Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:170

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
EJ 83183/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Pensioen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6274
PJ 2018/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende in Curaçao,

verzoeker,

gemachtigden: mrs. M.J. Eisden en M. van Oorsouw-Hofhuis,

tegen

de naamloze vennootschap

Kompania di Distribushon di Awa i Elektrisidat di Korsou (KODELA) N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Aqualectra genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft op 30 juni 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Op 5 en 12 september 2017 heeft verzoeker aanvullende producties ingediend. Op 7 september 2017 heeft verzoeker een akte wijziging eis ingediend. Op 13 september 2017 heeft verweerster producties ingediend. Het verzoek is behandeld op 14 september 2017. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van (een) door hen overgelegde verweerschrift c.q. pleitnotities. Partijen is aangezegd dat het Gerecht een beschikking zal geven.

1.2.

De uitspraak is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2. [

verzoeker] is op 1 september 2005 in dienst van Aqualectra getreden als Controleur UVW/OVW.

2.3.

Laatstelijk was [verzoeker] werkzaam in de functie van Inspector Client Installations tegen een brutosalaris van NAf 5.634,= exclusief emolumenten. Verzoeker is en was lid van de vakbond.

2.4.

Op de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is de cao tussen Aqualectra en Sindikato di Trahadonan di Kodela (hierna te noemen: de cao) van toepassing. De laatste versie daarvan is de cao 2014-2017.

2.5.

Ingevolge artikel 8 lid 8 sub a van de cao (welke artikel vanaf 2005 qua formulering gelijk is gebleven) eindigt het dienstverband van de werknemer die deelnemer is van de Vidanova pensioenregeling, op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, dan wel op de eerste dag van de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt indien hij tot het einde van dat jaar wenst door te werken (hierna te noemen: pensioenbeding).

2.6.

Volgens de pensioenregeling van Vidanova is de pensioengerechtigde leeftijd 60 jaar.

2.7.

Met ingang van 1 maart 2013 is de wettelijke pensioenleeftijd in de landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering verhoogd van 60 jaar naar 65 jaar.

2.8.

Bij de cao personeel Aqualectra distribution 2014-2017 zijn partijen overeengekomen dat er, ter overbrugging van de verhoging van de AOV-pensioenleeftijd van 60 naar 65 jaar, een regeling zal worden getroffen voor een vorm van tegemoetkoming in de door de gepensioneerden te betalen AOV premie en de AOV uitkering in de jaren na pensionering conform de vigerende bedrijfspensioenregeling.

2.9.

Bij verklaring van 10 juni 2015 heeft [verzoeker] Aqualectra bericht dat hij per 31 december 2016 aangemeld wenste te worden als pensioengerechtigde bij bij Vidanova.

2.10.

Bij aangifte afbouwregeling ten behoeve van de aanstaande gepensioneerde van 25 januari 2016, heeft [verzoeker] verklaard dat hij vanaf 1 januari 2016 de maandag en vrijdag als arbeidsduurverkorting zal opnemen. Aqualectra is daarmee akkoord gegaan op 28 januari 2016.

2.11.

Verzoeker heeft op 28 mei 2016 de leeftijd van 60 jaar bereikt.

2.12.

Bij brief van 8 december 2016 heeft Aqualectra [verzoeker] bevestigd dat hij per 1 januari 2017 uit dienst zal treden wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

2.13.

Bij brief van 23 juni 2017 heeft de gemachtigde van verzoeker verzocht om hem weder te werk te stellen en loon door te betalen.

3 Het geschil

3.1. [

verzoeker] verzoekt het Gerecht, na wijziging van eis, om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

a. Voor recht te verklaren dat het aan verzoeker aangezegde ontslag nietig is;

b. Verweerster te veroordelen tot betaling van het salaris en alle overige emolumenten vanaf 1 januari 2017 met wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7A:1614 q BW en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

Subsidiair

c. Voor het geval het onder a) gevorderde worden afgewezen, voor recht te verklaren dat het aan verzoeker aangezegde ontslag kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 7A:1615s BW;

d. Verweerster te veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking van verzoeker bij verweerster vanaf 1 januari 2017, onder de fictie dat het dienstverband nimmer tot een einde is gekomen en aldus onder gelijke arbeidsvoorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom van NAf 500,= voor iedere dag dat verweerster na betekening van de beschikking in gebreke blijft met het herstellen van de dienstbetrekking;

e. En verweerster te veroordelen tot doorbetaling van het laatstverdiende salaris en de overeengekomen emolumenten vanaf 1 januari 2017, dit te vermeerderen met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7A:1614 q BW en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

Meer subsidiair

f. Voor het geval het onder a), b), d) en e) worden afgewezen, verweerster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding tot een bedrag van NAf 547.517,80, te weten het verlies aan inkomsten tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar) van verzoeker, dan wel een door uw Gerecht te bepalen billijke vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag;

g. Verweerster te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure waaronder het gemachtigdensalaris.

