Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:159

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
AR 78075/2016 en AR 79404/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

internationale bevoegdheid, negatieve verklaring voor recht, Insolventieverordening, Erfolgsort, HvJ EU ECLI EU C 2016 449, samenhang, vooruitlopen op beoordeling hoofdzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0367
AR 2017/5845
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak met nummer 78075 van:

de naamloze vennootschap

First Curacao International Bank N.V.,

gevestigd te Curacao,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

gemachtigden: mr. M.W J H Welten en mr. P.S. Bakker;

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te Kings Langley, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

2. [ [gedaagde sub 2],
wonende te Sevenoaks, Kent, Verenigd Koninkrijk;

2. [ [gedaagde sub 3],

wonende te Potters Bar, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

4. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Transworld Payment Solutions UK Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

5. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales
Xchange Communications Limited (in liquidation),
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

6. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales
A.W. Associates (UK) Limited (in liquidation),
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

7. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Butt Trading Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

8. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

I.T. Parts Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

9. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales
Hillgrove Trading Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

10. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Mana Enterprises Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

11. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

RS Sales Agency Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

12. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Scorpion Connections Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

12. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

V2 (UK) Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

14. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Zemtex (UK) Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

15. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Davenport Global Trading Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

15. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales David Jacobs (UK) Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

15. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales The Export Company (UK) Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

15. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Jag-Tec Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

19. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Prime Commodities (UK) Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

19. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Prime Telecom (UK) Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

19. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Sunny Traders Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

22. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Gemini Technology Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

22. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Web-IT Systems Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

24. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales System 1 Trading Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

25. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Star Telecommunications Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninknjk;

25. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales A.F.I. Logistics (UK) Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

25. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Amy International Artists Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Vereningd Koninkrijk;

25. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Anderson Cellular And Data Components Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

29. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales C & E Enterprises UK Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

29. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Crystalmews Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

31. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Ideas 2 Go Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

32. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Stock Mart Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

33. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

TextXS Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

34. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Export-Tech Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

35. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales TC Catering Supplies Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

35. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Trade Smart Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

37. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

X Tech Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

38. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Southern Phonecare Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

38. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Nex Trading Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

40. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Athol Marketing Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

41. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Adworksuk.com Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

42. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Chestergrove Promotions Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

42. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Manu Software and Communications Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

44. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Danum Trading Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

45. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Sunshine Corp Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

46. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Highbeam UK Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

47. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales L.T.L. Communications Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

47. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Myco Telecom Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

49. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Lexus Telecom Export Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

49. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Lexus Telecom (UK) Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

49. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

MGComponents Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

52. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Millennium Import & Export Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

52. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Princeways Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

54. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Selectwelcome Limted (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

55. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales TLC International Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

55. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Worldwide Wholesalers Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

55. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Regal Portfolio Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

58. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Bullfinch Systems Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

59. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Chorlton Automatics Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

59. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Crouch Commodities Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

59. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Eldonstow Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

62. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Evenmore Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

63. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Excel Electronics Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

64. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Goodluck Employment Services Limited (in liquidaton), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

64. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Mobiles In-Store Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

66. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Stella Communications UK Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

66. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Spearmint Blue Limited (in liquidaton),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

68. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Fima Consulting Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

69. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

385 North Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

70. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales AC Electrical E.U. Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

71. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

AR Communications International Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

72. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

CA Components Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

73. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

JGS Sports Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

74. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Kingswood Global Business Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

74. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Mobile Mayhem Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

76. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales Mobile Telephones Limited (in liquidation), gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

76. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

05245559 Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

78. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Ceered Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

79. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Northdata Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

80. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Alpha Global 7 Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

81. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Eliyon Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

82. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Gold Digit Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

83. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Xicom Systems Limted (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

84. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales
Wood Works (Sheffield) Limited (in liquidation),
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

84. [gedaagde sub 85], handelend onder de naam [naam], wonende te Harrow, Middlesex, Verenigd Koninkrijk;

84. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

Owl Limited (in liquidation),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

87. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales
Owl Import & Export Limited (in liquidation),
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk;

87. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

F. Options Limited (in liquidation),

gevestigd te St. Albans, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

89. de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

London Mobile Communications Limited (in liquidation), gevestigd te Southend-On-Sea, Essex, Verenigd Koninkrijk;

90. [ [gedaagde sub 1],

in zijn hoedanigheid van liquidator van gedaagden onder 5-26 en 69-76,

wonende te Kings Langley, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

91. [ [gedaagde sub 2],

in zijn hoedanigheid van liquidator van gedaagden onder 27-38 en 77-79,

wonende te Sevenoaks, Kent, Verenigd Koninkrijk;

92. [ [gedaagde sub 1],

wonende te Kings Langley, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk,

en

[gedaagde sub 2],

wonende te Sevenoaks, Kent, Verenigd Koninkrijk;

in hun hoedanigheden van joint liquidators van gedaagden onder 39 en 80-83,

93. [ [gedaagde sub 3],

in haar hoedanigheid van liquidator van gedaagden onder 40-68 en 84,

wonende te Potters Bar, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

94. [ [gedaagde sub 1],

wonende te Kings Langley, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk,

en

[gedaagde sub 94],

wonende te Broxbourne, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

in hun hoedanigheden van joint liquidators van gedaagden onder 86-87;

95. [ [gedaagde sub 1],

wonende te Kings Langley, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk,

en

[gedaagde sub 95],

wonende te Reigate, Surrey, Verenigd Koninkrijk;

in hun hoedanigheden van joint liquidators van gedaagde onder 88;

96. [ [gedaagde sub 3],

wonende te Potters Bar, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk;

en

[gedaagde sub 96],

wonende te Brentwood, Essex, Verenigd Koninkrijk;

in hun hoedanigheden van joint liquidators van gedaagde onder 89;

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

gemachtigden: mr. R.F. van den Heuvel en mr. R.B. van Hees;

en in de zaak met nummer 79404 van

de naamloze vennootschap

First Curacao International Bank N.V. ("FCIB"),

gevestigd te Curacao,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

gemachtigden: mr. M.W.J.H. Welten en mr. P.S. Bakker,

tegen

[gedaagde sub 1],

in zijn hoedanigheid van liquidator van TWPS, gedaagde sub 4 in de gevoegde zaak;

wonende te Kings Langley, Hertfordshire, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

gemachtigden: mr. R.F. van den Heuvel en mr. R.B. van Hees.

