Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:161

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
EJ 82869/2017, EJ 82871/2017, EJ 82872/2017 en EJ 82873/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet ten onrechte gegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5923
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

In de zaken van:

[verzoeker sub 1],

[verzoeker sub 2],

[verzoeker sub 3],

[verzoeker sub 4],

allen wonende te Curaçao,

verzoekers,

gemachtigde: mr. S.P. Osepa,

tegen

de naamloze vennootschap

Steak & Ribs N.V.,

gevestigd te Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. H.W. Braam.

Partijen worden hierna respectievelijk [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 4] en Steak & Ribs genoemd.

1 Het procesverloop

Verzoekers hebben op 31 mei 2017, ieder voor zich, een verzoekschrift met producties ingediend. De verzoeken zijn, na uitstel op verzoek van partijen, behandeld op 29 augustus 2017. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn producties overgelegd zijdens verzoekers. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde verweerschrift c.q. pleitaantekeningen. Verweerster heeft voorts een zelfstandig tegenverzoek gedaan, waarop is gereageerd. Partijen is aangezegd dat het Gerecht een beschikking zal geven.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2. [

verzoeker sub 1] is op 5 maart 2012 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Steak & Ribs. [verzoeker sub 1] was werkzaam als tafelserveerder. Volgens [verzoeker sub 1] was zijn maandelijks nettoloon NAf 3.100,=. Volgens verweerster is het loon NAf 400,= per week.

2.3. [

verzoeker sub 2] is volgens eigen zeggen op 1 september 2009 voor onbepaalde tijd in dienst getreden als serveerder. Volgens verweerster is [verzoeker sub 2] in juni 2015 in dienst getreden. Volgens [verzoeker sub 2] was zijn maandelijks nettoloon NAf 2.080,=. Volgens verweerder is het loon van [verzoeker sub 2] NAf 400,= per week.

2.4. [

verzoeker sub 3] is op 17 december 2009 voor onbepaalde tijd in dienst getreden als bartender. Volgens [verzoeker sub 3] was zijn maandelijks nettoloon NAf 2.400,=. Volgens verweerster is het loon van [verzoeker sub 3] NAf 400,= per week.

2.5. [

verzoeker sub 4] is volgens eigen zeggen op 28 februari 2010 voor onbepaalde tijd in dienst getreden als bar supervisor. Volgens verweerster is [verzoeker sub 4] in februari 2012 in dienst getreden. In een brief gedateerd 20 oktober 2016 heeft Steak & Ribs geschreven dat [verzoeker sub 4] een netto maandelijks salaris verdient van NAf 2.500,34, aangevuld met een maandelijks variabele service charge en fooi. Ter zitting heeft verweerster gesteld dat het loon van [verzoeker sub 4] NAf 450,= per week is.

2.6.

Bij schrijven van 24 februari 2017 zijn verzoekers op staande voet ontslagen wegens het, tegen de afspraken in, in rekening brengen van een service charge bij klanten, welke service charge onder de werknemers werd verdeeld zonder dat Steak & Ribs hiervan op de hoogte was. Het vertrouwen is daardoor dermate geschaad dat naar de mening van Steak & Ribs niet van haar kan worden gevergd om de dienstbetrekking met verzoekers voor te zetten.

2.7.

Verzoekers hebben, ieder voor zich, bij brief van 2 maart 2017 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard de arbeid te hervatten.

3 De vordering en het verweer

De verzoekschriften

3.1.

Verzoekers verzoeken het Gerecht om, voor wie het betreft, kosteloos te mogen procederen alsmede om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1. te bepalen dat het door verweerder gegeven ontslag als nietig moet worden aangemerkt, althans het door gerequestreerde ontslag nietig te verklaren, althans het door gerequestreerde gegeven ontslag te vernietigen;

2. gerequestreerde te veroordelen om met ingang van 24 februari 2017, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen datum, het loon en emolumenten aan verzoekers te betalen totdat het dienstverband op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd, zulks verhoogd met de vertragingsrente conform artikel 1614q NABW en de wettelijke rente;

3. met veroordeling van gerequestreerde in de kosten van de procedure.

