Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:181

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
KG 83908/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Scheepsbeslag, Pauliana

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

de vennootschap naar het recht van Singapore

CH OFFSHORE LTD.,

gevestigd in Singapore,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.F. van den Heuvel,

--tegen--

de naamloze vennootschappen

1. KIGORIAK SHIPPING N.V.,

2. WHB SHIPPING N.V.,

3. FH N.V.,

4. DAMMERS SHIPMANAGEMENT N.V.,

gevestigd in Curaçao,

5. [GEDAAGDE 5],

6. [GEDAAGDE 6],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

verweerders,

gemachtigde: mr. M.Th. Aanstoot.

Partijen zullen hierna CH, Kigoriak, WHB, FH, Dammers, [gedaagde 5] en [gedaagde 6] genoemd worden. Verweerders gezamenlijk worden ook aangeduid als Kigoriak c.s.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, binnen gekomen op 4 oktober 2017;

- de aanvullende producties van CH;

- het cautioverzoek van Kigoriak c.s.;

- de producties van Kigoriak c.s.;

- de mondelinge behandeling van 27 oktober 2017;

- de door de advocaten van beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ter zitting hebben beide partijen laten weten dat de incidentele vordering geen behandeling behoeft, omdat het kantoor van de advocaat van CH zekerheid heeft gesteld voor de proceskosten.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Dammers, Lyshko en [gedaagde 5] zijn bestuurder van Kigoriak, WHB en FH.

2.2.

CH is eigenaar van het schip de Pearl.

2.3.

Tussen CH en Kigoriak is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Kigoriak de Pearl heeft gecharterd voor de duur van een jaar, met een optie tot verlenging met een periode van zes jaar. Laatstelijk is deze charterovereenkomst verlengd tot 28 februari 2019.

2.4.

Vanaf 21 januari 2013 garandeert FH de verplichtingen van Kigoriak jegens CH uit hoofde van de charterovereenkomst.

2.5.

In de loop van 2017 is discussie tussen CH en Kigoriak ontstaan over achterstallige huurbetalingen door Kigoriak en over het al dan niet vervroegd aan CH ter beschikking stellen van de Pearl.

2.6.

Bij brief van 7 augustus 2017 heeft de Engelse advocaat van CH onder andere het volgende aan Kigoriak bericht:

Despite repeated demands for payment and in breach of the Charterparty, hire in the sum of USD 5,349,698.35 remains unpaid. Interest thereon amounts to the sum of USD 497,042.58.

We further understand that, in breach of the Charterparty, on 5 June 2017 you have purported to deliver the Vessel to our clients. Our clients do not accept that you are entitled to redeliver the Vessel prior to the expiry of the charter period (which is February 2019), and consequently request that you comply with your obligations under the Charterparty during the remaining charter period.

2.7.

Blijkens een op 29 augustus 2017 gedateerde “Bill of Sale” heeft Kigoriak op die datum het haar in eigendom toebehorende schip de Kigoriak (hierna: het schip) verkocht aan WHB. Blijkens een “Memorandum of Agreement” gedateerd 29 augustus 2019 (het Gerecht neemt aan dat dit een verschrijving is en dat bedoeld is: 2017) is het schip verkocht voor een verkoopprijs van USD 500.000 en de “Dry Dock Costs as agreed in Additional Clause 19”. De overwegingen uit deze additionele bepaling luiden als volgt:

WHEREAS

( a) Within the period from 14 of July, 2017 up to 5 of August, 2017 the Vessel has been drydocked
and repaired by FAYARD A/S in Munkebo, Danmark. All repair works have been approved by
classification society Russian Maritime Register of Shipping.

( b) The costs for dry-dock and repairs costs amounted to USD 702,502.88, whereas the costs of

classification amounted to USD 92,992.44, in total USD 795,495.32 […]

  • -

    c) The Dry Dock Costs were advanced and paid by Femco-Management Ltd of the Russian
    Federation […] on behalf of Seller, so that Seller is indebted for this amount to Femco (the
    "Femco Debt").