Partijen zullen als volgt worden aangeduid:

  • -

    eiseres in de hoofdzaken/verweerster in het incident: FCIB;

  • -

    gedaagden in de hoofdzaken/eisers in het incident gezamenlijk: gedaagden;

  • -

    gedaagden onder 1 t/m 3 en gedaagde in de procedure met nummer 79404 gezamenlijk: de liquidators, of afzonderlijk met hun achternamen; ter verduidelijking zal waar nodig de toevoeging “q.q.” worden vermeld, voor zover het uitsluitend hun positie van procespartij in hun hoedanigheid van liquidator betreft;

  • -

    gedaagde onder 4: TWPS;

  • -

    gedaagden onder 7 en 69 t/m 85: de English Claimants;

  • -

    gedaagden onder 86 t/m 89: de Other Settlement Companies.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- de inleidende verzoekschriften met producties, op 9 maart 2016 respectievelijk 22 juni 2016 ter griffie ingediend;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;

- de incidentele conclusie van antwoord, met producties;

- het pleidooi in het incident van 14 september 2017;

- de ter gelegenheid van het pleidooi door de advocaten aan beide zijden overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

FCIB was tot oktober 2006 een kredietinstelling in de zin van de Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen 1994.

2.2.

Vanaf medio 2006 is FCIB betrokken geraakt bij Brits strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke BTW-belastingfraude, meer in het bijzonder zogenoemde MTIC-fraude (“Missing Trader Intra Community Fraud”). In dat kader vermoedden de Britse opsporingsautoriteiten dat veel rekeninghouders van FCIB betrokken waren bij de onderhavige belastingfraude.

2.3.

Vanaf begin september 2006 was FCIB tevens voorwerp van strafrechtelijk onderzoek van het Nederlandse Openbaar ministerie.

2.4.

Per 9 oktober 2006 heeft de Centrale Bank (van destijds de Nederlandse Antillen, thans van Curaçao en Sint Maarten) de bankvergunning van FCIB ingetrokken en heeft het Gerecht de zogenoemde noodregeling uitgesproken.

2.5.

In eerste aanleg is FCIB veroordeeld door de Nederlandse strafrechter wegens overtreding van de Wet toezicht kredietwezen. Hangende het hoger beroep is medio 2013 een schikking tussen FCIB en het OM tot stand gekomen.

2.6.

Hangende het Britse strafrechtelijke onderzoek heeft FCIB uitbetaling van saldi op de rekeningen van een aantal rekeninghouders (onder wie gedaagden 5 tot en met 89) opgeschort. FCIB hield deze rekeninghouders aansprakelijk voor de situatie waarin zij verzeild was geraakt, omdat zij zich schuldig gemaakt hebben aan de BTW-fraude en om die reden – in de visie van FCIB – misbruik hebben gemaakt van hun bankrekeningen bij FCIB. De desbetreffende rekeninghouders en hun liquidators hielden op hun beurt FCIB aansprakelijk, stellende dat FCIB de fraude actief had mogelijk gemaakt.

2.7.

Vanaf eind 2013/begin 2014 heeft overleg plaatsgevonden tussen FCIB enerzijds en (in eerste instantie) [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] anderzijds in hun hoedanigheid van liquidator met het oog op het treffen van een minnelijke regeling. In dat kader heeft op 27 februari 2014 in Curaçao een overleg plaats gevonden, waarbij [gedaagde sub 1] aanwezig was. Daarna hebben enkele gesprekken in Londen plaats gevonden.

2.8.

Bij het hiervoor bedoelde overleg was ook Her Majesty’s Revenu & Customs (hierna: HMRC), de Engelse fiscus, betrokken.

2.9.

Op 26 september 2014 heeft de advocaat van FCIB een eerste concept voor een vaststellingsovereenkomst toegestuurd, te sluiten tussen FCIB en de verschillende liquidators. Op voorstel van [gedaagde sub 1] maakte dit concept onderscheid tussen drie categorieën vennootschappen waarvoor [gedaagde sub 1] en andere liquidators in hoedanigheid optraden. Categorie 1 betrof rekeninghouders bij FCIB die al 75% van hun rekeningsaldo uitgekeerd hadden gekregen. Categorie 2 betrof gevallen waarin de liquidator een titel had op tegoeden bij FCIB ten behoeve van (de boedel van) de desbetreffende vennootschap. Categorie 3 betrof die gevallen waarin er nog geen titel was en ook nog niet was uitgekeerd door FCIB.

2.10.

In een e-mail van 8 oktober 2014 heeft de advocaat van FCIB aan de advocaat van de liquidators onder andere het volgende geschreven:

“The entire point of entering into the settlement agreement is total peace. Therefore we have reversed your deletion of present and former officers, directors, employees, agents, etc.”

2.11.

Partijen zijn vervolgens met elkaar in onderhandeling getreden over de voorwaarden voor de overeenkomst. In die onderhandelingen is ter sprake gekomen of na ondertekening van de overeenkomst nog nieuwe vennootschappen aangemeld zouden kunnen worden die een claim op FCIB onder de overeenkomst te gelde kunnen maken. In een telefoongesprek van 16 oktober 2016 tussen de beide advocaten heeft de advocaat van FCIB onder andere gezegd dat de mogelijkheid om ook na ondertekening van de overeenkomst nog nieuwe “Clients” te kunnen aanmelden voor FCIB niet acceptabel was.