Subsidiair:

1. te verklaren dat het aan verzoekers gegeven ontslag kennelijk onredelijk is c.q. als zodanig dient te worden aangemerkt;

2. gerequestreerde te veroordelen aan verzoekers te betalen een bruto vergoeding groot NAf 20.441,39 ([verzoeker sub 1]), een netto vergoeding NAf 13.286,78([verzoeker sub 2]), een netto vergoeding NAf 15.330,26 ([verzoeker sub 3]) en een bruto vergoeding NAf 20.441,39 ([verzoeker sub 4]), althans een zodanige vergoeding door het Gerecht in goede justitie vast te stellen, zulks verhoogd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2016;

3. gerequestreerde te veroordelen in de kosten van de procedure.

Meer subsidiair:

1. gerequestreerde te veroordelen aan verzoekers te betalen een beëindigingscompensatie conform de kantonrechtersformule of de toekomende opzegtermijn en cessantia verhoogd met de wettelijke rente;

2. met veroordeling van gerequestreerde in de kosten.

3.2.

Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat het door Steak & Ribs gegeven ontslag op staande voet nietig is nu er geen dringende reden was voor het ontslag.

Zelfstandig tegenverzoek

3.3.

Steak & Ribs betwist het vorenstaande en vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat indien het gegeven ontslag nietig wordt verklaard en het dienstverband van partijen nog steeds mocht voortduren, om deze met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens gewichtige redenen met de veroordeling van de tegenpartijen in de kosten.

De verzoekschriften en het zelfstandig tegenverzoek

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan

4 De beoordeling

De verzoekschriften

4.1.

Uit het overgelegde bewijs van onvermogen blijkt genoegzaam van het onvermogen van verzoekers [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 4] om proceskosten te dragen, zodat aan hen toelating zal worden verleend kosteloos te procederen.

4.2.

Het gaat in deze zaken om de vraag of de door Steak & Ribs op 24 februari 2017 gegeven ontslagen op staande voet rechtsgeldig zijn gegeven dan wel nietig moeten worden verklaard onder veroordeling van Steak & Ribs tot doorbetaling loon.

4.3.

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is nodig dat sprake is van een dringende reden. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de arbeider, die ten gevolge hebben dat van een werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren. Daarnaast is nodig dat de reden voor het ontslag onverwijld aan de wederpartij is medegedeeld. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag dienen alle omstandigheden van het geval, inclusief de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, in onderling verband en samenhang in aanmerking te worden genomen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever (HR 24 oktober 1986, NJ 1987,126).

4.4.

Bij ontslagbrieven van 24 februari 2017 heeft Steak & Ribs verzoekers op staande voet ontslagen. Als dringende reden wordt daarbij opgevoerd het ten onrechte in rekening brengen van een service charge bij klanten, welke service charge onder de werknemers werd verdeeld zonder dat Steak & Ribs hiervan op de hoogte was. Steak & Ribs stelt in de brief dat verzoekers al maanden wisten of hadden moeten weten dat de service charge niet meer in rekening gebracht werd.

4.5.

Ter zitting heeft verweerster gesteld dat de service charge ad 10% sinds maart 2016 niet meer in rekening werd gebracht. Dit is toen in een vergadering aan alle werknemers medegedeeld. Ook op de menu’s is dit aangepast. De service charge die in het systeem van de kassa was ingevoerd, werd na maart 2016 handmatig verwijderd. De werknemers hebben evenwel vanaf november 2016 weer service charge in rekening gebracht aan gasten. Door verweerster zijn verklaringen van werknemers overgelegd waarin verklaard wordt dat alle werknemers op de hoogte waren van het ten onrechte in rekening brengen van de service charge en dat alle medewerkers aan het eind van de avond deelden in de opbrengsten van de fooien en de in rekening gebrachte service charge. Volgens verweerster zijn verzoekers door de werknemers aangewezen als bedenkers van, althans belangrijke spelers bij de uitvoering van het plan om de service charge weer in rekening te brengen en de opbrengst onderling te verdelen.