  • -

    d) The Sellers has agreed to sell to the Buyers the Vessel for cash amount of USD 500,000.00 and the
    obligation by Buyers to take over the Femco Debt, so that the Purchase price of the Vessel amounts to
    USD 1,295,495.32 […], being USD 500,000.00 to be paid in cash to the Sellers and USD 795,40532 being the Dry Dock Costs to be paid to Femco.

( e) Femco has agreed to the take-over of the Femco Debt by Buyers, for which it will co-sign this
Additional Clauses.

2.8.

Op 7 september 2017 heeft CH in Polen conservatoir beslag laten leggen op het schip tot zekerheid voor haar vordering op Kigoriak. In het kader van dit beslag heeft de Poolse rechter de vordering van CH begroot op het bedrag ter zake van de achterstallige huur.

2.9.

Op 8 september 2017 heeft CH de “notice of arbitration” aan Kigoriak doen betekenen.

2.10.

Op 19 september 2019 heeft WHB in Polen opheffing van het beslag gevorderd, daartoe stellende dat zij reeds op 29 augustus 2017 de eigenaar van het schip is geworden. Deze procedure is nog aanhangig.

3 Het geschil

3.1.

CH vordert in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Kigoriak, WHB, Dammers en [gedaagde 6] hoofdelijk te veroordelen om de overdracht van het schip ongedaan te maken en het ertoe te leiden dat het schip binnen twee dagen na dit vonnis in de registers van Liberia weer op naam van Kigoriak gesteld wordt;

  2. Kigoriak, WHB, Dammers en [gedaagde 6] hoofdelijk te veroordelen met stukken onderbouwd te openbaren welk bedrag voor de overdracht van het schip is betaald en op welke bankrekening dit bedrag betaald is;

  3. Kigoriak, Dammers, [gedaagde 6] en [gedaagde 5] hoofdelijk te veroordelen met stukken onderbouwd te openbaren wat de bronnen van inkomsten van Kigoriak zijn, wat haar vermogensbestanddelen zijn en waar deze zich bevinden en/of geadministreerd worden;

  4. FH te verbieden zich anders dan in de normale bedrijfsuitoefening van enig vermogensbestanddeel te ontdoen en haar te gebieden te voorkomen dat haar dochterondernemingen dat doen totdat de vordering van CH op Kigoriak geheel geïncasseerd is of in arbitrage onherroepelijk is afgewezen;

  5. Kigoriak c.s. te verbieden CH als crediteur van Kigoriak te benadelen met enigerlei rechtshandeling waarbij Kigoriak of het schip is betrokken;

  6. een en ander op straffe van een dwangsom;

  7. Kigoriak c.s. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Kigoriak c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van CH in de proceskosten.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

Gelet op de woonplaats van Kigoriak, WHB, Dammers en FH en op de samenhang tussen de vorderingen op [gedaagde 6] en [gedaagde 5] met die op de overige gedaagden, staat de internationale bevoegdheid van het Gerecht terecht niet ter discussie.

4.2.

Kigoriak c.s. hebben erop gewezen dat tussen CH en Kigoriak in het kader van de charter arbitrage is overeengekomen, en daaraan heeft zij het standpunt verbonden dat dit Gerecht niet bevoegd is. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Dat genoemde partijen arbitrage zijn overeengekomen staat vast. CH heeft er echter, reeds bij verzoekschrift, op gewezen dat de arbitrageregels een voorlopige voorziening slechts mogelijk maken voor “small claims” en dat dit hier niet aan de orde is. Kigoriak c.s. heeft gesteld dat het hier wel om een “small claims”-procedure gaat. Enige onderbouwing van die stelling ontbreekt. Alleen al gelet op de omvang van de vordering van CH op Kigoriak (meer dan USD 10 miljoen), had een onderbouwing wel van Kigoriak verwacht mogen worden. Daarbij komt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat het arbitragebeding in het kader van de charter mede betrekking heeft op de onderhavige vordering in kort geding.

4.3.

