Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:175

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
AZ 83232/2017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet na onaangekondigd vertrek naar buitenland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[VERZOEKER],

wonende in Curaçao,

verzoeker,

gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski,

tegen

de naamloze vennootschap

KPMG BEHEER N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. C.F. Drommond- Oonincx.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en KPMG genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1. [

verzoeker] heeft op 7 juli 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. KPMG heeft op 18 oktober 2017 een verweerschrift met producties ingediend. KPMG heeft bij brief van 13 oktober 2017 aan mr. C.F. Drommond-Oonincx volmacht gegeven om haar te vertegenwoordigen in deze zaak. Het verzoek is behandeld op

24 oktober 2017. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Partijen is aangezegd dat het Gerecht een beschikking zal geven.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

Verzoeker] is met ingang van 1 september 2016 voor de duur van twee jaar in dienst getreden bij KMPG als Assistant.

2.2.

Op zaterdag 4 februari 2017 raakte [verzoeker] op de hoogte van een in zijn visie spoedeisende gezinskwestie te Santo Domingo. Dit had te maken met zijn vader die aldaar een apotheek runt en zich geconfronteerd zag met een rechtszaak van een werknemer.

2.3. [

Verzoeker] boekte vlak na middernacht (van zondag op maandag) op 6 februari 2017 een ticket naar Santa Domingo om naar Santo Domingo te reizen op 6 februari en terug op 12 februari 2017.

2.4.

Op 6 februari 2017 heeft de moeder van [verzoeker] op zijn verzoek contact gezocht met KPMG om de afwezigheid van [verzoeker] uit te leggen.

2.5.

Op 6 februari 2017 om 15.35 uur verzond [verzoeker] een email aan zijn performance manager bij KPMG, de heer [naam], waarin onder meer staat:

As noticed, I’m not present today at KPMG. I’m currently in the Dominican Republic with my dad to solve an urgent business matter in front of a judge.

2.6.

Op 7 februari 2017 ontving [verzoeker] per email een brief van KPMG van dezelfde datum van Newton (de directeur) waarin - in de kern – staat dat [verzoeker] ongeloorloofd afwezig is en dat er de schijn is dat [verzoeker] nevenwerkzaamheden verricht. Voorts wordt hij gesommeerd om zich op 9 februari 2017 te melden bij HR.

2.7.

Op 9 februari 2017 meldde [verzoeker] zich bij HR. Vervolgens vond een gesprek plaats met [verzoeker] in de vorm van een directievergadering, waarin [verzoeker] om uitleg werd gevraagd. [verzoeker] meldde onder meer dat het ging om een urgent business matter van zijn vader en dat hij zijn vader bijstand wilde verlenen. Aan [verzoeker] is vervolgens medegedeeld dat hij is ontslagen op staande voet.

2.8.

Dit ontslag is schriftelijk bevestigd in de brief van 9 februari 2017 van KPMG waarin onder meer staat:

Gezien het bovenstaande zijn voormelde zaken, derhalve zowel het niet geoorloofd afwezig zijn van kantoor, het niet melden bij mevrouw [naam 2] om 8.00 uur hedenochtend conform redelijk verzoek, alsmede het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, ieder afzonderlijk en gezamenlijk, grond om per direct u op staande voet te ontslaan.

2.9.

Per brief van 15 februari 2017 heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

3 Het geschil

3.1. [

verzoeker] verzoekt het Gerecht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven,

a- voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet nietig is;

b- KPMG te veroordelen tot wedertewerkstelling van [verzoeker];

c- KPMG te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallig loon tot heden, te vermeerderen met de vertragingsrente;

d- KPMG te veroordelen tot doorbetaling van het loon totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;

e- te verklaren voor recht dat [verzoeker] aan KPMG geen restitutie is verschuldigd van de door KPMG ten behoeve van [verzoeker] uit welke hoofde dan ook in het kader van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gemaakte kosten, waaronder opleidingskosten en verhuiskosten, ook al zou het Gerecht oordelen dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is;

f- KPMG te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [

Verzoeker] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er geen dringende reden is voor ontslag op staande voet. Hooguit heeft hij wellicht een inschattingsfout gemaakt die hem, mede gezien zijn betrekkelijke onervarenheid, vergeven zou moeten worden. Ontslag op staande voet is in ieder geval niet proportioneel.

