Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:168

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201600471
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende betaalt de op aangifte verschuldigde winstbelasting te laat, maar op Naf. 2.700 na, wel voordat een naheffingsaanslag is opgelegd. De Inspecteur legt een naheffingsaanslag op van Naf. 2.700 met een maximale verzuimboete van Naf. 7.300. Het Gerecht is van oordeel dat artikel 4.6, lid letter c van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht van toepassing is, waarin staat dat de verzuimboete 15% van de naheffingsaanslag bedraagt met een minimum van Naf. 1.000. De naheffingsaanslag is Naf. 2.700, zodat de (minimale) boete van Naf. 1.000 opgelegd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 21 november 2017

BBZ nr. CUR201600471

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ] N.V., gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, gevestigd in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 23 december 2014 een naheffingsaanslag

winstbelasting opgelegd over het jaar 2009 van Naf. 2.700 met een verzuimboete van Naf. 7.300.

1.2

Belanghebbende is op 23 februari 2015 tegen de boetebeschikking

in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 28 december 2015 uitspraak op bezwaar gedaan en het

bezwaar niet- ontvankelijk verklaard.

1.4

Belanghebbende is op 18 februari 2016 in beroep gekomen tegen de uitspraak

op bezwaar. Hierbij is griffierecht betaald van Naf. 150.

1.5

De Inspecteur heeft op 2 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6

Partijen zijn opgeroepen tot het bijwonen van een zitting op 23 februari 2017 te Willemstad. Door een misverstand is de zaak op die dag twee keer behandeld, een keer in aanwezigheid van de Inspecteur, [ A] en eenmaal in aanwezigheid van de gemachtigde, [ B ]. Van het verhandelde op de zittingen is een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen opgestuurd. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota overgelegd, die tegelijkertijd met het proces-verbaal van de zitting aan de Inspecteur is opgestuurd.

1.7

De Inspecteur heeft op 19 april 2017 gereageerd op het proces-verbaal van de zitting.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende heeft de aangifte winstbelasting over het jaar 2009 niet tijdig ingediend en de verschuldigde belasting niet tijdig betaald.

2.3

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 juli 2011 een

naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd ten bedrage van Naf. 18.000 en een verzuimboete van Naf. 2.700.

2.4

Belanghebbende heeft op 27 juli 2011 de aangifte winstbelasting over 2009 alsnog ingediend. De op basis van de aangifte verschuldigde belasting bedraagt Naf. 166.562.

2.5

Belanghebbende heeft op 28 juli 2011 een bedrag van Naf. 145.862 betaald. Het daarna nog openstaande bedrag aan verschuldigde winstbelasting bedraagt Naf. 2.700.

2.6

Op 23 december 2014 is voor het nog openstaande bedrag aan verschuldigde winstbelasting een naheffingsaanslag opgelegd. De tekst van het aanslagbiljet luidt (voor zover hier van belang):

“Naheffingsaanslag:

Verschuldigde belasting: Naf. 2.700,00

Boete: Naf. 7.300,00

Te betalen: Naf. 10.000,00”

De verzuimboete is opgelegd vanwege niet-tijdige betaling van de verschuldigde winstbelasting. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van een derde verzuim.

3 GESCHIL EN STANDPUNT PARTIJEN

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de boete tot het juiste bedrag is opgelegd. De Inspecteur meent van wel nu belanghebbende het gehele verschuldigde bedrag van Naf. 166.562 te laat heeft betaald en sprake is van een derde verzuim. In dat geval is volgens de Inspecteur de in artikel 19, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) vermelde maximale boete van Naf. 10.000 verschuldigd. Omdat al eerder een boete van Naf. 2.700 is opgelegd, is de boete terecht vastgesteld op Naf. 10.000 -/- Naf. 2.700 = Naf. 7.300. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de boete overeenkomstig artikel 4.7 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht moet worden beperkt tot 15% van de naheffingsaanslag van Naf. 2.700, ofwel Naf. 405. Belanghebbende beroept zich daarbij op de passage in het aanslagbiljet, waarin is vermeld dat de boete bij een derde verzuim wordt gesteld op 15% van het naheffingsbedrag. Ook verwijst belanghebbende naar de tekst van artikel 4.7 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (P.B. 2013-63; hierna: Regeling). Verder is in geschil of de Inspecteur aan de hoorplicht heeft voldaan en of recht bestaat op een integrale kostenvergoeding van de bezwaarfase.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1