CH heeft gesteld dat zij spoedeisend belang heeft bij de onderhavige vordering, omdat WHB in Polen een procedure tot opheffing van het beslag is begonnen en het beslag zal worden opgeheven als wordt uitgegaan van het Liberiaanse scheepsregister. Hiermee is naar het oordeel van het Gerecht in voldoende mate gebleken van spoedeisend belang. Weliswaar hebben Kigoriak c.s. op zichzelf aannemelijk gemaakt dat de procedure in Polen tot opheffing van het beslag vanwege betekeningsperikelen nog enige tijd zal duren, maar ook dan is niet aannemelijk dat een bodemprocedure voor die tijd zal kunnen zijn afgerond.

4.4.

Aan de vordering sub 1 heeft CH in het verzoekschrift het volgende standpunt ten grondslag gelegd. Het schip was het enige bekende vermogensbestanddeel van Kigoriak. Op het moment dat zij wist dat zij een substantiële schuld aan CH heeft, heeft Kigoriak het schip desondanks verkocht aan WHB. De verkoop heeft daarmee te gelden als paulianeus. Ook de koper, WHB, wist of behoorde te weten dat benadeling van CH het gevolg zou zijn van de verkoop van het schip. Kigoriak en WHB worden immers bestuurd door dezelfde (rechts)personen. Op grond van artikel 3:45 BW heeft CH de koopovereenkomst tussen Kigoriak en WHB dan ook rechtsgeldig vernietigd. De overdracht van het schip is inmiddels verwerkt in de scheepsregisters van Liberia. Als de Poolse rechter in het kader van de procedure tot opheffing van het beslag van die registers uitgaat, zal hij het beslag op het schip opheffen. Daarom heeft CH er belang bij dat Kigoriak c.s. het ertoe leiden dat de registratie van de overdracht in deze registers ongedaan wordt gemaakt.

4.5.

Het Gerecht zal in dit kort geding hebben te beoordelen of aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat de koopovereenkomst tussen Kigoriak en WHB daadwerkelijk aantastbaar is wegens paulianeus handelen. CH gaat er in dat verband van uit dat Curaçaos recht op de rechtshandeling tot eigendomsoverdracht van toepassing is. Kigoriak c.s. hebben dat bestreden. Zij hebben betoogd dat Liberiaans recht van toepassing is. Naar aanleiding van dat betoog heeft CH zich op het standpunt gesteld dat de eigendomsoverdracht met toepassing van Liberiaans recht kan worden “set aside” wegens “wrongful conveyance”. Met betrekking tot het toepasselijk recht overweegt het Gerecht het volgende.

4.6.

Het Gerecht neemt op grond van ongeschreven conflictenrecht tot uitgangspunt dat de zogenoemde lex causae van toepassing is op de vraag of de onderhavige rechtshandeling kan worden aangetast. Dat wil zeggen dat die vraag moet worden beantwoord aan de hand van het recht dat van toepassing is op de rechtshandeling waarbij de eigendom van het schip is overgegaan van Kigoriak naar WHB. Dit is een goederenrechtelijke rechtshandeling, die daarmee is onderworpen aan het goederenrechtelijk regime met betrekking tot het schip. Nu het hier gaat om een teboekstaand zeeschip, heeft naar algemeen aanvaard internationaal privaatrecht te gelden dat het goederenrechtelijk regime wordt beheerst door het recht van de staat waar het schip teboekstaat. Kigoriak c.s. hebben onbetwist gesteld dat dit Liberia is. De eventuele aantastbaarheid van de eigendomsoverdracht moet daarom naar Liberiaans recht worden beoordeeld.

4.7.

Het Gerecht gaat uit van de volgende bepalingen uit de Liberian Commercial Code 2010:

TITLE 7: CHAPTER 8 OF THE LIBERIAN CODE OF LAWS REVISED COMMERCIAL CODE - FRAUDULENT CONVEYANCE ACT

SUBCHAPTER 1: GENERAL PROVISIONS
[…]

§ 8.2. Definition of terms.

[…]

"Conveyance" includes every payment of money, assignment, release, transfer, lease, mortgage or pledge of tangible or intangible property, and also the creation of any lien or encumbrance. The enforceability of this provision is however subject to the limitations or requirements imposed by section 1.9, Chapter 1 of this Title 7.