3.2. [

verzoeker] legt aan de vordering ten grondslag dat het pensioenbeding nietig is wegens strijd met vigerende wetgeving althans vanwege het verbod op leeftijdsdiscriminatie. Bovendien verkeert hij in goede gezondheid en is hij in staat zij werkzaamheden voort te zetten. Zo het beding niet nietig is heeft te gelden dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege het grote financieel nadeel wat wordt geleden.

3.3.

Aqualectra heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De insteek van verzoeker is dat de arbeidsovereenkomst met Aqualectra na 31 december 2016 gewoon heeft voortgeduurd, althans moet worden geacht te hebben voortgeduurd na 31 december 2016. Verweerster betwist zulks en stelt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege c.q. door wederzijds goedvinden is geëindigd per 31 december 2016.

4.2.

In het Verkeersvliegerarrest (HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3367) is tot uitgangspunt genomen dat bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, partijen een leeftijd kunnen overeenkomen waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Het komt daarbij aan op een beoordeling van de afspraken tussen partijen.

4.3.

In de onderhavige zaak hebben partijen bij cao afgesproken dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt dan wel op de eerste dag van de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt indien hij tot het einde van dat jaar wenst door te werken.

4.4.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat partijen daarbij geen pensioengerechtigde leeftijd zijn overeengekomen. De verwijzing naar de pensioenregeling tussen Aqualectra en Vidanova geldt niet als een afspraak tussen partijen. Daarbij moet het pensioenbeding zo worden uitgelegd dat partijen hebben afgesproken dat de pensioengerechtigde leeftijd zou samenvallen met de AOV leeftijd en eventuele wijzigingen daarop.

4.5.

Het Gerecht overweegt in dit kader als volgt. Uit artikel 8 lid 8 sub a van de cao 2014-2017, welke artikel na aanvang van de arbeidsovereenkomst met verzoeker over de jaren heen een gelijke formulering heeft gehouden, volgt dat het dienstverband van de werknemer die deelnemer is van Vidanova, eindigt op een, naar keuze van de werknemer, te bepalen termijn na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Niet is betwist dat deze leeftijd in het pensioenregeling van Vidanova is bepaald op 60 jaar. Aldus is de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt voor partijen, na de door werknemer gemaakte keuze, bepaalbaar.

4.6.

In artikel 34 lid 4 en 6 van voormelde cao is daarbij een overbruggingsregeling getroffen voor de door gepensioneerden te betalen AOV- en BVZ-premie en de AOV-uitkering in de jaren na pensionering conform de vigerende bedrijfspensioenregeling. Uitdrukkelijk is daarbij vermeld dat pensionering conform de vigerende bedrijfspensioenregeling op 60 jaar geschiedt. In het vijfde lid van voormeld artikel is afgesproken dat met ingang van 1 januari 2021 de pensioenleeftijd van het Aqualectra personeel geleidelijk doch in maximaal 3 jaar zou worden verhoogd tot de dan geldende AOV pensioenleeftijd.

4.7.

Gelet op het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het de bond en diens achterban bij het sluiten van de cao 2014-2017 duidelijk was dat de pensioenleeftijd 60 jaar was en dat dit ook zo zou blijven tot uiterlijk het jaar 2024. Aldus is na de verhoging van de AOV leeftijd op 1 maart 2013 nog gekozen voor een pensioenleeftijd van 60 jaar. Gelet op de bewoordingen van lid 5 van artikel 34 van de cao, staat vast dat het uitgangspunt van partijen daarbij was dat de pensioenleeftijd een andere leeftijd was dan de AOV pensioenleeftijd. Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in diens betoog dat het pensioenbeding door partijen zo moet worden uitgelegd dat met de pensioengerechtigde leeftijd, de AOV leeftijd en eventuele wijzigingen daarop was bedoeld. De berichten van 10 juni 2015 en 25 januari 2016 van verzoeker dat hij per 31 december 2016 met pensioen wilde gaan en verzoekt om arbeidsduurverkorting per 1 januari 2016, bevestigen daarbij dat hij er van op de hoogte was dat de pensioengerechtigde leeftijd 60 jaar was.

4.8.

Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het pensioenbeding tot discriminatie leidt op grond van leeftijd en derhalve in strijd is met artikel 3 van de Staatsregeling en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechte en Politieke Rechten. Het pensioenbeding is nietig, aldus verzoeker en derhalve de beëindiging van het dienstverband ook.

4.9.

Niet ter discussie staat dat het verbod op leeftijdsdiscriminatie verboden is, tenzij sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. In dit geval heeft te gelden dat partijen zijn overeengekomen, zoals hiervoor is overwogen, dat het dienstverband eindigt op de eerste dag van de maand volgende op, dan wel de eerst dag van de maand januari volgend op, het bereiken van de leeftijd van 60 jaar. Verzoeker heeft in dit verband bloot gesteld dat, nu de in het pensioenbeding bepaalde pensioenleeftijd onder de AOV-leeftijd ligt, geen sprake kan zijn van objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid.