4.6.

Verzoekers betwisten dat ze van het te onrechte in rekening brengen van de service charge op de hoogte waren en stellen dat het in rekening brengen van de service charge niet ongebruikelijk is voor restaurants op Curaçao. In een recent aan [verzoeker sub 4] afgegeven werkgeversverklaring van 20 oktober 2016, opgesteld na het afschaffen van de service charge in maart 2016, staat dat hij naast zijn maandsalaris nog een variabel bedrag aan service charge en tips ontvangt. Verzoekers hadden geen toegang tot de kassa en ontvingen de rekeningen voor de klanten van de caissières. Betwist wordt dat verzoekers de tafels hebben aangewezen waarbij service charge in rekening kon worden gebracht. Verzoekers hebben net als alle anderen meegedeeld in de pot. Alleen verzoekers zijn ontslagen. Noch uit de verklaringen van de andere medewerkers noch uit enig ander document blijkt dat verzoekers de bedenkers waren.

4.7.

Het Gerecht overweegt in dit kader dat het op de weg van verweerster had gelegen om, gezien de betwisting door verzoekers, te onderbouwen dat ook verzoekers op de hoogte waren gesteld van de afschaffing van de service charge. Daarenboven had van verweerster mogen worden verwacht dat zij haar stelling dat verzoekers het brein waren achter het in rekening brengen van de service charge, althans dat zij actief bij hebben gedragen daaraan door het aanwijzen van tafels waar de service charge in rekening kon worden gebracht, nader had onderbouwd. Door verweerster is niet meer gesteld dan dat werknemers hen hebben aangewezen en dat in de shifts van verzoekers de meeste service charge is berekend. Schriftelijke onderbouwing in de vorm van verklaringen of overzichten ontbreekt. Naar het oordeel van het Gerecht is zulks onvoldoende om verweerster te volgen in haar stellingen. Het voorgaande geldt te meer nu verweerster ter zitting heeft verklaard dat slechts vijf personeelsleden, waarvan verzoekers er vier zijn, zijn ontslagen voor het in rekening brengen van de service charge. Zonder nadere onderbouwing welke, zoals hiervoor is overwogen, ontbreekt, valt niet in te zien dat in het geval van verzoekers, anders dan vrijwel alle andere werknemers van verweerster en van welke werknemers vast staat dat zij evenzeer hadden gedeeld in de opbrengst van de in rekening gebrachte service charge, wel sprake was van een dringende reden voor ontslag.

4.8.

Ten overvloede merkt het Gerecht in dit kader nog op dat zelfs indien zou komen vast te staan dat verzoekers wel wisten dat geen service charge in rekening mocht worden gebracht en dat zij ook wisten dat dit toch in rekening werd gebracht, nog steeds heeft te gelden dat niet valt in te zien waarom juist verzoekers, anders dan de andere werknemers die participeerden, per direct dienden te worden ontslagen.

4.9.

De slotsom is dan ook dat de aangevoerde dringende reden het op 24 februari 2017 gegeven ontslag op staande voet niet kan dragen waardoor dit ontslag nietig is, hetgeen meebrengt dat de loonbetalingsverplichting vanaf 24 februari 2017 is blijven bestaan. Verweerster zal derhalve worden veroordeeld om het loon aan verzoekers door te betalen vanaf 24 februari 2017, vermeerderd met de tot 10% gematigde wettelijke verhoging wegens vertraging ingevolge artikel 7A:1614q BW. Het Gerecht zal daarbij voor wat betreft het loon uitgaan van het voor [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] door verweerster opgegeven, naar het Gerecht begrijpt, nettoloonbedrag van NAf 400,= per week, nu het Gerecht dit bedrag aannemelijker voorkomt dan de door verzoekers zonder onderbouwing opgegeven bedragen. Voor wat betreft [verzoeker sub 4] zal worden uitgegaan van een nettoloon NAf 2.500,34 zoals opgenomen op het door verweerster getekende en gestempelde brief van 20 oktober 2016 en de bijbehorende door verweerster gestempelde loonslip. Het Gerecht ziet in het door verweerster ter zitting gestelde geen aanleiding om aan deze brief en loonslip te twijfelen.

terzake het zelfstandige tegenverzoek

4.10.