2.12.

Bij e-mail van 21 oktober 2014 heeft de advocaat van FCIB een derde concept aan de advocaat van de liquidators gestuurd. De e-mail luidt, voor zover relevant, als volgt:

“We are indeed not in agreement on these 2 issues. […] Issue (2) [the waiver of claims/total peace] is not linked to issue (1) […]. Total peace is the entire reasoning for FCIB to settle. […]

Some comments:

[…]

- I have not accepted the language you had proposed to add to the recitals (D). Such revision would allow the liquidators to add other account holders to category #3 after signing the agreement. That is not acceptable and has never been part of the discussions, and was not part in any of the previous drafts. At signing FCIB needs clarity on the accounts involved.”

2.13.

Op 24 oktober 2014 is mondeling overeenstemming bereikt over de vaststellingsovereenkomst.

2.14.

In de daarop volgende maanden heeft contact plaats gevonden tussen partijen omtrent de bij de overeenkomst behorende lijsten van rekeninghouders in de diverse categorieën en hebben (eerst) de Centrale Bank en (later) HMRC goedkeuring verleend aan de regeling.

2.15.

Op 6 februari 2015 zijn de overeenkomsten tussen enerzijds FCIB en anderzijds [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ondertekend. De definitieve overeenkomsten regelen onder andere de volgende onderwerpen:

  • -

    de bedragen die FCIB zal uitkeren aan de op de bijlagen B en C genoemde vennootschappen (waarop vermeld de vennootschappen in de categorieën 1, 2 en 3) en de voorwaarden waaronder die uitkeringen zullen plaatsvinden;

  • -

    een kwijtingsbepaling ten aanzien van onder andere FCIB en door haar gecontroleerde corporaties (de zogenoemde “FCIB Entities”);

  • -

    de bepaling dat deze overeenkomst uitdrukking geeft aan de volledige wilsovereenstemming “with respect to the subject matter and supersedes any prior […] agreements”;

  • -

    een forumkeuze voor dit Gerecht.

2.16.

Bij brief van 5 februari 2016 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] het volgende aan FCIB geschreven, weergegeven voor zover van belang:

“Our Client: [gedaagde sub 1] as Liquidator of Transworld Payment Solutions U.K. Limited

1. We act for Transworld Payment Solutions UK Limited (Transworld) and Mr [gedaagde sub 1] in his capacity as liquidator of Transworld.

2 Transworld is a UK company (no. 01456234) which was first incorporated on 23 October 1979. Transworld was dissolved in October 2010 but was later restored to the UK Register of Companies and wound up by order of the High Court. It was restored to the Register on 22 September 2014: Mr [gedaagde sub 1] was appointed liquidator of Transworld on 17 November 2014. We enclose a certificate of Mr [gedaagde sub 1]'s appointment.

3 This letter is being sent to you in accordance with the Practice Direction on Pre-Action Conduct and Protocols contained in the UK Civil Procedure Rules. You will note that the Practice Direction encourages parties in dispute to resolve their dispute by way of correspondence in the first instance. Parties should treat the issuing of court proceedings as a last resort. We draw your attention to paragraphs 13 to 16 of the Practice Direction concerning the court's powers to impose sanctions for failing to comply with its provisions. We enclose, for your attention, a copy of the Practice Direction on Pre-Action Conduct and Protocols.

[…]

The Claims for Fraudulent Trading and Unlawful Means Conspiracy

22 The liquidator of Transworld is entitled to bring claims under United Kingdom legislation, in particular section 213 of the Insolvency Act 1986 which the Supreme Court has recently confirmed has extraterritorial effect.

23 Section 213 of the Insolvency Act provides that if, in the course of the winding up of a company, it appears that any business of the company has been carried on with the intent to defraud creditors of the company or creditors of any other person or for any other fraudulent purpose, the liquidator can seek a court declaration that any persons who were knowingly parties to the carrying on of the business in this fraudulent manner make a contribution to the company's assets. The court may order the respondent to make such contribution as the court thinks proper.

24 It is clear from the evidence that the size and scale of the fraud were greatly assisted by the facilities provided by FCIB and its willingness to allow the transactions to continue. FCIB directly assisted the fraud in three ways:

24.1

FCIB created the necessary online banking facilities to a wide range of customers to enable the MTIC fraudsters to create the appearance of genuine international trade;

24.2

FCIB handled the transactions that were the basis of the fraud; and

24.3

FCIB paid away the proceeds of the fraud to third parties so that the victims of the fraud would be unable to recover their losses.

25 FCIB conducted its account opening business in an aggressive and pro-active way through Transworld. It was active in opening accounts in a sector that it knew or ought to have concluded was mainly fraudulent and was likely to lead to losses to victims.

26 FCIB published its intentions to be "squeaky clean" and create 'Enhanced Due Diligence' procedures when in fact its own conduct and those of its agents did not honestly and truly attempt to comply with these published standards. The conclusion must be drawn that these public statements were intended in part to assist the MTIC traders in their protestations of legitimacy so that the fraud could be perpetrated for a longer period and thereby gain more profits for FCIB and cause more losses to the victims of the fraud.

27 FCIB grew rapidly with the income it received from handling the dishonest transactions and much of its value and profits are derived from this trade. Given that Transworld served the interests of FCIB we consider that it is likely that the Court will order FCIB to contribute in full to meeting the claims on Transworld.

28 Further, along with the liquidator's claim under 23, Transworld itself has a claim against FCIB for contribution arising from its participation in the unlawful means conspiracy directed against the Defaulters and brokers.