4.10.

Van belang in deze is dat niet wordt betwist dat partijen een overbruggingsregeling zijn overeengekomen in de cao van 2014-2017 om de financiële nadelige gevolgen voor de werknemer die nu met 60 jaar met pensioen gaat terwijl eerst vanaf 65 jaar een AOV-uitkering wordt ontvangen, te compenseren. Weliswaar stelt verzoeker dat hij in inkomen achteruit is gegaan, maar van belang is daarbij dat door verzoeker niet is betwist dat hij eerst op 49-jarige leeftijd een bedrijfspensioen is gaan opbouwen. Het Gerecht houdt het er, gelet op het vorenstaande voor, dat de door verzoeker ervaren achteruitgang in inkomen te wijten is aan de (relatief) korte duur van de pensioenopbouw. Nu niet is betwist dat verzoeker momenteel hetzelfde ontvangt als hij zou hebben ontvangen als de AOV leeftijd ongewijzigd op 60 jaar was gebleven en nu verzoeker heeft nagelaten te onderbouwen waarom het gemaakte onderscheid, ondanks het vorenstaande, niet objectief gerechtvaardigd is, acht het Gerecht het gemaakte onderscheid op basis van leeftijd objectief gerechtvaardigd.

4.11.

Voor zover het vorenstaande geen stand zou houden, overweegt het Gerecht, mede in aanmerking nemende de, bij gebreke van lokale wetgeving ter zake van leeftijdsdiscriminatie, Nederlandse wetgeving en jurisprudentie, dat het onderscheid voorts objectief gerechtvaardigd kan worden geacht nu sprake is van een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Relevant in deze is dat onbetwist is gesteld dat Aqualectra, als gevolg van de ontwikkelingen op de lokale markt en in de utiliteitssector in zijn algemeenheid, genoodzaakt was haar business model aan te passen en meer te sturen op nieuwe technologieën en efficiency. Duidelijk was dat dit ook gevolgen zou hebben voor het personeelsbestand. Aqualectra stelt dat sprake is en was van een transitieperiode. Gekozen is voor een periode waarin personeel natuurlijk afvloeit en nieuw personeel met kennis en ervaring afgestemd op het aangepaste business model wordt aangenomen. Aqualectra is dit ook overeengekomen met de vakbond. De gemaakte afspraken zijn daarbij neergelegd in Protocols en in de cao van 2014-2017, waaronder ook de afspraak (artikel 35 lid 5 van de cao) om de pensioenleeftijd met ingang van 1 januari 2021 geleidelijk op te trekken.

4.12.

Niet betwist is dat Aqualectra, gelet op de uitdagingen die haar in de nabije toekomst te wachten staan, behoefte heeft aan personeel dat voldoet aan de eisen van de huidige en komende tijd en dat dan tegen aanvaardbare loonkosten. Bij het realiseren van dit doel wordt tevens tegemoet gekomen aan het belang van bevordering van werkgelegenheid voor instromend personeel en verdeling van de werkgelegenheid tussen de generaties. Een dergelijk doel is legitiem. Het handhaven van de pensioenleeftijd betekent dat interne doorstroming kan plaatsvinden en nieuw personeel kan worden aangenomen. Gelet op de gemaakte afspraken wordt het vorenstaande ook onderschreven door de vakbond. Nu tevens sprake is van een overbruggingsregeling om financieel nadeel voor de gepensioneerden te voorkomen, wordt het gekozen middel passend en noodzakelijk geacht. Een andere, minder vergaande, oplossing is niet gebleken. Gelet op het vorenstaande kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn stelling dat Aqualectra bezig is met een inkrimping zonder de geëindigde wegen te bewandelen.

4.13.

Op grond van het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat geen sprake is van een nietig ontslag. Sprake is van een beëindiging van het dienstverband van rechtswege op de eerst dag van de maand januari volgend op het bereiken door verzoeker van de leeftijd van 60 jaar. Van een kennelijk onredelijk ontslag kan dan ook geen sprake zijn. Tot het toekennen van de gevorderde schadevergoeding ziet het Gerecht, gelet op al het voor overwogene, evenmin aanleiding. Verzoeker wist bij aanvang van het dienstverband dat het de bedoeling was om met zijn 60e jaar met pensioen te gaan. Zonder nadere onderbouwing welke ontbreekt, valt niet in te zien dat verzoeker aanspraak kan maken op (schade ter zake) verlies van inkomen.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt verzoeker in de proceskosten, aan de zijde van Aqualectra tot op heden begroot op NAf 1.500,= aan gemachtigdensalaris,

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Scholte, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.