Verweerster heeft verzocht om, voor het geval het dienstverband met verzoekers nog steeds voortduurt, deze met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens gewichtige redenen. Verzoekers hebben zich in dit kader gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht en hebben verklaard dat zij, gelet op het feit dat sprake is van verstoorde verhoudingen, begrijpen dat teruggaan moeilijk wordt.

4.11.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam komen vast te staan dat de goede verstandhouding tussen Steak & Ribs en verzoekers, die noodzakelijk is voor een samenwerking, blijvend is komen te ontbreken. Dit maakt dat sprake van een verandering van omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn rechtvaardigt. Het Gerecht zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 7 november 2017 ontbinden.

4.12.

Ingevolge lid 5 van artikel 7A:1615w BW kan de rechter, als hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen een vergoeding toekennen. Het Gerecht overweegt in dit kader dat weliswaar aan verzoekers is verweten dat zij het brein waren achter het in rekening brengen van de service charge, althans dat zij belangrijke spelers daarin waren, maar nagelaten is om deze verwijten hard te maken. Gelet daarop en mede in aanmerking nemende de leeftijden van verzoekers, de niet onderbouwd betwiste duren van het dienstverband en de kansen van verzoekers op de arbeidsmarkt, acht het Gerecht een vergoeding van eenmaal het netto maandloon, een billijke vergoeding in deze. Het Gerecht zal, zoals ook hiervoor vermeld, uitgaan van het voor [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] door verweerster opgegeven nettoloonbedrag van NAf 400,= per week en voor wat betreft [verzoeker sub 4] van een netto maandloon van NAf 2.500,34.

4.13.

Nu het Gerecht een vergoeding toekent, wordt Steak & Ribs op de voet van artikel 7A:1615w lid 6 BW, in de gelegenheid gesteld het verzoek in te trekken.

In het verzoekschrift en in het zelfstandig tegenverzoek

4.14.

Steak & Ribs zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van verzoekers gevallen, tot op heden begroot op vier maal NAf 50,= aan griffierechten en NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Terzake de verzoekschriften

- staat verzoekers [verzoeker sub 2], [verzoeker sub 3], [verzoeker sub 4] toe om kosteloos te procederen;

- verklaart de ontslagen van verzoekers nietig;

- veroordeelt Steak & Ribs om het loon en emolumenten vanaf 24 februari 2017 van verzoekers door te betalen totdat het dienstverband op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de tot 10% gematigde wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7A:1614q BW;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

terzake het zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

- stelt partijen ervan in kennis voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst tegen 7 november 2017 te ontbinden, onder toekenning van een vergoeding als hierna is vermeld;

- bepaalt dat Steak & Ribs de gelegenheid heeft het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 3 november 2017 te 15:00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Steak & Ribs het verzoek niet intrekt wordt alvast als volgt beslist:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen verzoekers en Steak & Ribs met ingang van 7 november 2017 en bepaalt dat Steak & Ribs het loon dient door te betalen tot deze datum;

- kent aan verzoekers, ten laste van Steak & Ribs, een ontbindingsvergoeding toe van een maandloon, ineens te voldoen;

terzake het verzoekschrift en het zelfstandig tegenverzoek

- veroordeelt Steak & Ribs in de proceskosten aan de zijde van verzoekers gevallen, tot op heden begroot op vier maal NAf 50,= aan griffierechten en NAf 1.000,= aan gemachtigdensalaris;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Scholte, lid van opgemeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.