Preservation of the Assets of FCIB

29 We are aware that Central Bank is in the process of winding down the affairs of FCIB and paying the creditors […].

30 Pursuant to the claim for fraudulent trading under section 213 of the Insolvency Act 1986 and the claim for a contribution for the unlawful means conspiracy set out in this letter, Transworld and/or its liquidator has a claim against FCIB. Accordingly, we require confirmation from you that there will be no distribution of the assets of FCIB until the claim of Transworld has been determined, whether by the Court or by settlement. You are requested to provide this confirmation within 10 days of the date of this letter.”

2.17.

Met betrekking tot de in deze brief genoemde vennootschap TWPS geldt het volgende:

  • -

    TWPS is via de (uiteindelijke) aandeelhouder en bestuurder verbonden met FCIB.

  • -

    TWPS verleende in het verleden marketingdiensten aan FCIB.

  • -

    TWPS is op 5 oktober 2010 op eigen initiatief geliquideerd.

  • -

    Op 27 juni 2014 heeft gedaagde onder 35 (TC Catering Supplies Ltd. (in liquidation)) een vordering op TWPS gekocht van Chubb Electronic Security Ltd. De vordering beloopt GBP 1.833,06. [gedaagde sub 2] is liquidator van gedaagde sub 35.

  • -

    Gedaagde sub 35 is een van de vennootschappen in categorie 2 van de tussen FCIB en [gedaagde sub 2] q.q. gesloten overeenkomst.

  • -

    Op verzoek van [gedaagde sub 2] is TWPS op 6 augustus 2014 weer ingeschreven in de registers. Het verzoek is op 22 september 2014 ingewilligd, waarmee de liquidatie is heropend. [gedaagde sub 1] is op die datum benoemd tot liquidator van TWPS.

  • -

    Namens de English Claimants hebben hun liquidators [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderingen ten belope van in totaal ongeveer GBP 180 miljoen bij TWPS ingediend.

  • -

    Met de brief van 5 februari 2016 heeft [gedaagde sub 1] als liquidator van TWPS FCIB aansprakelijk gesteld voor deze claim.

2.18.

De door FCIB gehanteerde algemene voorwaarden bevatten een forumkeuze voor dit Gerecht.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

FCIB vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de procedure met nummer 78075 het volgende:

I primair (i) voor recht te verklaren dat FCIB uit hoofde van de zogenaamde TWPS claim niets verschuldigd is aan TWPS en ook niet aan [gedaagde sub 1] als liquidator van TWPS en (ii) om TWPS en [gedaagde sub 1] als liquidator van TWPS te gebieden om binnen twee dagen na dagtekening van het vonnis aan FCIB schriftelijk te bevestigen dat de in 2.16 bedoelde brief is herroepen en dat zij geen enkele vordering op FCIB en/of “FCIB entities” hebben, zulks op straffe van een dwangsom;

subsidiair de English Claimants, alsmede [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], zowel q.q. als in persoon, te veroordelen tot vrijwaring van FCIB ter zake de TWPS claim voor enig bedrag dat FCIB aan TWPS verschuldigd mocht blijken;

II voor recht te verklaren dat de English Claimants, alsmede [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], zowel q.q. als in persoon, toerekenbaar zijn tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens FCIB en/of onrechtmatig jegens FCIB hebben gehandeld;

III gedaagden te gebieden de vaststellingsovereenkomsten na te komen en hen te gebieden zich te onthouden van enige handeling jegens FCIB en “FCIB entities” in strijd met het bepaalde in artikel SECOND (1) van die overeenkomsten, zulks op straffe van een dwangsom;

een en ander met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

FCIB vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de procedure met nummer 79404 het volgende:

I (i) voor recht te verklaren dat FCIB uit hoofde van de zogenaamde TWPS claim niets verschuldigd is aan [gedaagde sub 1] als liquidator van TWPS en (ii) om [gedaagde sub 1] als liquidator van TWPS te gebieden om binnen twee dagen na dagtekening van het vonnis aan FCIB schriftelijk te bevestigen dat de in 2.16 bedoelde brief is herroepen en dat zij geen enkele vordering op FCIB en/of “FCIB entities” hebben, zulks op straffe van een dwangsom;

II [gedaagde sub 1] q.q. te gebieden de vaststellingsovereenkomsten na te komen en hem te gebieden zich te onthouden van enige handeling jegens FCIB en “FCIB entities” in strijd met het bepaalde in artikel SECOND (1) van die overeenkomsten, zulks op straffe van een dwangsom;

een en ander met veroordeling van [gedaagde sub 1] q.q. in de proceskosten.

3.3.

Gedaagden hebben nog geen conclusie van antwoord genomen.

4 Het geschil in het incident

4.1.

Gedaagden vorderen in het incident, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat het Gerecht zich onbevoegd verklaart tot kennisneming van de door FCIB ingestelde vorderingen, met veroordeling van FCIB in de kosten van het geding, inclusief nakosten en wettelijke rente over de proceskosten.

4.2.

FCIB voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in dit incident om de vraag of de Curaçaose rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. Het Curaçaose recht kent geen geschreven regels inzake internationale bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van dit Gerecht en van het Gemeenschappelijk Hof kan in voorkomend geval de regel ‘distributie bepaalt attributie’ worden toegepast. Toepassing van deze regel leidt ertoe dat de wettelijke regels inzake relatieve bevoegdheid tevens bepalen of het Gerecht internationaal bevoegd is. In het navolgende zal het Gerecht zijn bevoegdheid aan de hand van deze regels beoordelen. Daarbij stelt het Gerecht voorop dat artikel 103b Rv, hoewel dat deel uitmaakt van de paragraaf die handelt over relatieve bevoegdheid, niet kan leiden tot het aannemen van internationale bevoegdheid. Toepassing van die bepaling zou ertoe leiden dat de Curaçaose rechter altijd (internationaal) bevoegd is en die consequentie moet als exorbitant en daarmee onaanvaardbaar worden beschouwd. Het andersluidende betoog van FCIB wordt verworpen.