[…]

SUBCHAPTER 2: CONVEYANCE CONSIDERATION AND INSOLVENCY

[…]

§ 8.4. Fair consideration.

Fair consideration is given for property, or an obligation

  • -

    a) When in exchange for such property, or obligation, as a fair equivalent therefor, and in good faith, property is conveyed or an antecedent debt is satisfied, or

  • -

    b) When such property, or obligation is received in good faith to secure a present advance or antecedent debt in amount not disproportionately small as compared with the value of the property, or obligation obtained.

[…]

SUBCHAPTER 3: CONVEYANCE WITH INTENT TO DEFRAUD

§ 8.6. Conveyance by person in business.

Every conveyance made without fair consideration when the person making it is engaged or is
about to engage in a business or transaction for which the property remaining in his hands after the conveyance is an unreasonably small capital, is fraudulent as to creditors and as to other persons who become creditors during the continuance of such business or transaction without regard to his actual intent.

§ 8.8. Conveyance made with intent to defraud.

Every conveyance made and every obligation incurred with actual intent, as distinguished from intent presumed in law, to hinder, delay, or defraud either present or future creditors, is fraudulent as to both present and future creditors.

[…]

SUBCHAPTER 4: RIGHTS OF CREDITORS
§ 8.10. Rights of creditors whose claims have matured.

Where a conveyance or obligation is fraudulent as to a creditor, such creditor, when his claim has matured, may, as against any persons except a purchaser for fair consideration without knowledge of the fraud at the time of the purchase, or one who has derived title immediately from such a purchaser,

( a) Have the conveyance set aside or obligation annulled to the extent necessary to satisfy his claim, or

[…]

§ 8.11. Rights of creditors whose claims have not matured.

When a conveyance made or obligation incurred is fraudulent as to a creditor whose claim has not matured, he may proceed in a court of competent jurisdiction against any person against whom he could have proceeded had his claim matured, and the court may,

[…]

( c) Set aside the conveyance or annul the obligation or

[…]

4.8.

Om te komen tot aantastbaarheid van de koopovereenkomst is naar Liberiaans recht dus nodig de afwezigheid van een “fair consideration” dan wel de “actual intent” om de schuldeiser te benadelen.

4.9.

Uit de stukken die betrekking hebben op de verkoop van het schip door Kigoriak aan WHB (zie onder andere de in 2.7 aangehaalde stukken) kan in beginsel worden afgeleid dat de koopsom voor het schip ruim USD 1,3 miljoen is geweest. Door beide partijen zijn taxatierapporten overgelegd waaruit volgt dat deze koopsom de huidige getaxeerde waarde overschrijdt. Met CH is het Gerecht echter voorshands van oordeel dat in werkelijkheid niet van deze prijs kan worden uitgegaan. Daartoe overweegt het Gerecht als volgt.

4.10.

De koopsom voor het schip valt blijkens de in 2.7 bedoelde stukken in twee delen uiteen. In de eerste plaats een rechtstreeks door WHB aan Kigoriak te betalen bedrag van USD 500.000. Volgens die stukken zou dit bedrag direct op dezelfde dag als die waarop de koopovereenkomst is gesloten en de eigendomsoverdracht is gerealiseerd door WHB zijn betaald. Enig bewijs daarvoor, anders dan een verklaring opgesteld door WHB en Kigoriak, ontbreekt. Het Gerecht is van oordeel dat het verschaffen van enige vorm van bewijs van de gestelde betaling, gelet op de inzet van dit kort geding, in de rede had gelegen, nu de koopovereenkomst zelf spreekt van een betalingstermijn van negentig dagen en dus in beginsel niet voor de hand ligt dat de schuldenaar aanstonds zou hebben betaald.

4.11.