Ingevolge artikel 29, lid 1 van de ALL kan de belanghebbende binnen twee maanden na de dagtekening van de voor bezwaar vatbare beschikking een bezwaar indienen bij de Inspecteur. Het bezwaarschrift is ter Inspectie ontvangen op 23 februari 2015 en is voorzien van een stempel. Het Gerecht is met partijen van oordeel dat het bezwaar tijdig is ingediend en dat belanghebbende ten onrechte niet- ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat het bezwaar ontvankelijk is. In zoverre is het beroep reeds gegrond.

Horen in de bezwaarfase

4.2

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om te worden gehoord. De Inspecteur is hieraan voorbij gegaan. Dat houdt in dat de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. De omstandigheid dat in de ogen van de Inspecteur slechts sprake is van een juridisch geschilpunt maakt dat niet anders. Belanghebbende heeft verzocht om in de zaak te voorzien, zodat het Gerecht hierna de zaak inhoudelijk zal beoordelen.

Boete

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat verschuldigde winstbelasting over 2009 te laat is betaald en dat dit een derde verzuim betreft. In artikel 19, lid 1 ALL is bepaald dat indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet (tijdig) heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de Inspecteur hem een boete van ten hoogste Naf. 10.000 kan opleggen.

4.4

De Minister van Financiën (hierna: de Minister) heeft in de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (P.B. 2013-63; hierna: Regeling) beleidsregels vastgesteld ter uitvoering van de in de ALL opgenomen boetebepalingen. In de artikelen 4.6 en 4.71 zijn de regels opgenomen over de verzuimboete bij te laat betalen van een aangiftebelasting. Het Gerecht zal nu eerst de vraag beantwoorden welke van die twee bepalingen in het onderhavige geval van toepassing is.

4.5

Artikel 4.6 van de Regeling geeft een algemene regeling voor het opleggen van een verzuimboete bij te late betaling van een aangiftebelasting. Artikel 4.7 vormt een inbreuk op die algemene regeling in het specifieke geval dat niet of te laat is betaald omdat te weinig is aangegeven. In dit geval vloeit de naheffingsaanslag niet voort uit het feit dat te weinig is aangegeven, maar hoogstens uit het feit dat te laat is aangegeven, hetgeen niet hetzelfde is. Gelet hierop is in het voorliggende geval artikel 4.6 van de Regeling van toepassing.

4.6

Ingevolge artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c, legt de Inspecteur bij niet (tijdige) betaling van de aangifte winstbelasting bij een derde verzuim “een boete op van 15% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van Naf. 1.000 en een maximum van Naf. 10.000”.

Het bedrag van de naheffingsaanslag is in het voorliggende geval Naf. 2.700. Dat is volgens het aanslagbiljet de verschuldigde belasting die in de naheffingsaanslag is begrepen. Gelet op de duidelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare tekst van artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c van de Regeling is in dat geval de boete 15% van Naf. 2.700 ofwel Naf. 405. Dit is lager dan het minimumbedrag zodat alsdan het minimumbedrag van Naf. 1.000 geldt. Als de Minister bedoeld had om de boete te berekenen als percentage van de te laat aangegeven belasting (overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur) dan had hij dat in de tekst tot uitdrukking moeten brengen. Nu hij dat niet gedaan heeft moet een burger erop kunnen vertrouwen dat de boete beperkt blijft tot 15% van de naheffingsaanslag (of het genoemde minimumbedrag). Dat zou slechts anders kunnen zijn indien toepassing van de letterlijke tekst zou leiden tot een zodanig ongerijmd resultaat dat belanghebbende daar in redelijkheid niet op had mogen en kunnen rekenen. Van die situatie is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake.