5.2.

In de procedure met nummer 78075 heeft FCIB tegen 96 partijen verschillende vorderingen ingesteld. In de procedure met nummer 79404 heeft FCIB daarnaast nog een (vergelijkbare) vordering ingesteld jegens [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van liquidator van TWPS. In beginsel moet de rechtsmacht van het Gerecht ten aanzien van al die gedaagden en al die vorderingen afzonderlijk worden beoordeeld, daargelaten de vraag of sprake is van samenhang op grond van artikel 103 Rv. FCIB hanteert evenwel enkele categorieën van gedaagden, welke indeling door gedaagden op zichzelf niet is weersproken. Die indeling komt ook terug in de vorderingen in de hoofdzaak. Omdat de uitkomst van de beoordeling inzake bevoegdheid voor alle gedaagden binnen een bepaalde categorie gelijk is, zal het Gerecht die indeling volgen. In het navolgende zal het Gerecht zijn bevoegdheid beoordelen in de volgorde van de vorderingen in de hoofdzaak.

5.3.

In de hoofdzaak met nummer 78075 vordert FCIB onder I primair onder (i) een verklaring voor recht dat zij uit hoofde van “de zogenaamde TWPS Claim” niets verschuldigd is aan TWPS en ook niet aan [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van liquidator van TWPS. Met de “TWPS Claim” bedoelt FCIB de vordering die TWPS en [gedaagde sub 1] q.q. pretenderen te hebben op FCIB en die volgt uit de brief van zijn advocaat van 5 februari 2016 (zie hierboven onder 2.16).

5.4.

Het betreft hier een zogenoemde negatieve verklaring voor recht ter zake van handelen (van FCIB) dat (mogelijk) als onrechtmatig moet worden beschouwd. Uit de hiervoor bedoelde brief volgt immers dat TWPS zelf en de liquidator van TWPS van mening zijn dat FCIB aansprakelijk is wegens het gestelde feit dat – kort gezegd – FCIB actief de MTIC-fraude heeft gefaciliteerd. Bij een negatieve verklaring voor recht is voor de bevoegdheid van de rechter bepalend het (gestelde) onrechtmatige handelen waarop de verklaring voor recht materieel betrekking heeft (vergelijk HvJ EU 25 oktober 2012, ECLI:EU:C:2012:664). Gelet op de vestigingsplaats van FCIB en op artikel 95 lid 1 Rv, betekent dit dus dat het Gerecht in beginsel bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering I onder (i).

5.5.

Gedaagden hebben er bij pleidooi op gewezen dat de in de brief van 5 februari 2016 bedoelde claim, voor zover het betreft een claim van [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van liquidator van TWPS, een vordering in de zin van artikel 213 van de Engelse Insolvency Act is, en daarmee een vordering die rechtstreeks voortvloeit uit de insolventie van TWPS. Dat betekent dat de Engelse rechter, als de rechter van het land waar het faillissement is uitgesproken, bij uitsluiting bevoegd is om over die claim te oordelen, aldus gedaagden. Zij wijzen in dit verband op artikel 6 lid 1 van de herschikte Insolventieverordening en betogen dat deze bepaling de neerslag is van een algemeen aanvaard beginsel van internationaal insolventierecht.

5.6.

Naar het oordeel van het Gerecht kan het betoog van gedaagden niet afdoen aan de bevoegdheid van de Curaçaose rechter. Nog daargelaten of de bevoegdheid van de rechter in het land waar het faillissement is uitgesproken een exclusieve bevoegdheid is, heeft in de eerste plaats te gelden dat de gedragingen waarvan FCIB een verwijt wordt gemaakt een ruimere strekking hebben, namelijk mede aanleiding (kunnen) geven tot een actie uit onrechtmatige daad, en niet uitsluitend en noodzakelijk (kunnen) leiden tot een actie uit hoofde van artikel 213 van de Insolvency Act. Ook als aangenomen moet worden dat die laatstbedoelde actie een typische insolventievordering is, doet dat op zichzelf dus niet af aan bevoegdheid van de Curaçaose rechter om te oordelen over een actie uit onrechtmatige daad.

5.7.

In de tweede plaats geldt dat ook in het internationaal insolventierecht is aanvaard dat, in gevallen waarin sprake is van meerdere vorderingen, de samenhang tussen die vorderingen kan leiden tot bevoegdheid van een andere rechter dan de rechter van het land waar de insolventieprocedure loopt (zie expliciet artikel 6 lid 2 van de herschikte Insolventieverordening). Die situatie doet zich hier voor, zowel voor wat betreft eventuele acties van de liquidator q.q. (namelijk een actie uit artikel 213 Insolvency Act en een algemene onrechtmatige-daadsactie; zie hiervoor) als voor wat betreft een vordering van TWPS zelf, waarover de brief van 5 februari 2016 uitdrukkelijk spreekt. De samenhang tussen die diverse vorderingen is evident, nu het steeds gaat om hetzelfde (gestelde) faciliteren van de MTIC-fraude door FCIB. Dat laatste brengt mee dat bij beoordeling van dit handelen van FCIB door verschillende rechters het voorzienbare risico van onverenigbare beslissingen dreigt, zodat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling (vergelijk artikel 6 lid 3 van de herschikte Insolventieverordening).

5.8.

De primaire vordering I onder (ii) vloeit naar het oordeel van het Gerecht voort uit de primaire vordering onder (i) en heeft, althans voor wat betreft de vraag naar de bevoegdheid van het Gerecht, geen zelfstandige betekenis. Voor zover het Gerecht dus (on)bevoegd is kennis te nemen van de primaire vordering I onder (i), is hij dat ook ten aanzien van de primaire vordering I onder (ii).

5.9.

Het Gerecht is dus bevoegd om te oordelen over de primaire vordering onder I, in al haar onderdelen.

