Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:191

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
KG 82985/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding. Spoedeisend belang niet vereist voor nevenvorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in kort geding

in de zaak van:

MEDICARE CURAÇAO N.V.,

gevestigd te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

STICHTING SINT ELISABETH HOSPITAAL,

gevestigd te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S. Pendjol-Klarenbeek.

1 Het procesverloop

Eiseres heeft op 6 juni 2017 een verzoekschrift ingediend. Het kort geding is na uitstelverzoek behandeld op 26 september 2017. Alleen de gemachtigden zijn verschenen. Zij hebben de zaak bepleit en pleitnotities overgelegd. Vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

Voor de achtergrond van de zaak verwijst het Gerecht naar de eerder tussen partijen gewezen vonnissen in kort geding van 3 februari 2016 en 30 mei 2016. Ook dit kort geding betreft een incasso van onbetaald gebleven facturen voor door eiseres aan gedaagde geleverde geneeskundige middelen.

2.2

Na vermindering van eis vordert eiseres betaling van de volgende bedragen:

- april 2017 NAf 80.740,27

- juni 2017 NAf 129.121,36

- juli 2017 NAf 70.665,80

- augustus 2017 NAf 93.602,03 +

totaal NAf 374.129,46

vermeerderd met de door eiseres tot 1½ % per maand gemitigeerde contractuele rente vanaf 30 dagen na dagtekening van de facturen en vermeerderd incassokosten.

2.3

Gedaagde heeft de vordering grotendeels erkend. Gelet daarop, alsmede gelet op de onweersproken stelling van eiseres dat zij door het uitblijven van betaling in een uiterst precaire financiële situatie is komen te verkeren, heeft eiseres het in kort geding vereiste spoedeisend belang bij de door haar gevraagde veroordeling van gedaagde tot betaling van haar facturen.

2.4

Ten aanzien van de door eiseres gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten heeft gedaagde vooropgesteld dat deze vorderingen dienen te stranden wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Die eis kan voor deze nevenvorderingen echter niet separaat worden gesteld. Hoofdregel is dat als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld - hetgeen hier het geval is - de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering kan worden beslist (HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522). Er bestaat geen aanleiding hier van die hoofregel af te wijken.

2.5

De verschuldigdheid van de factuurbedragen is door gedaagde op zichzelf niet betwist, met dien verstande dat de in augustus 2017 gefactureerde bedragen volgens gedaagde nog niet opeisbaar zijn omdat tussen partijen een betalingstermijn van 60 dagen is afgesproken. Evenals in de vorige kort gedingen zal tot uitgangspunt worden genomen dat partijen een betalingstermijn van 60 dagen zijn overeengekomen. In hetgeen eiseres op dat laatste punt heeft aangevoerd, zijn onvoldoende aanknopingspunten gelegen voor haar stelling dat tussen partijen inmiddels een betalingstermijn van 30 dagen heeft te gelden. Dit brengt mee dat de facturen over augustus 2017 nog niet opeisbaar zijn. Gelet evenwel op het aanhoudend tekortschieten van gedaagde in haar betalingsverplichtingen, heeft eiseres reeds thans voldoende belang bij toewijzing - onder opschortende tijdsbepaling - van de betreffende bedragen over augustus 2017.

2.6

Ook in dit kort geding kan niet worden aangenomen dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over contractuele rente en over een procentuele vergoeding van incassokosten.

2.7

Toewijsbaar is de wettelijke rente over de factuurbedragen met ingang van het intreden van het verzuim, derhalve na ommekomst van de betalingstermijn van 60 dagen.

2.8

Gedaagde zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Dat sprake is geweest van zodanige buitengerechtelijke verrichtingen dat terzake een afzonderlijke vergoeding op zijn plaats is, is niet gebleken.

3 De beslissing

Het Gerecht,

rechtdoende in kort geding

3.1

veroordeelt gedaagde terzake de facturen over april, juni en juli 2017 aan eiseres te betalen NAf 280.527,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere factuur gerekend vanaf 60 dagen na de dagtekening daarvan tot de dag van voldoening;

3.2

veroordeelt gedaagde terzake de facturen over augustus 2017 aan eiseres te betalen NAf 93.602,03, steeds voor zover en zodra de betalingstermijn van 60 dagen na de dagtekening van de betreffende facturen onbenut is verstreken, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere factuur gerekend vanaf 60 dagen na de dagtekening daarvan tot de dag van voldoening;

3.3

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres gerezen, tot op heden begroot op NAf 7.500 aan griffierecht, NAf 357,95 aan oproepingskosten en NAf 1.500 voor salaris gemachtigde;

3.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.