Het tweede deel van de koopsom bestaat uit een vergoeding van de ten behoeve van het schip gemaakte dokkosten. Deze zijn volgens Kigoriak c.s. gemaakt in opdracht van de scheepsmanager Femco Management Ltd. (hierna: Femco) die daarmee ten behoeve van Kigoriak heeft gehandeld. CH heeft onbetwist gesteld dat Femco tot de groep van [gedaagde 6] en [gedaagde 5] behoort. Volgens Kigoriak c.s. had Femco in dit verband een vordering op Kigoriak ter zake die dokkosten en heeft Kigoriak ervoor gekozen deze vordering te voldoen door middel van betaling van het daarmee gemoeide bedrag door WHB aan Femco. Uitgaande van deze lezing, constateert het Gerecht dat de vordering van Femco op Kigoriak is voldaan (door middel van de betaling van de koopprijs, ervan uitgaande dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden) voordat de vorderingen van de derden op Femco ter zake de docking-kosten opeisbaar werden. Uit de overgelegde stukken volgt namelijk dat een eerste deel van de kosten van het Deense Fayard (die veruit het grootste deel van de dokkosten betreffen) pas op 5 september 2017 opeisbaar werd.

4.12.

In dit verband constateert het Gerecht voorts, nog steeds uitgaande van de lezing van Kigoriak c.s., dat Kigoriak klaarblijkelijk een vordering van een vennootschap uit de eigen groep (Femco) heeft laten prevaleren boven een vordering van een derde (CH).

4.13.

Dit alles roept zoveel vragen op omtrent het realiteitsgehalte van de gestelde koopsom en de betaling daarvan dat van Kigoriak c.s. verwacht had mogen worden een en ander van een deugdelijke verklaring te voorzien. Dat hebben zij niet gedaan. Kigoriak c.s. hebben concreet betoogd dat er een zakelijke reden was voor de verkoop van het schip aan WHB, maar daarmee zijn de hier bedoelde vragen niet opgehelderd. Zonder verklaring blijft dan immers om welke reden de gestelde betalingen zo ruim voor de opeisbaarheid ervan zijn verricht, mede in het licht van het algemeen bekende feit dat bedragen van een omvang als hier aan de orde in de regel niet (ruim) voor afloop van de betalingstermijn worden betaald. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd leiden het Gerecht tot het voorlopige oordeel dat geen sprake is geweest van “fair consideration”. Deze conclusie wordt versterkt door het gegeven dat de koopovereenkomst tot stand kwam kort nadat Kigoriak door CH gesommeerd was tot betaling van de huurachterstand. Nu voorts als onbetwist vast staat dat het schip het enige vermogensbestanddeel van Kigoriak was, is voldoende aannemelijk dat de overdracht “fraudulent” is jegens CH en daarmee vatbaar om te worden “set aside” in de zin van de hierboven weergegeven bepalingen.

4.14.

Omdat partijen in hun stukken vooral zijn ingegaan op artikel 3:45 BW, overweegt het Gerecht ten overvloede dat toetsing aan deze bepaling niet tot een ander resultaat zou hebben geleid. Uit hetgeen hiervoor is overwogen moet immers worden afgeleid dat Kigoriak bij het tot stand brengen van de koopovereenkomst wist of in elk geval behoorde te weten dat daarvan benadeling van CH in haar verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn. Die wetenschap moet ook bij WHB geacht worden aanwezig te zijn geweest, nu achter beide vennootschappen immers dezelfde (rechts)personen staan. Dat er een zakelijke reden bestond voor het tot stand brengen van de koopovereenkomst, laat onverlet dat de rechtshandeling onverplicht was in de zin van die bepaling. Toetsing aan deze betaling maakt dus aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de koopovereenkomst vernietigbaar is.

4.15.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aanleiding bestaat een voorziening te treffen die de feitelijke toestand zoveel mogelijk in overeenstemming brengt met de naar het voorlopig oordeel werkelijke rechtsverhouding van partijen. Aannemelijk is dat daarvoor de door CH gevorderde wijziging van het Liberiaanse register nodig is. Daarom zal de vordering onder 1 in zoverre worden toegewezen dat Kigoriak en WHB worden veroordeeld het daarheen te leiden dat het schip in de registers van Liberia weer op naam van Kigoriak wordt gesteld. Anders dan Kigoriak c.s. menen, is dit geen constitutieve uitspraak. De rechtstoestand als zodanig wordt immers niet gewijzigd. De hier bedoelde voorziening komt bij een andersluidend oordeel te vervallen. Nu de rechtstoestand als zodanig niet wijzigt, staat de relatieve werking van de vernietiging op grond van artikel 3:45 BW niet aan deze voorziening in de weg.