5.10.

Met de subsidiaire vordering I beoogt FCIB een veroordeling van de English Claimants en de liquidators, zowel q.q. als in persoon, tot vrijwaring van FCIB voor enig bedrag dat FCIB aan TWPS verschuldigd mocht blijken te zijn. Het Gerecht overweegt het volgende.

5.11.

De subsidiaire vordering betreft een vordering tot vrijwaring. Op grond van artikel 77 Rv wordt een waarborg opgeroepen voor dezelfde rechter als degene bij wie de oorspronkelijke vordering aanhangig is. Die oorspronkelijke vordering betreft hier de primaire vordering I. Indien en voor zover het Gerecht bevoegd is ten aanzien van de primaire vordering I, is hij dat dus ook ten aanzien van de subsidiaire vordering I. Dat de processuele constellatie hier anders is dan gebruikelijk – het betreft hier immers als het ware een hoofdzaak en een vrijwaring die in één en hetzelfde inleidend verzoekschrift aanhangig zijn gemaakt, en dus niet een oproeping in vrijwaring door de gedaagde in de hoofdzaak – maakt dit niet anders. De gedachte achter de regel van artikel 77 Rv is immers dat hoofdzaak en vrijwaring om redenen van een goede rechtsbedeling zoveel mogelijk door dezelfde rechter worden beoordeeld. Die ratio is in de onderhavige situatie evenzeer aan de orde. Alleen dan zou het Gerecht niet bevoegd zijn ten aanzien van de vrijwaring (terwijl hij wel bevoegd is in de ‘hoofdzaak’) indien aangenomen moet worden dat de hoofdzaak alleen aanhangig is gemaakt om de gedaagden in de vrijwaring van hun “eigen rechter” af te trekken. Daarvan zal in het algemeen niet snel sprake zijn. In de onderhavige kwestie is dat in elk geval niet gebleken.

5.12.

De vordering onder II in zaak 78075 betreft een (positieve) verklaring voor recht dat de English Claimants en hun liquidators, zowel q.q. als in persoon, toerekenbaar tekort zijn geschoten dan wel onrechtmatig hebben gehandeld jegens FCIB. Het betreft hier dus enerzijds een vordering uit overeenkomst en anderzijds een vordering uit een (beweerdelijk) door deze gedaagden gepleegde onrechtmatige daad. Het Gerecht beoordeelt zijn bevoegdheid op dit punt als volgt.

5.13.

De overeenkomsten waarover het hier gaat zijn de in 2.15 bedoelde vaststellingsovereenkomsten. FCIB neemt in de hoofdzaak het standpunt in dat ook de English Claimants, vertegenwoordigd door hun liquidators q.q., partij zijn bij die vaststellingsovereenkomsten, ook al zijn de English Claimants niet vermeld op de bijlagen B en C bij de overeenkomsten. FCIB onderbouwt dit standpunt met het betoog, kort gezegd, dat het de bedoeling van partijen was dat de vaststellingsovereenkomsten betrekking zouden hebben op alle vennootschappen voor wie de liquidators ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomsten bevoegdelijk konden optreden. De English Claimants behoren tot die vennootschappen. Met het oog op de vraag naar de bevoegdheid van het Gerecht, begrijpt het Gerecht dit standpunt aldus dat in de visie van FCIB de liquidators q.q. de overeenkomsten mede zijn aangegaan namens de English Claimants, zodat zij ook gebonden zijn aan de in de overeenkomsten opgenomen forumkeuzeclausule.

5.14.

Het Gerecht overweegt als volgt. In wezen betreft het hiervoor weergegeven standpunt van FCIB een van de dragende punten voor haar vorderingen in de hoofdzaak. Gedaagden hebben zich reeds in dit bevoegdheidsincident verweerd tegen dit standpunt. Zij menen dat, nu de English Claimants niet zijn vermeld op de bijlagen B en C, de liquidators q.q. de overeenkomsten dus ook niet mede voor de English Claimants zijn aangegaan. Het betreft hier dus een geschilpunt dat zowel in de bevoegdheidsfase als in de zaak ten gronde van belang is. Nadere beoordeling van dit geschilpunt vergt een voortzetting van het debat en mogelijk bewijslevering. Weliswaar is juist, zoals gedaagden hebben betoogd, dat in het kader van de bevoegdheid niet alleen op van de stellingen van de eiser moet worden uitgegaan, maar dat betekent nog niet dat tot voortzetting van het bedoelde debat of zelfs bewijslevering in dit stadium moet worden overgegaan. Daarmee zou immers in verregaande mate vooruit gelopen zou worden op de beoordeling in de hoofdzaak (vergelijk EHvJ 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37). In de gegeven omstandigheden ziet het Gerecht daarom aanleiding uit te gaan van het standpunt dat FCIB heeft ingenomen. Daaruit volgt dat ook de English Claimants en de liquidators q.q. de in de overeenkomsten opgenomen forumkeuzeclausule tegen zich moeten laten gelden, zodat het Gerecht in zoverre bevoegd is te oordelen over de nakomingsvordering opgenomen in de vordering onder II.

5.15.

De nakomingsvordering II is ook gericht tegen de liquidators van de English Claimants in persoon. Gesteld noch gebleken is echter dat de liquidators op enigerlei wijze in persoon de vaststellingsovereenkomsten zijn aangegaan of op andere wijze contractueel verbonden zijn aan FCIB. Van een forumkeuzeclausule waaraan de liquidators in persoon zijn gebonden is dan ook geen sprake. In zoverre is het Gerecht onbevoegd.

5.16.

