voor nader onderzoek naar de feiten is in het kader van dit kort geding geen ruimte. Naar voorlopig oordeel is al met al niet gebleken van een positie van [eiser] die gelijk moet worden gesteld met die van de bestuurder van De Pers.

4.9.

Dit betekent dat naar voorlopig oordeel [eiser] niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de belastingschulden van de klant. Dit heeft tot gevolg dat de Ontvanger ten aanzien van [eiser] niet de bevoegdheid heeft om tot invordering van die belastingschulden over te gaan, zodat hij evenmin de bevoegdheid heeft om jegens [eiser] een dwangbevel uit te vaardigen en executoriaal beslag te leggen.

4.10.

De vordering tot opheffing van de executoriale beslagen is dus toewijsbaar.

4.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Ontvanger worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 450 aan griffierecht en op NAf 1.500 aan salaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

heft op het door de Ontvanger ten laste van [eiser] gelegde executoriaal beslag;

5.2.

veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op NAf 1.950;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.