4.16.

Aan het belang van CH bij de hier bedoelde voorziening doet niet af dat zij, zoals Kigoriak c.s. onbetwist hebben gesteld, beschikt over een garantie in contanten van USD 3 miljoen alsmede over een garantie gesteld door FH. In dat verband is van belang dat alleen al de vordering ter zake achterstallige huur bijna USD 5,6 miljoen beloopt en dat Kigoriak c.s. die vordering niet gemotiveerd hebben betwist (de betwisting in tweede termijn tijdens de zitting is niet gemotiveerd). Deze vordering overstijgt dus de garantie in contanten ruimschoots. Het had voorts op de weg van Kigoriak c.s. gelegen om, als zij menen dat de garantie van FH volstaat, dit gemotiveerd naar voren te brengen. Dat hebben zij echter niet gedaan.

4.17.

De vordering is niet toewijsbaar jegens Dammers en [gedaagde 6]. Zij zijn geen partij bij de koopovereenkomst en niet valt in te zien op grond waarvan zij niettemin gehouden zouden zijn de inschrijving in het Liberiaanse register te wijzigen.

4.18.

De termijn waarbinnen aan het bevel voldaan moet zijn zal bepaald worden op twee weken na betekening van dit vonnis aan Kigoriak en WHB. In dat verband geldt enerzijds dat aannemelijk is dat enige tijd gemoeid zal zijn met het regelen van de wijziging van de registratie, terwijl anderzijds aannemelijk is dat het beslag op het schip niet binnen die termijn zal worden opgeheven.

4.19.

Het Gerecht ziet redenen om een dwangsom op te leggen. Deze dwangsom zal worden gesteld op de bedragen en op het maximum zoals in het dictum weergegeven.

4.20.

De vorderingen onder 2 en 3 strekken tot het verkrijgen van verhaalsinformatie. Met deze vorderingen beoogt CH informatie te verkrijgen omtrent vermogensbestanddelen van Kigoriak c.s., zodat CH zich daarop kan verhalen. CH heeft geen grondslag aangedragen voor deze vordering, anders dan te verwijzen naar een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (vonnis van 20 mei 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ8989) en via dat vonnis op de eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen jegens elkaar in acht hebben te nemen. Het Gerecht constateert dat gelet op de beslissing op de vordering onder 1 de verhaalsmogelijkheid van CH herleeft. CH heeft daarom geen belang bij deze vorderingen, zoals zij ter zitting ook heeft verklaard.

4.21.

De vorderingen onder 4 en 5 heeft CH niet onderbouwd. Voor zover uit haar stellingen moet worden afgeleid dat deze vorderingen zijn gebaseerd op de gedachte dat Kigoriak c.s. gehouden is om het vermogen van de gehele groep intact te houden totdat de vordering van CH op Kigoriak geheel is voldaan, geldt dat de vordering te ruim en te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te komen. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.22.

Het Gerecht beschouwt Kigoriak c.s. als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Zij zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten. De (separate) betekeningskosten ten aanzien van [gedaagde 6] en [gedaagde 5] dienen voor rekening van CH te blijven, nu zij ten onrechte in dit geding zijn betrokken. Nu aldus de proceskosten gedeeltelijk worden gecompenseerd, bestaat geen grond voor toekenning van nakosten. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

veroordeelt Kigoriak en WHB hoofdelijk het daarheen te leiden dat het schip binnen twee weken na betekening aan hen van dit vonnis in de registers van Liberia weer op naam van Kigoriak gesteld wordt, een en ander op straffe van een dwangsom van USD 10.000 voor iedere dag dat Kigoriak en WHB met de nakoming van dit bevel in gebreke blijven, met een maximum van USD 500.000;

5.2.

veroordeelt Kigoriak c.s. in de proceskosten van CH, tot op heden begroot op NAf 717,61 aan betekeningskosten, NAf 450 aan griffierecht en NAf 1.500 ter zake van salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van twee weken na datum van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of overigens gevorderde.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.