De vordering II ziet voorts op een (volgens FCIB) door de English Claimants en de liquidators (q.q. en in persoon) jegens FCIB gepleegde onrechtmatige daad. Volgens FCIB hebben de liquidators het vooropgezette plan gehad en uitgevoerd om, buiten de vaststellingsovereenkomsten om, na uitvoering van die overeenkomsten met de nieuwe claim van TWPS te komen. De liquidators hadden de TWPS-claim volgens FCIB niet mogen verzwijgen tijdens de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomsten. Door aldus te handelen hebben de liquidators volgens FCIB onrechtmatig gehandeld. Met betrekking tot de bevoegdheid van het Gerecht geldt op dit punt het volgende.

5.17.

Op grond van artikel 98 Rv is in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad tevens bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Deze bepaling komt overeen met artikel 6 onderdeel e van het Nederlandse Rv, dat op zijn beurt is ontleend aan artikel 5 onderdeel 3 EEX-Verordening. Naar het oordeel van het Gerecht kan voor de toepassing van artikel 98 Rv daarom mede acht worden geslagen op de uitleg die het Europees Hof van Justitie geeft aan het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’. Gelet hierop overweegt het Gerecht verder als volgt.

5.18.

Het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ ziet zowel op de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis (Handlungsort). Het Gerecht is van oordeel dat het Erfolgsort in dit geval in Curaçao is gelegen, zodat het Gerecht bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

5.19.

In de eerste plaats geldt dat de directe financiële gevolgen van de (beweerde) onrechtmatige daad, bijvoorbeeld het betalen van een bedrag ter zake de TWPS-claim en/of de kosten die gemoeid zijn met de behandeling van die claim, in het vermogen van FCIB zullen plaatsvinden. Voor het aannemen van bevoegdheid is dat echter niet voldoende. Zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van een partij kan, zonder bijkomende omstandigheden, immers niet worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt voor het bepalen van het Erfolgsort (vergelijk HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2358). In het onderhavige geval is van dergelijke bijkomende omstandigheden sprake. Het Gerecht wijst erop dat de (beweerde) onrechtmatige daad niet los gezien kan worden van de totstandkoming van de overeenkomsten, waarin de liquidators uitdrukkelijk hebben gekozen voor bevoegdheid van de Curaçaose rechter. Bovendien zijn die overeenkomsten tot stand gekomen in het licht van de afwikkeling van FCIB, op wie immers al geruime tijd de noodregeling van toepassing is. Die afwikkeling vindt plaats in Curaçao. Het (beweerde) onrechtmatige handelen verhindert de voortgang van die afwikkeling. Bovendien is Curaçao ook de vestigingsplaats van FCIB. Voorts is van belang dat het (beweerde) onrechtmatige handelen niet reeds elders (buiten Curaçao) tot verlies van vermogensbestanddelen van FCIB heeft geleid. Al met al is dus sprake van voldoende bijkomende omstandigheden om te kunnen vaststellen dat het Erfolgsort in Curaçao is gelegen.

5.20.

Het Gerecht is dus bevoegd kennis te nemen van de vordering II voor zover deze is gebaseerd op een onrechtmatige daad. Dit brengt niet alsnog bevoegdheid mee ten aanzien van de liquidators in persoon voor wat betreft de vordering II voor zover die is gebaseerd op de contractuele grondslag. Uitgangspunt is immers dat de bevoegdheid van het Gerecht per afzonderlijke grondslag moet worden beoordeeld. De bevoegdheidsgrond van samenhang (artikel 103a Rv) kan FCIB in dat verband niet baten. Op basis van die bepaling kan alleen bevoegdheid worden aangenomen wegens samenhang tussen verschillende gedaagden, niet wegens samenhang tussen verschillende grondslagen van de vordering.

5.21.

De vordering onder III in de procedure 78075 strekt tot nakoming door (alle) gedaagden van de vaststellingsovereenkomsten en tot een gebod aan (alle) gedaagden om zich te onthouden van enige handeling die in strijd komt met Section Second (1) van die overeenkomsten. Het Gerecht overweegt met betrekking tot deze vordering het volgende.

5.22.

Niet ter discussie staat dat de vennootschappen die zijn vermeld op de bijlagen bij een van de overeenkomsten alsmede de liquidators die q.q. namens hen die overeenkomsten hebben getekend gebonden zijn aan de in de overeenkomsten opgenomen forumkeuzeclausule. Aanvankelijk hadden gedaagden aangevoerd dat gedaagden onder 86 tot en met 89 (door FCIB aangeduid als “Other Settlement Companies”) geen partij waren bij enige vaststellingsovereenkomst. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft FCIB onderbouwd met stukken gesteld dat ook die vennootschap partij zijn bij een vaststellingsovereenkomst. Daarop hebben gedaagden niet gereageerd, zodat het Gerecht uitgaat van de juistheid van die stelling. Dat betekent dat ook die gedaagden en hun liquidators q.q. aan de forumkeuzeclausule zijn gebonden. Op grond van die forumkeuze is het Gerecht dus bevoegd ten aanzien van de Other Settlement Companies en van hun liquidators voor zover zij in hoedanigheid namens die vennootschappen hebben opgetreden.

5.23.

Gedaagden hebben betoogd dat FCIB de in 5.22 bedoelde vennootschappen en hun liquidators q.q. alleen maar met een nakomingsvordering in dit geding zijn betrokken om daarmee, langs de band van de forumkeuzeclausule en samenhang, bevoegdheid van de Curaçaose rechter te creëren. Een reëel belang bij de nakomingsvordering heeft FCIB volgens gedaagden niet, omdat de hier bedoelde vennootschappen en hun liquidators q.q. in het geheel geen vordering tegen FCIB pretenderen en de vaststellingsovereenkomsten bovendien al zijn uitgevoerd. Er is dus sprake van misbruik van procesrecht en daarop mag geen bevoegdheid van het Gerecht worden gebaseerd, aldus gedaagden. FCIB heeft dit betoog bestreden. Zij voert aan dat zij met de nakomingsvordering tegen de partijen bij de vaststellingsovereenkomsten en hun liquidators q.q. wil bereiken dat in rechte komt vast te staan dat de kwijtingsbepaling uit de vaststellingsovereenkomsten zich mede uitstrekt tot vorderingen op TWPS, die in de visie van FCIB moet worden beschouwd als een “FCIB Entity” in de zin van die kwijtingsbepaling.

