Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:164

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201500693
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Inspecteur bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting en de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing op de juiste wijze rekening heeft gehouden met de heffingskortingen. Het Gerecht volgt het Hof in haar oordeel in de uitspraak ECLI:NL:OGHACMB:2017:39 dat de vermindering van inkomstenbelasting ter voorkoming van dubbele belasting voor gaat op de vermindering van de belasting ingevolge de heffingskortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 8 november 2017

BBZ nr. CUR201500693

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 8 mei 2015 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over het jaar 2011.

1.2

Belanghebbende is op 17 juni 2015 in bezwaar gekomen tegen de aanslag.

1.3

De Inspecteur heeft op 16 oktober 2015 uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 1 december 2015 pro forma in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Op 24 november 2016 heeft belanghebbende zijn pro forma beroepschrift gemotiveerd.

1.5

De Inspecteur heeft op 29 augustus 2016 een verweerschrift ingediend.

1.6

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 1 december 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A en namens belanghebbende de gemachtigde mr. B, verbonden aan Y.

1.7

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaak.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende is in 2011 ingezetene van Curaçao.

2.3

Belanghebbende heeft in het jaar 2011 een pensioenuitkering van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP- pensioen) genoten uit Nederland. Het ABP- pensioen bedraagt € 28.022 (Naf. 69.447) en de ingehouden loonheffing bedraagt €1.244 (Naf. 3.083).

2.4

De Inspecteur heeft op 8 mei 2015 een definitieve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen van Naf. 104.000 en een te betalen inkomstenbelasting van Naf. 4.760 (na aftrek loonbelasting Naf. 3.748).

3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

In geschil is of het verschuldigde bedrag aan belasting na aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op de juiste wijze is berekend. In het bijzonder is in geschil of bij de berekening van de aftrek van de voorkoming van dubbele belasting rekening moet worden gehouden met de heffingskortingen.

3.2

Niet in geschil is dat het bedrag van de heffingskortingen Naf. 2.846 bedraagt.

3.3

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de aftrek van de voorkoming van dubbele belasting de heffingskortingen geen rol spelen. De heffingskortingen worden toegepast nadat de belasting over het wereldinkomen is verminderd met de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

Belanghebbende berekent de verschuldigde inkomstenbelasting (alle bedragen in Naf.) als volgt:

Belastbaar inkomen 104.000

Belasting over wereldinkomen 28.450

Aftrek ter voorkoming

dubbele belastingheffing (69.447/104.000x 28.450) 18.997,76 -

Belasting 9.452,24

heffingskortingen 2.846 -

Verschuldigde belasting 6.606,24

Ingehouden loonbelasting 3.748 -

Nog te betalen inkomstenbelasting 2.858.24

3.4

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de aftrek van de voorkoming van dubbele belasting de heffingskortingen wel een rol spelen. De heffingskortingen komen – aldus de Inspecteur – in mindering op de berekende belasting over het wereldinkomen.

De Inspecteur berekent de verschuldigde inkomstenbelasting (alle bedragen in Naf.) als volgt:

Belastbaar inkomen 104.000

Belasting over wereldinkomen 28.450

Heffingskortingen 2.846 -

25.604

Aftrek ter voorkoming

dubbele belastingheffing (69.447/104.000x 25.604) 17.097 -

Verschuldigde belasting 8.507

Ingehouden loonbelasting 3.748 -

Nog te betalen inkomstenbelasting 4.759

3.5

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de BRK verleent Curaçao op de over het totale wereldinkomen berekende belasting een vermindering voor het ABP-pensioen die gelijk is aan het bedrag, dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het ABP-pensioen staat tot het totale wereldinkomen (het belastbare inkomen). De BRK verplicht Curaçao niet een verdergaande vermindering te verlenen dan in artikel 24, eerste lid, van de BRK is voorgeschreven.

4.2

Op 5 mei 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (het Hof) een uitspraak gewezen over de toepassing van de heffingskorting bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (ECLI:NL:OGHACMB:2017:39). In de uitspraak heeft het Hof beslist dat onder het begrip “berekende belasting” als bedoeld in artikel 24, eerste lid van de BRK, moet worden verstaan de belasting berekend volgens artikel 24 van de LvIB. Dit is de belasting die is berekend voordat de heffingskortingen zijn toegepast. De vermindering van inkomstenbelasting ter voorkoming van dubbele belasting gaat derhalve voor op de vermindering van de belasting ingevolge de heffingskortingen. Het gelijk is aan belanghebbende.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding.

Het Gerecht acht termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub a van het Besluit en de daarbij behorende bijlage worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire wijze berekend. In bijzondere omstandigheden kan ingevolge het derde lid van artikel 2 van het Besluit worden afgeweken van de forfaitaire berekeningswijze. Belanghebbende heeft verzocht om de Inspecteur voor een bedrag van € 850 in de kosten te veroordelen. Het Gerecht ziet echter geen reden om van de forfaitaire berekeningswijze af te wijken.

5.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 1.050 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en een 1/2 punt voor het verschijnen ter inlichtingencomparitie met een waarde per punt van Naf. 700, en een wegingsfactor van 1).

6 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

-verklaart het beroep inzake de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2011 gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting (na verrekening van de ingehouden belasting) van Naf. 2.858; en

-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op Naf. 1.050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.C.E. Winfield en mr. D.J. Jansen, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).