4.7

De stelling van de Inspecteur dat de naheffingsaanslag niet Naf. 2.700 bedroeg maar Naf. 148.562, wordt door het Gerecht verworpen, omdat zij geen steun vindt in de feiten en de wettelijke bepalingen. Op de naheffingsaanslag staat immers, afgezien van de boete, uitsluitend het bedrag van Naf. 2.700 vermeld. Dat is het bedrag dat wordt nageheven en de naheffingsaanslag vormt. Het Gerecht wijst in dit verband naar Hoge Raad 26 februari 2016, BNB 2016/79, waarin is beslist dat het niet mogelijk is belasting na te heffen die wel is betaald, maar waarvoor niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Het bedrag dat al betaald is voordat de onderhavige naheffingsaanslag werd opgelegd kan aldus niet in de naheffingsaanslag begrepen worden.

4.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt het Gerecht het standpunt van de Inspecteur. De verzuimboete dient te worden vastgesteld op het minimum bedrag van artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter c van de Regeling ofwel Naf. 1.000. Belanghebbende heeft betoogd dat de boete dient te worden vastgesteld op 15% x Naf. 2.700, omdat in de toelichting op de aanslag het minimumbedrag niet is genoemd. Het Gerecht verwerpt dit betoog. Nu de opgelegde boete hoger was dan het hiervoor vermelde minimumbedrag hoefde de Inspecteur dit bedrag niet te noemen. Het Gerecht overweegt daarbij dat uit de toelichting duidelijk afgeleid kan worden dat de Inspecteur de boete baseerde op artikel 4.6 van de Regeling en niet op artikel 4.7. In de toelichting is immers de verzuimenreeks genoemd en die geldt alleen bij artikel 4.6 van de Regeling.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Belanghebbende heeft in haar bezwaar- en beroepschrift verzocht om een proceskostenvergoeding.

Bezwaarfase

5.1.1

Ten aanzien van de vergoeding van de kosten van het bezwaar oordeelt het Gerecht als volgt.

Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL bestaat recht op een vergoeding van kosten van de bezwaarfase voor zover de voor bezwaar vatbare beschikking door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is genomen. Anders dan belanghebbende betoogt, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Gerecht bij het opleggen van de naheffingsaanslag en de boete niet ernstig onzorgvuldig gehandeld. De Inspecteur heeft immers een standpunt ingenomen, en in rechte verdedigd, dat weliswaar door het Gerecht onjuist is bevonden maar wel pleitbaar is. Gelet hierop bestaat geen recht op een vergoeding van kosten van de bezwaarfase.

Beroepsfase

5.2.1

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.2.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 1.400 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van Naf. 700, en een wegingsfactor van 1). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Het Gerecht verwerpt dit verzoek. Er bestaat slechts recht op integrale vergoeding van de kosten indien bijzondere omstandigheden afwijkingen van de forfaitaire regeling rechtvaardigen. Naar het oordeel van het Gerecht is van bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake.

6 GRIFFIERECHT

In artikel 18, lid 5 van de LBB is bepaald dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Het beroep inzake de winstbelasting over het jaar 2009 is gegrond zodat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht.

7 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de verzuimboete tot Naf. 1.000;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op Naf. 1.400;

  • -

    draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Naf. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

1 Beide bepalingen zijn gelijkluidend aan de overeenkomstige bepalingen (artikel 6, lid 2 en artikel 6a) van de Ministeriële beschikking administratieve boeten (P.B. 2001-148). Deze Beschikking was van toepassing in 2009.