5.24.

Bij de beoordeling van dit debat stelt het Gerecht voorop dat het betrekken van een partij in een rechtsgeding niet spoedig misbruik van procesrecht zal opleveren. Daarvan zou pas sprake kunnen zijn indien de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kent of behoort te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen maken. Hier past dus terughoudendheid. Zou dit anders zijn, dan komt het mede door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter in het gedrang. Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader is het Gerecht van oordeel dat FCIB haar belang bij de vordering tegen de in 5.22 bedoelde vennootschappen en hun liquidators q.q., binnen het beperkte kader van dit bevoegdheidsincident, voldoende heeft onderbouwd. Gegeven de visie van FCIB op de strekking van de overeenkomsten – namelijk het bereiken van “total peace” voor haar en de aan haar verbonden entiteiten – en gegeven het feit dat een aantal andere vennootschappen die worden vertegenwoordigd door dezelfde liquidators (de English Claimants) een vordering bij TWPS hebben ingediend, heeft FCIB voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij een vaststelling dat ook TWPS als een dergelijke entiteit moet worden beschouwd, zodat de kwijtingsbepaling ook jegens TWPS van toepassing is. De enkele stelling in deze procedure dat de desbetreffende vennootschappen geen vordering jegens FCIB of TWPS pretenderen te hebben, biedt uit de aard van de zaak onvoldoende zekerheid. Of TWPS daadwerkelijk als FCIB-entity moet worden beschouwd, moet in de hoofdzaak worden beoordeeld. Aan een voldoende belang om de in 5.22 bedoelde vennootschappen en hun liquidators q.q. in rechte te betrekken doet dat niet af.

5.25.

Ten aanzien van de andere gedaagden dan de in 5.22 bedoelde vennootschappen en hun liquidators q.q. geldt het volgende. Op grond van artikel

103 Rv is de rechter die ten aanzien van een van de gedaagden bevoegd is ook ten aanzien van de andere gedaagden bevoegd indien sprake is van zodanige samenhang tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Daarvan is naar het oordeel van het Gerecht in dit geval ten aanzien van de vordering onder III sprake. Het gaat ten aanzien van alle gedaagden, zowel de in 5.22 bedoelde vennootschappen en hun liquidators q.q. als de overige gedaagden, materieel om de vraag of en in hoeverre het hen vrij staat een vordering tegen FCIB en/of tegen TWPS in te stellen. Behandeling van deze vraag door een en dezelfde rechter is onmiskenbaar doelmatig. Dat in het kader van de beoordeling van die vraag ten aanzien van verschillende (groepen van) gedaagden verschillende (voor)vragen beantwoord moeten worden (bijvoorbeeld de vraag wie van gedaagden geacht moeten worden partij te zijn bij de overeenkomst), doet hier niet aan af.

5.26.

De conclusie luidt dat het Gerecht bevoegd is kennis te nemen van de vordering onder III ten opzichte van alle gedaagden.

5.27.

Ten aanzien van [gedaagde sub 1] q.q. in de procedure 79404 oordeelt het Gerecht gelijkluidend als in de procedure 78075. Het Gerecht is bevoegd kennis te nemen van de vordering onder I (negatieve verklaring voor recht). Ten aanzien van de nakomingsvordering geldt ten aanzien van [gedaagde sub 1] dat het Gerecht zich bevoegd acht op grond van samenhang met de vorderingen tegen de in 5.22 bedoelde vennootschappen en de liquidators q.q. in de procedure 78075. Weliswaar is strikt genomen juist dat die bevoegdheidsgrond alleen geschreven is voor gevallen waarin meerdere gedaagden in dezelfde procedure zijn betrokken en is daarvan ten aanzien van [gedaagde sub 1] q.q. in de procedure 79404 geen sprake, maar dat behoort in dit bijzondere geval geen gevolgen te hebben voor de bevoegdheid van het Gerecht. De procedure 79404 is klaarblijkelijk louter aanhangig gemaakt om daarmee een eerder verzuim te herstellen, namelijk het abusievelijk niet betrekken van [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van liquidator van TWPS in de procedure 78075. In die omstandigheden heeft [gedaagde sub 1] q.q. geen rechtens te respecteren belang bij een toepassing naar de letter van artikel 103 Rv.

5.28.

Op een enkel onderdeel na is het Gerecht dus bevoegd kennis te nemen van de vorderingen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten. Bij de begroting van het salaris in dat verband zal het Gerecht uitgaan van het werkelijke belang van de onderhavige zaak.

5.29.

In de hoofdzaak zal gelegenheid worden gegeven om te concluderen voor antwoord.

6 De beslissing

Het Gerecht:

In de zaak met nummer 78075

In het incident

6.1.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering onder II voor zover die zijn gericht tegen de liquidators in persoon en zijn gebaseerd op een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst;

6.2.

wijst de vordering voor het overige af;

6.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten in het incident, tot op heden aan de zijde van FCIB begroot op NAf 12.000 aan salaris;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

In de hoofdzaak

6.5.

verwijst de zaak naar de rol van 11 december 2017 voor conclusie van antwoord;

In de zaak met nummer 79404

In het incident

6.6.

wijst de vordering af;

6.7.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten in het incident, tot op heden aan de zijde van FCIB begroot op nihil;

In de hoofdzaak

6.8.

verwijst de zaak naar de rol van 11 december 2017 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.