3.3.

KPMG heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Beoordeeld dient te worden of de dienstbetrekking is geëindigd om een dringende aan de wederpartij onverwijld medegedeelde reden. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de arbeider, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren (artikel 1615o lid 1 en 1615p lid 1 BW).

4.2.

Vast staat dat [verzoeker] zich niet heeft gehouden aan de binnen KPMG geldende voorschriften betreffende afwezigheid. Hij had zijn voorgenomen afwezigheid, zoals is opgenomen in de Staff manuel van KPMG, van te voren moeten melden en hiervoor toestemming moeten vragen. [verzoeker] heeft dit nagelaten.

4.3. [

Verzoeker] heeft als reden hiervoor aangegeven dat hij pas rond middernacht van zondag op maandag de beslissing nam om naar zijn vader toe te gaan. Hij kon dat gezien de dag en het tijdstip niet meer van tevoren overleggen met KPMG. Hij had de overtuiging dat hij echt moest gaan om zijn vader moreel te ondersteunen en van advies te dienen, aldus [verzoeker].

4.4.

Mede in verband met het op dat punt door KPMG gevoerde verweer overtuigt dit niet. Het is moeilijk aan te nemen dat enerzijds voor [verzoeker] reeds vanaf 4 februari 2017 bekend was dat zijn vader een zakelijk probleem had en dat hij anderzijds pas een paar uur vóór zijn daadwerkelijke vlucht op 6 februari 2017 beslist om naar Santo Domingo te gaan. Het ligt eerder in de lijn der verwachting dat [verzoeker] dat al eerder overwoog. Niet begrijpelijk is in dat licht dat hij daarover niet eerder met KPGM contact heeft opgenomen. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij beschikte over telefoonnummers en emailadressen van leidinggevenden / HR en dat het bij KPMG normaal is om ook buiten kantoortijden contact te hebben met elkaar. Hij had dus tijdig contact op kunnen nemen over de kwestie. Hij heeft er evenwel voor gekozen om te vertrekken zonder voorafgaand overleg en/of toestemming en om KPMG hierover pas in te lichten als dat een voldongen feit zou zijn. KPMG heeft onderbouwd en gemotiveerd naar voren gebracht dat voor haar van belang is dat werknemers openheid van zaken kunnen geven en stipt werken. De handelwijze van [verzoeker] strookt niet met die uitgangspunten. Ook nadat [verzoeker] de gelegenheid kreeg om uit te leggen waarom hij zonder overleg / toestemming was vertrokken naar Santo Domingo werd voor KPMG de noodzaak voor dit plotselinge vertrek onder werktijd niet duidelijk. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] dat evenmin kunnen uitleggen. Dit alles in ogenschouw nemend noopt tot de conclusie dat het redelijkerwijze niet van KPMG gevergd kon worden om de dienstbetrekking voort te laten duren.

4.5.

Het debat over het wel of niet tijdig aanwezig zijn voor het gesprek met de HR medewerker op 9 februari 2017 behoeft gezien het bovenstaande geen bespreking meer. De vorderingen onder a- tot en met d- worden afgewezen.

4.6.

De vordering onder e- wordt eveneens afgewezen. Partijen hebben hierover ter zitting geen voldragen debat gevoerd, noch is bekend of KPMG daadwerkelijk kosten en/of schade bij [verzoeker] in rekening zal brengen.

4.7.

In de verhouding van partijen ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst de vorderingen af;

- bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.