Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:173

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
AR KG 83938/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevel tot herinschrijving van medebestuurders van stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2018-0009
AR 2017/6249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in het kort geding van:

1 [EISER sub 1],

2. [Gedaagde sub 2]

beiden wonend te Curaçao,

eisers,

gemachtigde: mr. A.C. Small,

tegen

1 STICHTING KLEIN JERUZALEM,

2. [GEDAAGDE sub 1],

3. [GEDAAGDE sub 2],

gevestigd en wonend te Curaçao,

gedaagden,

gemachtigden: mrs. J.G. Giel en E.R. van Arkel.

1. Het verloop van de procedure

Eisers hebben op 9 oktober 2017 een verzoekschrift met stukken ingediend. Het kort geding is op 19 oktober 2017 behandeld. Partijen zijn verschenen, vergezeld van hun gemachtigden. De gemachtigden hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitnotities en hebben daarbij verwezen naar op voor hand overgelegde stukken.

Vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

In dit kort geding wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) De Stichting is in 1997 opgericht door [de oprichter en de oprichtster].

b) De doelstelling van de Stichting luidt:

  1. De Stichting heeft als doel het tijdelijk opvangen en begeleiden van zieke kinderen.

  2. Deze doelstelling dient te worden opgevat in de ruimste zin van het woord.

  3. De Stichting stelt zich op de grondslag van Gods onfeilbaar Woord van de Bijbel. Filosofie achter deze doelstelling is de opdracht van Jezus Christus om onze naaste lief te hebben als onszelf en God boven alles, en het omzien naar weduwen en wezen.

c) De Stichting drijft het Christelijk Kinderoord Siloam te Curaçao. Momenteel verblijven daar zes kinderen en komen er twee naar de dagopvang.

d) [De oprichter] was voorzitter van de Stichting. Op 19 april 2016 is [de oprichter] overleden. Op die dag heeft [gedaagde sub 1], die sinds maart 2016 in het bestuur zat, [de oprichter] als voorzitter opgevolgd. Ook [eiser sub 1] was bestuurslid, en wel sinds oktober 2015. In november 2016 zijn [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 2] toegetreden tot het bestuur. Het bestuur van de Stichting bestond vanaf toen uit het echtpaar [eisers] en het echtpaar [gedaagden].

e) Tussen het echtpaar [eisers] en het echtpaar [gedaagden] zijn verschillen van inzicht ontstaan over (onder meer) de door de Stichting te varen koers. Hierop hebben zij de in artikel 10 van het Huishoudelijk Regelement voorgeschreven regeling voor conflictsituaties gevolgd en hebben zij ieder een bemiddelaar gekozen, waarna die bemiddelaars gezamenlijk een derde bemiddelaar hebben aangewezen. De bemiddeling heeft geen succes gehad. De door het echtpaar [gedaagden] gekozen bemiddelaar en de derde bemiddelaar hebben zich teruggetrokken.

f) Op 18 augustus 2017 hebben [gedaagden] hun medebestuurders [eisers] in het handelsregister als bestuurder laten doorhalen en hebben zij [naam nieuw bestuurslid] als bestuurslid ingeschreven.

2.2 [

Eisers] vorderen, samengevat, een bevel aan gedaagden om hen binnen twee dagen met onmiddellijke ingang weer als bestuurders in te schrijven en [naam nieuw bestuurslid] uit te schrijven, op straffe van een door [gedaagden] te verbeuren dwangsom, en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

2.3 [

Gedaagden] hebben de vordering bestreden.

3. De beoordeling

3.1

De wijze waarop het bestuurslidmaatschap eindigt is geregeld in artikel 8 van de statuten van de Stichting. Dit is onder meer het geval, voor zover hier relevant, bij ontslagneming op eigen verzoek en door ontslag conform het bepaalde in het Huishoudelijk Reglement.

3.2

Namens gedaagden is aangevoerd dat eisers bij hun e-mail van 23 mei 2017 hun ontslag hebben aangekondigd, welk ontslag door het [gedaagden] is aanvaard. Voor zover de betreffende e-mail al als een aankondiging van ontslagneming op eigen verzoek is aan te merken, geldt dat deze aankondiging is achterhaald door de ontwikkelingen nadien, waaronder de bemiddelingspoging, en door het aanblijven van het echtpaar [eisers] als bestuurders.

3.3

Het Huishoudelijk Reglement bepaalt in artikel 9 dat bestuursbesluiten worden genomen op basis van meerderheid van stemmen. Niet in geschil is dat binnen het bestuur geen meerderheid bestond voor het ontslag van het echtpaar [eisers] en/of voor de benoeming van [naam nieuw bestuurslid]. Evenmin is er sprake van een dwingend advies van bemiddelaars als bedoeld in artikel 10 van het Regelement op grond waarvan [gedaagden] bevoegd zouden zijn, niettegenstaande het ontbreken van een meerderheid, bedoelde besluiten te nemen.

3.4

Ter zitting hebben gedaagden ten aanzien van [eiseres sub 2] nog een beroep gedaan op artikel 6 lid 5 van het Reglement, dat bepaalt dat een nieuw bestuurslid een proeftermijn heeft van één jaar en vervolgens bij welbevinden wordt benoemd voor vier jaren. Ook hierin kunnen gedaagden niet worden gevolgd. Nergens blijkt uit dat deze bepaling (mede) ten grondslag heeft gelegen aan het besluit om [eiseres sub 2] te ontslaan en uit te schrijven of dat daarover in het bestuur - eisers inbegrepen - overleg is gevoerd. Bovendien geldt deze bepaling voor alle bestuursleden, is de proeftermijn van [eiseres sub 2] (en [gedaagde sub 2]) nog niet verstreken en zou ook hierover bij meerderheid van stemmen (of na een dwingend advies van de adviseurs) moeten worden beslist, hetgeen niet is gebeurd.

3.5

Op grond van het voorgaande moet in dit kort geding voorshands worden geoordeeld dat het besluit om eisers te schrappen als bestuurders en in hun plaats een andere bestuurder te benoemen in strijd is met de statuten van de Stichting en daarmee - ingevolge artikel 2:21 lid 2 Burgerlijk Wetboek - nietig. De grondslag van de vorderingen van eisers is derhalve deugdelijk.

3.6

Ook een belangenafweging kan niet in de weg staan aan toewijzing van de vordering van eisers. Eisers hebben er belang bij dat zij weer in staat worden gesteld hun bestuurstaken te hervatten om aldus de belangen van de Stichting en de kinderen naar hun inzicht te kunnen behartigen. In dit kort geding kan niet geoordeeld worden dat de Stichting en de kinderen die te Siloam wonen beter af zijn met een (tijdelijk) bestuur zónder het echtpaar [eisers] dan met een (tijdelijk) bestuur mét het echtpaar [eisers]. Daarbij betrekt het Gerecht in het bijzonder de omstandigheid dat [de oprichtster], die naar het Gerecht begrijpt de voogdij heeft over (een aantal van) de kinderen, zich blijkens de overgelegde verklaring van 7 september 2017 achter het echtpaar [eisers] schaart. Zij zal dat naar mag worden aangenomen mede doen met het oog op het welzijn van de aan haar toevertrouwde kinderen. Dat een zekere impasse in het bestuur van de Stichting zal herleven is evenmin grond om de vordering van eisers af te wijzen. Die impasse zal binnen het bestuur, eventueel na hervatting van de bemiddeling en desnoods via de rechter, moeten worden verholpen, niet door het onbevoegdelijk uitschrijven door de ene bestuurder van de andere.

3.7

Het gevorderde bevel zal derhalve worden toegewezen. Gedaagden zal een wat ruimere termijn voor voldoening aan het bevel worden gegund dan gevorderd. Over de dwangsom zal worden beslist als hierna omschreven.

3.8 [

Gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen. Voor een kostenveroordeling ten laste van de Stichting, voor zover door eisers beoogd, ziet het Gerecht geen grond.

4. De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

4.1

beveelt gedaagden om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis om door middel van het opmaken, ondertekenen en indienen van de daartoe voorgeschreven formulieren bij de Kamer van Koophandel:

a. a) [naam nieuw bestuurslid] met onmiddellijke ingang uit te schrijven als bestuurslid van de Stichting;

b) [eisers] met onmiddellijke ingang in te schrijven als bestuursleden van de Stichting, [eiser sub 1] als secretaris en [eiseres sub 2] als gewoon bestuurslid,

alles op straffe van een door ieder van gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3 te verbeuren dwangsom van NAf 500 voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan dit bevel te voldoen, met een maximum voor ieder van hen van NAf 10.000;

4.2

veroordeelt gedaagden sub 2 en 3 in de proceskosten, aan de zijde van eisers begroot op NAf 1.081,95 aan oproepingskosten, NAf 450 aan griffierecht en NAf 500 voor salaris gemachtigde;

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.